‘Ik kijk rond’

MARK BOOG
IK BEGRIJP DE MOORDENAAR
Cossee, 155 blz., € 18,90

Tot nu toe las ik het werk van Mark Boog altijd met enige verbazing want bij hem hoef je niet te rekenen op ‘normale’ verhalen en normale figuren. Hij schuurt aan tegen bestaande literaire tradities van verhalen vertellen en zet daar zijn eigen visie naast. In De vuistslag (2001) gaat het schijnbaar om de reconstructie van een geval van mishandeling: door wie is hij precies mishandeld en hoe werkt zoiets uit? De helft van liefde (2005) beschrijft een aflopende relatie tussen een man en een vrouw. Niet wat je noemt spectaculaire verhaaluitgangspunten, die hij ook niet erg spectaculair uitwerkt. Weinig moord en doodslag, geen seks, geen achtervolgingen, geen verloren liefdes, geen hemelbestormend engagement, maar het rare is dat dit werk me toch langer bijbleef dan de meer ‘normale’ romans. En als ik dit zo opschrijf besef ik ineens dat het in die boeken helemaal niet over mishandeling en relaties ging. Maar waar gingen ze dan precies wél over?
Je krijgt bij Boog steeds het gevoel dat hij een verhaal vertelt met een kop en een staart maar dat hij je na afloop in het duister laat tasten over bedoelingen en betekenissen. Hij vertelt verhalen die als een trein in de mist opdoemen, even toeteren en dan weer voort razen. En in je kop blijven haken. Kortom, het valt niet mee er als lezer of recensent vat op te krijgen, wat je als recensent natuurlijk graag wil, je wilt romans nu eenmaal doorhebben, zodat je er iets krachtigs over kunt beweren. Dat ze ‘belangwekkend’ zijn, of ‘mooi’, dat je er geen donder aan vindt, of dat de personages hun personagebestaan maar beter aan de wilgen zouden kunnen hangen.
Vandaar ook dat veel recensenten moeite hebben met zijn proza, ze erkennen de merkwaardige kracht ervan, zien ‘het talent’, noemen hem vaak ‘veelbelovend’, maar kunnen er vaak geen vinger achter krijgen waar het ’m allemaal in zit. Ik dus ook niet, laat dat duidelijk zijn. Ja, in de stijl natuurlijk, zoals altijd, maar hoe zit dat dan? Boog lijkt zich nergens druk over te maken, hij slaat rustig allerlei platgetreden paden in van de romankunst die hij doodleuk voor zijn karretje spant. Je hoort hem bijna denken, ja, dat verhaal en die bedoelingen ervan, dat hoort er nu eenmaal bij, dat willen lezers en recensenten en dus gooi ik ze een paar brokken toe. Maar het gaat er natuurlijk niet om. Het gaat erom dat verhalen blijven spoken, dat ze een droom in je op weg helpen, dat ze niet uit zijn als ze uit zijn.
Ook in deze nieuwste roman gaat het verhaal al snel uit je handen, hoe ‘gewoon’ het ook is. Op het eerste gezicht werkt Boog met een paar klassieke gegevens uit de misdaadroman. Een nogal afgeleefde en morsige politie-inspecteur krijgt vlak voor zijn pensioen de opdracht een moord uit het verleden alsnog op te lossen. Een man, nu al lang dood, doodde destijds zijn minnares. Het was vanaf het begin duidelijk dat er maar één man voor die moord verantwoordelijk kon zijn, alles wees daarop, maar het beslissende bewijs werd destijds nooit gevonden, vooral omdat de echtgenote van de moordenaar hem vrijpleitte. De inspecteur gaat weinig enthousiast op onderzoek uit, en brengt daarover verslag uit aan zijn meerdere, de commissaris, die hem ooit bij een promotie passeerde. Hij gaat vrijwel direct een relatie aan met de oude maar mooie echtgenote van de moordenaar.
Genoeg gegevens voor een spannend verhaal rondom ontrouw, verraad en broeierige jaloersheid. Alles bekend uit de misdaadtraditie, de plot deed me sterk denken aan het werk van Georges Simenon, niet zozeer aan de Maigret-reeks maar aan zijn psychologische romans.
Maar Boog zou Boog niet zijn wanneer hij niet binnen de kortste keren afweek van de gebruikelijke patronen. En dus krijgen we, net als in zijn vorige romans, te maken met een held die zijn onderzoek begeleidt met bespiegelingen rondom leven en dood, schuld en boete en die zich steeds meer in de nesten werkt. Het lijkt er steeds meer op dat hij zo ongeveer álles onderzoekt: zichzelf, de stad, zijn eigen drijfveren. ‘De stad: een nest. Het is donker, het begint eindelijk minder warm te worden en ik wandel nog altijd. De straten zijn verlaten. Ik heb mijn handen in mijn zakken gestoken, ze spelen met de voorwerpen die ze daar vinden. De schouders opgetrokken, het hoofd op peinzen, ik kijk rond. De meeste gordijnen zijn gesloten, kunstlicht spoelt er kalmpjes langs.’
Typisch Boog-proza, reflectief, precies, en tegelijk geheimzinnig en betekenisvol. ‘Ik kijk rond’ – zo’n zinnetje binnen een zin, je kunt er overheen lezen, Boog zou het niet erg vinden, maar je kunt het ook zien als de kern van zijn schrijverschap. Zijn helden ‘kijken rond’, ‘het hoofd op peinzen’ en ze nodigen de lezer uit mee te kijken en te peinzen. En als je eenmaal op dit spoor zit, een spoor dat Boog weinig nadrukkelijk heeft uitgezet, begint ook deze roman een eigen leven te leiden, los van de gebruikelijke misdaadliteratuur en wordt hij een enscenering van een zoektocht die Boog in al zijn werk op touw zet, ook in zijn poëzie. Een zoektocht van kijken en verwonderen. En ineens beginnen Boogs zinnen in het oog te lopen, ze krijgen een vreemde tastende toon die overal gaat doorklinken. ‘De zon is een gewicht dat op het land staat en op alle dieren’, staat er plompverloren tussen het verhaal door. Wat een schitterende zin! En wat een merkwaardig gewoon verhaal! Met een kop en een staart en een verrassend einde. En wat een merkwaardige schrijver!