Je zou ze gelukszoekers kunnen noemen, de jonge tieners die in de loop der jaren naar Nederlandse profclubs zijn gekomen – al volgt er nooit politieke ophef en komen ze niet helemaal uit zichzelf. Ze worden gevonden en hierheen gehaald, door scouts die leven in halflege stadionnetjes en achterafveldjes. Wat ze doorgaans zien: fanatieke spelers van wie de wil groter is dan het talent, de meeste onbetekenend en tot eeuwige anonimiteit gedoemd, en heel soms uitzondering.

Kasper Dolberg was net zeventien toen hij in 2014 naar Amsterdam werd gehaald. Hij had drie potjes in het eerste van de Deense laagvlieger Silkeborg IF, zonder goals te maken en werkelijk op te vallen. Ook binnen Ajax bestond er twijfel, en toch bood de club de stille tiener een contract aan. Ruim driehonderdduizend euro wordt naar een Deense rekening overgemaakt, een minderjarige Deen wordt losgerukt van alles wat hij kent. Dolberg nam afscheid van zijn hechte familie, dat ene afgetrapte voetbalveld in zijn buurt, het duizend inwoners tellende gehucht waar hij was opgegroeid en dat de prachtige naam Voel heeft. Dolberg werd ondergebracht bij een gastgezin in Ouderkerk aan den Amstel.

© ANP/Marcio Machado/ZUMA Wire

Zijn eigen ouders, die als handballers schijnbaar veel talent hadden, hebben nooit de top bereikt omdat ze niet wilden verhuizen: ze waren te verknocht aan Voel.

Als het gaat over de grootste talenten in de sportwereld, gaat het vaak over zichtbare kwaliteiten: iemands snelheid, inzicht, techniek. Nog altijd wordt er te weinig gereflecteerd op de psychologie die bij alles rondom een sportveld komt kijken. Hoe wordt iemands karakter gemeten wanneer hij een contract krijgt aangeboden? Op Instagram volg ik de Amerikaanse Freddy Adu (#volgtip), een goedlachse 32-jarige die af en toe foto’s van zichzelf plaatst waar hooguit een paar honderd likes op volgen. Toen hij veertien was, werd hij de nieuwe Pelé genoemd. De grootste clubs wilden dit wonderkind zo snel mogelijk vastleggen, er werd al een megacontract met Nike gesloten, op voetbalspellen werden zijn bovennatuurlijke kwaliteiten breed uitgemeten. Maar de werkelijkheid kon de verwachtingen met geen mogelijkheid bijbenen. Adu’s carrière werd een opeenvolging van steeds kleinere clubs, tot hij via Griekenland, Turkije en Finland op de tribune bij een onbekend Zweeds team eindigde.

Freddy Adu bezweek, zoals in de loop der jaren allerlei kinderen werden opgeslokt en uitgespuugd door de machinerie die topsport is.

In mijn eigen amateurvoetbalteam – vierde klasse zondagreserve – kregen we drie jaar geleden een nieuwe spits. Hij scoorde af en toe, maar speelde nooit bijzonder. Toen ontdekte ik dat hij tot zijn zeventiende bij Ajax had gespeeld, in een team met menige latere profvoetballers, van Kenneth Vermeer tot Ryan Babel. Met Babel vormde hij als zestienjarige nog een spitskoppel. Toen ik voorzichtig informeerde waarom onze spits het profvoetbal nooit had gehaald, zei hij peinzend: ‘Ik weet niet, man. Een blessure. Pech. Die dingen. Het had ook andersom kunnen gaan.’

Aan die uitspraak moet ik steevast denken als ik Dolberg zie.

Je zou kunnen zeggen dat Dolberg tot dusverre zowel geslaagd is als mislukt, om maar twee harde voetbaltermen te gebruiken. In zekere zin is hij al een kleine tien jaar een talent waarvan de kwaliteiten zich niet precies laten raden. Of hij psychologisch gezien onvermurwbaar is of afgevlakt – wie kan het met zekerheid zeggen? Heeft deze jongen al tien therapeuten versleten of zou hij daar niets van nodig hebben?

Alles aan Dolberg verraadt kalmte, al jaren. Alsof hij alles wat er gebeurt allang heeft meegemaakt. Zijn blik strak en geconcentreerd, zijn op en neer springende blonde lok altijd net gewassen. Meerdere coaches noemden hem in de loop der jaren afwezig op trainingen. Een kind dat nog niet helemaal wil deelnemen aan het volwassen leven – misschien omdat zijn jeugd niet helemaal werd afgesloten, in elk geval niet op een geijkte manier. En altijd duikt dat ene woord weer op, dat Dolberg achtervolgt als een schaduw: stoïcijns.

Aanvankelijk, bij Ajax, werd het vooral waarderend gebruikt. Hij maakte zijn goals makkelijk en snel, bijna achteloos, net alsof het hem geen enkele inspanning kostte. Maar naarmate hij ouder werd gebeurde er iets vreemds: hij werd niet beter, zoals men verwacht bij opgroeiende talenten, hij begon zichtbaar te twijfelen, onttrok zich aan het spel dat hij al zijn hele leven zo fanatiek speelde. Vanaf het publiek zwol het gemor aan: kon het hem wel iets schelen? Waarom juichte hij nooit? Zijn laatste grote optreden voor Ajax viel samen met een stedelijk voetbaltrauma: thuis tegen Tottenham holde hij een poosje verloren over het veld, tot trainer Erik ten Hag hem wisselde. Toen stond Ajax nog voor, toch werd Dolberg achteraf meer bekritiseerd dan ieder ander.

Ik vraag me weleens af: wat deed Dolberg in die jaren, net in een nieuwe wereld, om te ontspannen? Om bij te komen?

Van Zlatan Ibrahimović, die als twintigjarige vanuit Zweden naar Amsterdam werd gehaald, en Mido, een Egyptenaar die als achttienjarige in Amsterdam neerstreek, is bekend dat ze in hun tijd bij Ajax af en toe tegen elkaar scheurden in hun net gekochte sportauto’s. Een race op de ringweg, het liefst ’s nachts, de inzet: prestige en plezier. Jongens, ja, en niet zulke aardige jongens, maar wel bijzonder talentvolle. Met name Ibrahimović bleek opgewassen tegen alle druk en verwachtingen, tegen alles wat een internationaal voetballeven nog van hem zou eisen.

Wellicht had Dolberg ook af en toe in een sportwagen over de ringweg moeten scheuren, wellicht had hij dan wel bij Ajax kunnen uitblinken.

Niet lang na Tottenham thuis kreeg hij de keuze: er had zich een Franse club gemeld, hij kon verhuurd of verkocht worden.

Verkoop me maar, was Dolbergs reactie. En dus ging de tiener die Voel voorgoed had verlaten en die inmiddels in zijn eentje in IJburg woonde weer naar een nieuwe omgeving, naar nieuwe verwachtingen en hoop. In 2019 belandde hij in Nice.

Sindsdien doet hij in Frankrijk min of meer hetzelfde als in Amsterdam: voortvarend beginnen, daarna geleidelijk oplossen, zonder dat iemand nou helemaal begrijpt of dat hem raakt of koud laat, wat hij er allemaal van denkt.

Tot gisteren. Ineens was het moment daar: Dolberg terug in Amsterdam. De Deense spelersbus maakte een ommetje door de binnenstad die hij zo goed kende. Uit steegjes en zijstraten doken Deense fans op, als om zijn terugkeer alvast te vieren. Ik stel me graag voor dat Dolberg tussendoor eventjes terugging naar Oudekerk aan de Amstel, of in elk geval kaartjes regelde voor zijn pleegouders.

Daar was hij, eindelijk weer in de ArenA. De welbekende gangen, de kleedkamer die hij beter kende dan ieder ander hier. Dolberg had zijn eerste basisplaats op het EK. En of hij het wilde of niet, het voelde als thuiskomen, zo speelde hij althans. Hoogstpersoonlijk velde hij Wales, dat schold en schopte en bovenal machteloos was. Dolbergs eerste goal was hard en krulde perfect in de hoek, waarna hij triomfantelijk zijn armen omhoog stak. Na zijn tweede goal ging ook zijn mond open: een schreeuw, ja, niet hoorbaar maar wel zichtbaar. Dit was vreugde. Meer nog, het leek een oerkreet: zie mij, hier sta ik. Ik, Kasper Dolberg, ik ben er nog.