Ik kan niks (1)

Over de zegeningen der techniek heb ik zo mijn gemengde gevoelens, maar dat is voor een deel mijn eigen stomme schuld. Want behalve het formuleren van een redelijk geslaagde zin kan ik niks. Het knopje van het licht weet ik nog net te vinden. Als echter onverhoeds het vlammetje van de geiser uitwaait, ben ik aangewezen op zo'n meewarig kijkende vakman à Ÿx,- exclusief vijftig gulden voorrijkosten.

Mijn beroep is het maken van kranten. Leuk werk, ik kan het iedereen aanbevelen. Is in het maken van kranten de laatste jaren, technisch gesproken, enige vooruitgang geboekt? Ongetwijfeld. Alleen merk ik daar bitter weinig van. In mijn jongelingsjaren werden kranten nog uit lood vervaardigd. Hoogstpersoonlijk controleerde je of het geschrevene niet in pastei was gevallen en na enige oefening was je in staat dat glanzende zwart in spiegelschrift te lezen. Tot op de vroege woensdagmorgen mocht je je grensverleggende commentaar op het wereldgebeuren inleveren en terwijl je, samen met je collega’s, een matineus kopje koffie bij café Van Klaveren (soms met een cognacje erbij) dronk, was je weekblad al op weg naar de kiosken.
Kom daar nu eens om. Alles is gecomputeriseerd, wij zijn getuigen van een ware elektronische revolutie, de apparatuur oogt mooi, zindelijk en eigentijds - en het resultaat is dat de krant zeker drie kwart produktiedag heeft moeten inleveren.
Ik merk dus niet veel van de vooruitgang. Al ben ik zelf natuurlijk eveneens op de computer overgegaan. De oude, vertrouwde rammelende Remington is naar het museum getransporteerd en slechts de zonderlingen onder ons schrijven onze prachtromans nog vulpengewijze aan de cafétafel.
Ik dus niet. Ik ben geen zonderling, maar een technodebiel. Mijn lieve God, die eerste computerinstructieles, gegeven door zo'n whizzkid die ons, redacteuren, in een uur wijzer dacht te maken… Waren er nog opmerkingen? ‘Ja’, mompelde ik, 'ik begrijp er nog steeds geen fuck van.’
Een vrouwelijke collega was inmiddels in tranen uitgebarsten en even later likten wij gezamenlijk onze wonden in het buurtcafé. Gelukkig was er die ene collega voorhanden die ons de volgende dag in gewone mensentaal kon uitleggen hoe wij dat vervloekte technokreng moesten temmen.
Behoor ik, vraag ik mij, zelfreflecterend, af tot de computergestuurde lost generation? Misschien. Het is niettemin ook niet onmogelijk dat de zegeningen der techniek wat worden overschat. De basis van journalistiek werk is documentatie. Is het niet prachtig dat ik inmiddels, via de computer, toegang heb tot Het Parool/ Trouwarchief? Ik weet precies hoe het moet, echt waar, maar het telefoonnummer, dat deze wondere wereld ontsluit, is helaas al acht maanden in gesprek.
Dus sjok ik maar weer naar de oude, vertrouwde Openbare Leeszaal. Daar zijn de kranteknipsels inmiddels op cd-rom opgeslagen, door een laserstraal geregistreerd. Maar die laserstraal was dronken of zat met relatieproblemen, met het gevolg dat geen feit, naam of citaat meer te vertrouwen valt.
Voorbeeld: 'Armand is beroemd, maar zijn boek ligt in de ramp. De vierde druk uit 1756 van een boek uit 1988 redde het niet meer. Armando schrijft beslist hoogst beschikkelijk goed.’