Interview Tim Krabbé

«Ik ken genoeg leuke vrouwen van zestig»

Moet wat onder de oppervlakte schuilgaat, ook worden benoemd? Hoe verhoudt zich structuur tegenover het spontane? Tim Krabbé, die deze maand zestig wordt, legt uit hoe hij schrijft. «Ik wil in de eerste plaats aan de oppervlakte boeiend zijn. Daaronder moet er ook iets zijn, maar ik hoef niet per se te weten wát.»

Loerende blik van onder imposante wenkbrauwen.

«Dacht jij dat? Dat ik daar wat mee te maken had?»

Ooit was er wel het idee een boek te schrijven naar aanleiding van de zaak Ferdi E. Hij zag er vanaf toen hij te zeer geïnvolveerd raakte met de dader en zijn gezin. Met het stuk over de moord op Ahold-topman Gerrit-Jan Heijn, van Kees van Beijnum, dat een aantal jaar geleden op televisie verscheen, had hij dan ook echt geen bemoeienis.

En Volkert van der G., is dat niet een geschikt personage voor een schrijver die geïnteresseerd is in een akelig rechtlijnig brein?

«Neeee. Vervelend mannetje.»

Tim Krabbé — woest, charmant, jongens achtig — wordt deze maand zestig. Hij kan er zelf ook nog niet echt over uit: «Het is bizár. Heel bizar. Omdat het toch zo is dat je nooit het idee verliest dat je achttien bent.» Van De renner (1978), Het gouden ei (1984) en Kathy’s dochter (2002) verschijnen gebonden feestedities. «Het geeft wel een goed gevoel dat ik een feestje heb waarbij twee boeken van zo lang geleden een rol spelen.» Maar ook: «Als je het om die reden mijn beste boeken zou noemen, dat ze het langst voortleven, dan is het toch ook wel weer een klein beetje griezelig dat het jongste boek negentien jaar oud is. Wat heb ik nou eigenlijk zitten doen in die tussentijd?»

Schrijven, schaken, wielrennen, liefhebben, niet noodzakelijk in die volgorde.

«Ik heb maar zeven romans geschreven in 35 jaar tijd. De renner was mijn eerste écht goeie boek, toen was ik al 35! Bij Het gouden ei was ik 41. Misschien ben ik een laatbloeier. Een vriendin zei laatst: vrouwen worden oud, mannen worden interessant. Maar ik weet niet of dat echt zo is. Ik ken genoeg leuke vrouwen van zestig. Maar goed, wie weet wat er nog uit mijn handen voortkomt. Ik ben nog niet dood. Ik ben pas zestig! Waarom lach je nou?»

Gisteren zocht hij een foto die hij absoluut moest hebben. «Had ik die twintig jaar geleden gezocht, dan was ik veel sneller klaar geweest. Omdat mijn boeken gelezen blijven worden, en vertaald, tot in Japan aan toe, blijf ik er werk aan houden. De rompslomp die het toenemen van je verleden met zich meebrengt, dat begint mij echt op te vallen.»

Het is ook een thema in je werk: de fantasie om ergens helemaal opnieuw te beginnen, zonder ballast van het verleden.

«Nou, vaak gaat het juist over terug willen naar het verleden.»

In ‹Vertraging› bijvoorbeeld bezwijkt Jacques Bekker aan de verleiding om onder een nieuwe identiteit in Sydney te blijven.

«O, bedoel je dat? Ja, dat is een voor de hand liggende gedachte die ik heel sterk had toen ik een keer een tussenstop maakte in Minneapolis. Ik had zes uur de tijd, ging die stad in en had er niets te zoeken. Toen dacht ik opeens: dit is een plek waar ik helemaal niet had horen te zijn, een compleet andere werkelijkheid eigenlijk. Stel je nu eens voor dat ik hier ook blíjf. Dat niemand ooit meer iets van me hoort en dat ik een volkomen nieuw leven begin. Uit die gedachte is dat boek ontstaan.»

Op zijn website beantwoordt Krabbé vragen van lezers, waarbij hij onomwonden blijk geeft van zijn irritatie als het op het vastpinnen van de thematiek van zijn werk aankomt.

«Ik vind het verschrikkelijk leuk als mensen allerlei thema’s ontdekken, maar niemand moet de waarheid gaan claimen. Hét thema van Krabbé is… En dan volgt er iets. Sodemieter op! Zie er je eigen dingen in, en wat je erin ziet, kan niet fout zijn. Achteraf zie ik zelf pas dat de hereniging van geliefden in de dood een terugkerend thema is in mijn romans. Tijdens het schrijven was ik me daarvan niet bewust.»

Ik las op je website een antwoord: «Ik heb met dit boek iets heel belangrijks gezegd, maar ik zou niet weten wat.»

«Ik wil in de eerste plaats aan de oppervlakte boeiend zijn. Daaronder moet er ook iets zijn, maar ik hoef niet per se te weten wát. Dat is mijn credo niet alleen als schrijver, maar ook als lezer. Zolang ik het gevoel heb dat iets niet oppervlakkig is, is het voor mij goed, en dan hoef ik echt niet voor mezelf te formuleren wat de diepere dingen zijn. Het hoort bij mijn credo om naïef te durven zijn. Helaas wordt iets dat een oppervlakte heeft om die reden soms als oppervlakkig gezien. Een oppervlakkige gevolgtrekking die mij wel eens verdriet doet.»

Naïef, ontvankelijk en irrationeel: Tim Krabbé laat zich er graag op voorstaan dit alles te zijn. Opmerkelijk, voor de schrijver van hecht geconstrueerde romans, tevens schepper van meedogenloos berekenende figuren als Raymond Lemorne in Het gouden ei en Axel van de Graaf in De grot. Schaker bovendien. Krabbé’s Engelstalige schaaksite, Chess Curiosities, is vermaard en druk bezocht. Deel van de feestelijkheden rond zijn zestigste verjaardag is een schaakcompositietoernooi, door hem georganiseerd en gesponsord. Vanuit Nieuw-Zeeland tot uit Georgië komen inzendingen binnen. Enthousiast vertelt hij net een «ongelooflijk leuk» schaakprobleem te zijn tegengekomen in een blad uit 1977, van een vrouw nog wel — hetgeen in die afdeling van het schaken hoogst uitzonderlijk is —, de Russische Nadezhda Leontyeva.

Tim Krabbé: «Schaakproblemen hebben een vergelijkbaar gestructureerde schoonheid als literatuur. Dat schaakprobleem van die Leontyeva bijvoorbeeld deed me denken aan een vrouw die in het park zit met twee kinderen die om de beurt wegrennen en die ze steeds weer bij de lurven moet grijpen. Een beetje slapstick achtig. Ik houd er erg van om in mijn werk sprongen in de tijd te maken. Terwijl het eigenlijke verhaal in tijd vooruit loopt, in Het gouden ei doe ik dat bijvoorbeeld, en in Vertraging, ga ik ook terug in de tijd. Je hebt altijd twee spanningsbogen in een verhaal: wat gaat er gebeuren, en wat ís er gebeurd waardoor het allemaal begonnen is. En die twee kun je tegen elkaar uitspelen om een boeiend verhaal te krijgen. Dat kun je op ontelbare manieren doen.»

Kijk jij ook hoe anderen dat doen?

«Nee. Ik heb genoeg aan mijn eigen gevoel voor schoonheid. Ik begrijp die schrijvers niet die zeggen dat ze leren van anderen. Of ontmoedigd raken als ze een boekhandel in lopen en ál die boeken zien. Als je wilt schrijven, moet je ervan overtuigd zijn dat de wereld niet verder kan zonder jouw boek. Die gedachte doet zich ook echt voor als je in een trance een boek zit af te maken. Dan krijg je een soort ontzag dat jij degene bent die een woord mag veranderen in dat boek. Dat jij de uitverkorene bent die jouw boek, dat al bestond op een hoger plan, hier naartoe mag halen. Een onontkoombaar gevoel, waarbij ieder relativeringsvermogen verdwijnt.»

Zet je wel de structuur van tevoren op papier, bij wijze van schema?

«Ik bedenk een verháál, geen structuur. Die dringt zich dan vanzelf wel op. Net als Het gouden ei begon De grot als een kort verhaal. Daar bleken die verhalen echter geen genoegen mee te nemen. Toen de flashback in De grot almaar groter werd, dacht ik: dat werkt niet. Hoe los ik dit op? Ik ga het gewoon — páts! — vertellen, als afzonderlijk hoofdstuk. Ik heb gemerkt in de loop der jaren dat je voor jezelf wetten kunt ontwikkelen. Als iets vervelend en lastig is om te schrijven, maar je hebt het nodig voor het verhaal: gooi weg! Kijk of het werkt als je het brutaalweg niét schrijft. Sommige beslissingen kun je je niet voornemen. Het verhaal en je eigen gevoel voor harmonie en schoonheid dwingen je ertoe. Later kan dat dan worden geanalyseerd als een bepaalde structuur die je er in hebt willen brengen. Maar dat is niet zo. Ik heb totaal geen abstracte besognes van dien aard tijdens het schrijven van een verhaal. Ik zoek naar een efficiënte, mij zelf ook boeiende manier om dat verhaal te vertellen.»

Is dat altijd zo geweest?

(lachend:) «Ik vrees dat er niet zo veel ontwikkeling in mij zit. Misschien dat ik in mijn allereerste boeken wat meer neigde naar obligate ironie. Misschien word je ook wel ouder in je schrijven. Bij Kathy’s dochter moest ik vaak denken aan een zinnetje van Ivo Pannekoek, die memoires over de oorlog schreef. ‹Wie hier literatuur van maakt, is een zwijn.› Ik dacht ook: ik moet echt terug naar de oervorm van de literatuur. Iemand maakt een vreemd avontuur mee en vertelt dat nu.»

In Kathy’s dochter voert Tim Krabbé zichzelf op als romanpersonage. Hij beschrijft hoe hij, via zijn website, in contact komt met de dochter van een oude geliefde die net overleden blijkt. Zijn ontmoeting met deze Laura, en de heftige verhouding die zich al snel ontwikkelt, roept de vroegere affaire in herinnering. Het middendeel van de roman bevat het manuscript dat hij schreef als twintigjarige over zijn verbroken verhouding met Kathy. Daaromheen speelt de affaire nú tussen een 57-jarige man en een 28-jarige vrouw, onmogelijk, gekmakend en duidelijk vers van de lever geschreven.

Was je niet bang dat als dit werd verteld, het ook weg zou zijn? Dat het toch literatuur werd?

Tim Krabbé: «Jaaaa, zoals je dat ook wel met foto’s hebt. Ik merkte tot mijn ontzetting dat ik me Kathy niet meer voor de geest kon halen, omdat zij zonder dat ik het merkte was vervangen door de foto die ik van haar had. Een uitermate belangrijke liefde in mijn leven blijkt dan toch te kunnen verzwakken en vervagen. Ik heb het fenomeen ontdekt van het bestaan van herinneringen waaruit de reden van de herinnering zelf is verdwenen. Al mijn hele leven kom ik hier in Amsterdam langs een bepaald hotel, en altijd kijk ik even naar boven. Toen vertelde Laura dat haar moeder een tijdje een kamer bewoonde in dat hotel, en dat had zij ook aan mij verteld. Het gekke is dus: ik heb altijd iets met dat hotel gehouden, maar ik wist niet meer waarom. Iets kan blijkbaar in je hoofd zitten, zonder dat je je daarvan bewust bent.»

Het is een heel kwetsbaar boek geworden.

«Héél kwetsbaar boek. Op alle manieren. Persoonlijk is het kwetsbaar, als literatuur is het kwetsbaar. Ik ben dan ook behoorlijk gekwetst hier en daar.»

Hoe stel jij je daartegen teweer?

«Ik stel me niet teweer, het kan me geen bal schelen. Het boek is zoals ik op dat moment wilde dat het zou worden. Ik ben er dan wel naakt in, je ziet mij neuken in dat boek, maar… Het kan mij niet zo schelen.»

Hoe vond Laura het?

«Ik heb me voorgenomen om helemaal niets te zeggen over de werkelijkheid achter het boek. Ik leg er wel de nadruk op dat het werkelijk gebeurd is, maar toch wil ik geen bruggen slaan met de échte realiteit. Het is een eilandje. En ik heb de werkelijkheid natuurlijk toch een beetje vervormd. Als ik er iets over zou zeggen, over haar eventuele reactie bijvoorbeeld, dan zou dat de magie doorbreken van dat universumpje. Ik heb er de nadruk op gelegd dat het mij écht overkomen is, omdat het zo bizar was. Hereniging in de dood van twee jong gescheiden geliefden: dat overkomt uitgerekend mij in werkelijkheid! Het zou flauw zijn geweest om dan fictie te schrijven over een schrijver die in zijn eigen boek terechtkomt. Ik kwam écht in mijn eigen boek terecht!»

Heb je haar wel om toestemming gevraagd?

«Nee, ik zeg daar helemaal niets over. Ik wil zelfs in een uiterste geval de gedachte overlaten bij de lezer dat het misschien tóch allemaal verzonnen was. Hoe meer men zou denken dat het verzonnen was, hoe meer ik het als compliment ervaar.»

Ervaar je het als een compliment dat ik bij Volkert van der G. moest denken aan jouw koele crimineel in ‹Het gouden ei›?

«Lemorne heeft een filosofische interesse. Die Volkert voerde een politieke daad uit, eigenlijk vrij simpel. Het is bijna een soort schaakzet. Hij is ook een schaker, hè? Er werd ook meteen een link gelegd tussen zijn regelzucht en het feit dat hij schaken leuk vond. Deze man is ziekelijk behept met het volgen van regels, dat klopt, wánt hij is een schaker. Terwijl schakers wereldvreemde chaoten zijn. In Het gouden ei is Lemorne zichzelf aan het uittesten: ik zal toch wel ergens een rem hebben. Hoe kan ik zeker weten dat ik ga springen, en tegelijkertijd weten dat het gekkenwerk is? Die Volkert ook: tot zijn eigen verbazing blijkt hij die rem niet te hebben. Ik kan me voorstellen dat hij zich verplicht voelde zo ver te gaan als kon. Hij had bodyguards verwacht. Hé, ik kan nog verder, nog verder, ik kan zelfs schieten. Maar zo verschrikkelijk boeiend vind ik dat niet. Misschien is één Ferdi E. in je leven ook wel genoeg.»

Oók ter gelegenheid van zijn jubileum wordt in juni een Ronde van Tim Krabbé gereden, een toerfietsweek in de streek waar De renner speelt, met als hoogtepunt het parkoers van de wedstrijd uit dat boek. Zelf zal hij aan de zijlijn staan. «Om nou bij je eigen ronde steeds als rode lantaarn binnen te komen…»

Zijn het wielrennen en het schaken geen vluchtwegen van het schrijven?

Tim Krabbé: «Het zijn liefdes, en heel erg vergelijkbaar met liefdes voor mensen. Die ontstaan ook altijd irrationeel. Toen ik elf was, zag ik op school twee jongens schaken en ik wist: dat wil ik. Dat is nu vijftig jaar geleden en ik doe het nog steeds. Wielrennen heeft een iets andere geschiedenis, maar het momént van beslissing, zeg maar het Volkert van der G.-moment, weet ik nog precies. Ineens spríng je die andere wereld in. Het is net als met menselijke liefdes. Je ziet haar en het geheim ervan is: je weet niets van haar. Alleen dat ze voor jou bestemd is. Zo was het ook met dat schaken. Ik zag die jongens en wist niets. En nu beoordeel ik schaakproblemen van mensen uit Azerbei dzjan. Het is alsof ik dat toen al wist.»