‘ik ken de taal niet die men nodig heeft’

Michael Zeeman, Verhoudingen. Uitgeverij De Bezige Bij, 64 blz., f34,50
ER ZIJN VAN die dichtregels waar ik het onmiddellijk nogal moeilijk mee heb. Bijvoorbeeld: ‘Laat mij verdwijnen in dit beeld/ zoals het beeld mijn ogen slorpen laat.’ Gadverdamme, denk ik meteen, slorpende ogen! Ik begrijp natuurlijk heel goed dat ik dat slorpen hier wat meer overdrachtelijk moet begrijpen, meer in de zin van gulzig kijken of zoiets. En inderdaad is er in de regel die op deze twee volgt sprake van gulzigheid. Maar ik kan er niets aan doen, ik zie ogen voor me die slorpen: van die vochtige open gaten waardoor van alles naar binnen wordt gezogen. En erger nog: ik hoor het ook, die nattige smakgeluiden van de oogleden. Jakkes.

Ander voorbeeld: ‘Alleen daar kon het zijn, daar/ in die branding van valleien rollen/ in een oeverloze zee van tochtige bossen,/ gulzig van opgehelderde moorden, vol/ verborgen vergeetzucht, met schamele/ paden waarvan de leugenachtigheid/ al van verre in je gezicht slaat,/ sissend als slangen tegen de wind.’ Horen en zien vergaan me hier, als ik eerlijk ben. Bij die branding van valleien kan ik me nog wel het landschap voorstellen dat de dichter hier voor ogen heeft gestaan - een soort Caspar David Friedrich -, maar als die oeverloze zee van tochtige bossen er dan ook nog rollend achteraan komt, heb ik toch weer het gevoel dat de dichter tijdens het schrijven wat te diep in het glaasje heeft gekeken.
En dan die opeenstapeling van beelden in de laatste regels: de paden zijn niet alleen schamel - iets waarbij ik mij ook maar heel moeilijk iets voor kan stellen: 'armoedige’ paden - maar ook nog leugenachtig. En met die leugenachtigheid slaan de paden je al van verre in het gezicht. Waarbij ze dan sissen als slangen tegen de wind. Sissende, armoedige paden die liegen.
Ik weet wel dat ik door dichtregels zo te lezen de verdenking op mij laadt een hedendaagse Pennewip of Droogstoppel te zijn, maar het is juist omdat ik in de formuleringen onmiddellijk zie wat de dichter heeft willen zeggen, dat ik met de manier waarop hij hier een en ander zegt, zoveel moeite heb. Hij wil heftigheid suggereren, intensiteit, volheid, overvolheid zelfs. Maar alleen iemand die heftigheid, intensiteit, vol- en overvolheid niet aan den lijve ervaart, bedient zich van beeldstapelingen als deze om dat alles dan toch ten minste in het gedicht te suggereren. Hij is een dichter die woorden als 'pijn’, 'wanhoop’, 'bitterheid’ en 'angst’ gebruikt vanuit de misvatting dat hij door die woorden op te schrijven ook daadwerkelijk pijn, wanhoop, bitterheid en angst voelbaar heeft gemaakt.
OF ZOU HET hier niet om een misvatting gaan? De voorbeelden die ik hier heb aangehaald, komen uit Verhoudingen, de tweede bundel van Michael Zeeman. Al in zijn debuut uit 1991, de bekroonde bundel Beeldenstorm, maakte Zeeman duidelijk een dichter te zijn die in de taal niet langer de vertrouwde betekenissen terugvond. Daarin was iemand aan het woord die overduidelijk geen toegang meer had en ook geen toegang meer kon vinden tot een wereld die vroeger vanzelfsprekend voor hem was.
'Ons sjibbolet is mij reeds lang ontschoten/ ik ken de taal niet die men nodig heeft’, schreef hij bijvoorbeeld in een reeks gedichten waarin hij terugkeerde naar zijn geboortegrond. De wachtwoorden die hem een toegang konden verschaffen tot die als zinvol en heel ervaren wereld van voorheen - hier meer specifiek een door het gereformeerde geloof bepaalde wereld - ontbraken hem nu en daarmee dreigden alle woorden lege hulzen te worden.
En is dat niet wat ik als allereerste in die slorpende ogen en die armoedige, leugenachtige, tegen de wind in sissende paden ontdek? De heftigheid die alleen maar gevoed kan zijn door onmacht - niet alleen de onmacht om voor bepaalde gevoelens de juiste woorden te vinden, maar ook om in woorden uberhaupt nog iets te ervaren? Daar lijkt het ook in deze bundel inderdaad weer om te gaan. Het gedicht dat begint met de branding van valleien, eindigt althans met: 'Daar is het dat ik gek/ van heimwee zocht naar die reuk,/ het jagen der twijgen, die sneeuw/ en die half gezongen zinnen vol/ half vergeten namen, geef mij die namen terug.’
En eigenlijk vind je in het eerste gedicht uit deze bundel al een beeld dat duidelijk maakt dat hier een dichter aan het woord is die alleen nog leegte ervaart: 'Van het ei dat tot troost worde gebroken,/ stolt de struif tot een knikker van ijs.’ Dat is bepaald ontmoedigend, zo aan het begin van een bundel.
En een paar bladzijden verder, in het tweede gedicht van een reeks met de titel 'Bevindelijkheid’: 'Want niks te zeggen in de wind,/ te dansen in het vuur van een/ struik in spontane zelfontbranding,/ niks geen redding uit de branding/ door een vis toevallig in de buurt,/ of plaatselijke bevolking gestuurd.’ De bijbelse verhalen dekken niet langer het verlangen. De god die in deze reeks op een bijna Kopland-achtige manier wordt aangesproken, is 'Niet meer dan/ een naam, wat verhalen, wat heimwee.’
Zo beschouwd zouden al die hotsende en botsende woorden in deze bundel, al die merkwaardige, bijna potsierlijke beeldstapelingen en die steeds maar weer uit de rails vliegende regels doelbewuste manoeuvres van de dichter kunnen zijn: pogingen om in de gedichten het soort holle klank te brengen dat zo goed past bij de (vooruit maar weer) postmoderne leegte die de dichter wil verwoorden.
Dat zou wel erg cynisch zijn, en soms vind je in Verhoudingen van die woordspeligheden die je het gevoel geven dat de dichter zichzelf inderdaad niet meer serieus neemt, alleen nog maar wat spelletjes speelt met de taal, met van die woordspeligheden van het type hier-zet-men-koffie-en- over, zoals in regels als: 'Na mijn gemors met tijd/ en koffie’, of: 'Die hoekigheid: daar blijft het echt/ om draaien’, of: 'Wij werpen ons op,/ als een meeuw op de branding.’
Maar of de dichter van Verhoudingen inderdaad zo cynisch is dat hij ons met al die dikke woorden maar wat op de hak neemt? Ik weet het eerlijk gezegd niet. Ik voel al lezend in deze bundel toch een zekere beklemming, bij een gedicht als 'Strijklicht’ bijvoorbeeld, waarin binnenvallend avondlicht de dichter het besef geeft dat hij niet langer wonen kan in zijn 'aangenomen ruimte’ en dat hij moet wijken 'van aangegroeide woorden naar een/ niemandsland van boodschap en bericht’. Bij zo'n gedicht heb ik toch het gevoel dat de dichter die hier aan het woord is, daadwerkelijk iets is kwijtgeraakt.
Maar misschien komt mijn gevoel van beklemming toch ook voort uit het vermoeden dat 'verlies’ en 'verlangen’ twee begrippen zijn die voor de dichter even leeg zijn geworden als de andere wachtwoorden die hem vroeger toegang verschaften tot een wereld die nog intact was. Het verlies en verlangen worden dan, met alle andere gevoelens, alleen nog maar geacteerd.
Hoe dat ook zij, geacteerde wanhoop of daadwerkelijke onmacht, in beide gevallen gaat het om gedichten waarin ik maar heel moeilijk kan geloven.