INTERVIEW MET ERWIN OLAF

‘Ik kietel en ik sla’

Erwin Olaf fotografeert 25 jaar. Zijn werk is in die tijd veranderd. Gehoornde maskers zijn vervangen door hoogsluitende jurken; bejaarde pin-ups door apathisch starende mensen in Amerikaanse jaren-zestigdecors. ‘Je gaat af op je gut feeling.’

‘WAT EEN SCHOONHEID HÈ?’ Erwin Olaf wijst naar een foto van een jongen met een blonde Caravaggio-krullenbol. ‘Hij kwam me interviewen voor de schoolkrant; had helemaal geen ervaring als model. Ik dacht: wat een bijzonder bovenlijf, dat zou ik wel eens naakt willen zien. Zelf vind ik dat wat moeilijk om te vragen, dus stuur ik de visagist erop af. Zegt ze tegen zo’n jongen: vandaag dachten we aan een serie met ontblote torso’s.’
In het Haags Fotomuseum bekijken we Olafs jongste serie Fall: manshoge portretten van bloedmooie adolescenten, afgewisseld met foto’s van bloemstukken. We zien een jongen met volle lippen en rollende spierballen, een meisje met hoog voorhoofd en hangend nachthemd, een stukje tepel piept ondeugend naar buiten. Het is typisch Olaf-werk: esthetisch, gelikt, licht erotisch zonder echt opwindend te worden, daarvoor is het te gestileerd en kunstmatig. De titel van de serie slaat zowel op de stemmige herfsttinten waarin de foto’s zijn geschoten, als op de ogen van de modellen: die lijken ieder moment dicht te kunnen vallen.

Medium erwinolaf

foto: Gustaaf Peek

Het idee voor dat effect, vertelt Olaf – een hanige, goed geconserveerde bijna-vijftiger in een polo van Ralph Lauren – ontstond al werkende. Na het drieluik Rain, Hope, Grief had hij zin om iets frivools te maken, iets uitbundigs. En dus huurde hij een hotelkamer en boekte Holland’s Next Top Model-winnares Kim Feenstra voor een ‘ouderwets geile’ fotosessie. Het toeval deed de rest. Olaf: ‘Op een gegeven moment stond Kim een beetje raar te wiebelen en ik druk af, net op het moment dat ze met haar ogen knippert. Toen ik die foto later terugzag dacht ik: hoe moet je die blik interpreteren? Is het stoned? Is het afstandelijk? Is het geil? Die onduidelijkheid vond ik waanzinnig.’
Was u niet bang voor het Larry Clark-effect?
‘Het Larry Clark-effect?’
Hitsige fotograaf van middelbare leeftijd portretteert halfnaakte tieners.
Verontwaardigd: ‘Jezus mán, daar heb ik nou nog geen moment aan gedacht. Hoeveel jonge jongetjes en meisjes heb ik gefotografeerd in mijn carrière? Twintig? Hij heeft er minstens 699 gefotografeerd. Lárry Clárk. Ik val niet eens op zestienjarigen. Er moet toch flink wat haar boven die piemel zitten, wil ik eraan beginnen.’ (lacht)
Moet u een band hebben met het model om goed te kunnen fotograferen?
‘Toch wel ja. Een moment van verliefdheid is nodig. Het moet echt tussen hem en mij gaan – hoeveel visagisten en decorbouwers er ook omheen staan. Ik kan niet iemand fotograferen die ik niet interessant of sympathiek vind. Jaren geleden schoot ik een portret van Youp van ’t Hek. Tijdens de sessie wist ik al: dit wordt niks. Ik vond hem een onaangename man, moest ook niet lachen om zijn grappen. En inderdaad: het werd een kutfoto.’
Een model dat hier binnenstapt moet vooral goed moppen kunnen tappen?
‘Het moet me ontroeren. Karin Bloemen ontroert me, Mathilde Santing ontroert me, zo’n jonge jongen ontroert me enorm. Dat spontane, die verwachtingen; de hele wereld ligt nog aan je voeten: “Ik kom eraan!” Daar kan ik ontzettend door geraakt worden.’
Hoe regisseert u uw modellen?
‘Door ze op hun gemak te stellen, maar ook door heel duidelijk te zeggen wat ik wil. Ik geef ze complimentjes en kan ze tegelijk behoorlijk de grond in boren. Ik kietel en ik sla.’
Olaf geeft een voorbeeld: ‘Laatst had ik een photoshoot voor Elle magazine. We hadden het Amstel Hotel als locatie, twintig modellen, Bonny Huf en Hans van Manen in een cameo-rol. Het idee was om het Black and White-feest van Truman Capote na te doen, een grote uitzinnige bende. Huf en Van Manen gingen inderdaad helemaal uit hun dak. Alleen die modellen, die vormden samen een soort brak water; er viel geen beweging in te krijgen. Na alles geprobeerd te hebben schreeuwde ik in een wanhoopspoging: “Zeg! Hebben jullie nog nooit geneukt of zo?!” Nou, toen kwam de boel wel los.’
Korte stilte. ‘Komt de styliste later naar me toe: “Eh, volgens mij hebben er vier inderdaad nog nooit geneukt.”’ (gierende lach)
Is er een verschil tussen een fotosessie in Nederland en in het buitenland?
‘Dat is een enorm verschil. In Londen of New York staat zo’n model zich al tijdens het schieten in te oefenen, en als je dan begint, dan gaat zo’n wijf helemaal los. Dan gebruikt ze alle vrouwelijkheid die ze in zich heeft voor jouw foto. De oorzaak is natuurlijk concurrentie. Wij Nederlanders zijn een mooi volk. We hebben mooie wijven. Ieder goed model wordt direct weggekaapt door een buitenlands modellenbureau in Engeland of Amerika. Het fotobudget dat we hier hebben past in een vingerkootje van de Verenigde Staten.’

Wandelend door de mooie tentoonstelling in het Fotomuseum – waar naast Fall ook de series Rain, Hope en Grief te zien zijn – blijkt nog eens wat iedereen die wel eens een fotobeurs bezoekt al lang wist: dat Olafs werk de laatste jaren ingrijpend is veranderd. Het is ingetogener geworden, respectabel zelfs. Leren slipjes en gehoornde maskers zijn vervangen door hoogsluitende kasjmieren jurken; bejaarde pin-ups en ingesnoerde vrouwen hebben plaatsgemaakt voor apathisch starende mensen in Amerikaanse jaren-zestigdecors.
Vanwaar uw keuze voor die Amerikaanse kleding en decors?
‘Ik had natuurlijk ook een Hollands jaren-vijftigkeukentje kunnen fotograferen. Dat lag misschien meer voor de hand. Dan krijg je Cas Oorthuys – een heel goede fotograaf, daar niet van – maar dat wilde ik nu juist níet. Ik wilde het Amerikaanse droomlandschap van mijn jeugd verbeelden: Lassie, Mister Ed, kleine bloesjes, grote koelkasten’
En u wilde graag doorbreken in Amerika?
‘Néé, zo werkt het niet. Je denkt niet: nu gaan we Norman Rockwell doen en daarmee ga ik eens doorbreken. Je gaat af op je gut feeling. Dat Rain juist daar aansloeg, kwam als een verrassing – ook voor mij. Het hing op Paris Photo en opeens – tak, tak, tak – waren daar al die oranje stickertjes.’
Wat opvalt is de obsessieve aandacht voor details. De kapsels, de kleding, de interieurs – het klopt tot in de puntjes.
‘Mijn artdirector en ik hebben er veel plezier in om dat allemaal uit te denken. Dat gaat vrij intuïtief.’ Hij wijst naar een foto uit Grief, een grijze weduwe bij het raam. ‘Neem bijvoorbeeld het klokje dat hier aan de wand hangt. Dat staat op vijf over half twee. Toen de foto klaar was ging ik nadenken: waarom heb ik dat klokje op dat tijdstip gezet? Opeens wist ik het: als je een rouwende weduwe bent in een buitenwijk en je hebt geen bal te doen, welk moment van de dag is er dan erger dan half twee ’s middags?’
Zijn foto’s vallen of staan bij zulk perfectionisme. ‘Vroeger was ik er erg op gefixeerd of een foto netjes gestipt was (het met inkt wegwerken van onregelmatigheden op de print – sk). Als er maar een haartje zichtbaar was, dan kon ik alleen nog maar naar dat haartje kijken. Sommige fotografen houden van ongepolijst. Dat vinden ze echter. Maar ik ben niet bezig met echt. Ik ben bezig met onecht. En die onechte wereld, die moet er zo echt mogelijk uitzien.’

Volgend jaar bent u 25 jaar fotograaf. Bent u in die tijd beter geworden?
Overtuigd: ‘Absoluut. Ik ben beter gaan componeren en durf meer weg te laten. Vroeger was ik een vrij agressieve fotograaf. Ik deed veel reclamefotografie en daar moet iedere klap raak zijn. Ik werk nu veel losser en durf meer aan de suggestie over te laten.’
Hij toont een foto uit Grief: een jongen in wit overhemd staat bij het raam, de rug naar de kijker toegekeerd. ‘Deze foto had ik vijftien jaar geleden niet zo durven maken; ik was als de dood geweest dat het te saai zou worden. Nu durf ik dat wél. Ik heb met Photoshop zelfs een stukje van zijn kont afgehaald om hem minder erotisch te maken.’
Hij geeft het toe: de verandering in zijn werk loopt synchroon met veranderingen in zijn persoonlijke leven. En dan hebben we het niet over de longziekte COPD die in 1996 bij hem werd gediagnosticeerd en waarover hij sindsdien in ieder interview vragen moet beantwoorden – ‘ik doe daar niet moeilijk over; iedere journalist heeft recht op een stukje longziekte’ –, maar over ouder worden in het algemeen. ‘De jaren tussen je dertigste en je veertigste zijn de moeilijkste van je leven. De onbevangenheid van je werk is weg, de verbittering sluipt binnen. Je moet jezelf bewijzen, bent hyperambitieus. Al dat soort dingen beginnen nu langzaam weg te ebben. Ik ben bijna vijftig. Ik héb een mooi oeuvre opgebouwd, ik wéét dat ik kan fotograferen. Punt. De onzekerheid is weg. En dat heeft me een betere fotograaf gemaakt.’

Bestel het portret van Erwin Olaf gemaakt door Gustaaf Peek online>>

Erwin Olaf, Rain, Hope, Grief & Fall, Fotomuseum, Den Haag, tot 18 januari