Interview met Martijn van Dam

‘Ik kijk tegen niemand meer op’

Op zijn negentiende werd Martijn van Dam PvdA-raadslid in Eindhoven, twee jaar later was hij lijsttrekker. Voor zijn 24ste kwam hij naar de Tweede Kamer. Maar alles heeft een prijs.

‘Ik ben veel illusies kwijtgeraakt. Vroeger keek ik op naar bekende mensen of ceo’s van grote bedrijven die miljoenen verdienen. Maar alle glamour die daar omheen hangt, die is voor mij weg. Ik kijk tegen niemand meer op. Nee, ook niet tegen buitenlandse politici uit grote landen. Dat vind ik heel gezond. Het zijn allemaal gewone mensen, die gewone fouten maken en vanuit de onderbuik beslissingen nemen. Natuurlijk levert de politiek me ook iets op. Het klinkt misschien wat zwaar, maar ik vind het een voorrecht om op mijn leeftijd te mogen bijdragen aan een net iets betere wereld. Ik ben dan ook niet alle illusies kwijtgeraakt, ik vind politiek een mooi vak. Maar het is ook een zware baan. Soms denk ik: kon ik ook maar om half zes de deur achter me dicht trekken en lekker ’s avonds thuis zijn. Het irriteert me vreselijk wanneer het beeld wordt geschetst van kamerleden als een stelletje lanterfanters met een goed gevulde bankrekening. Dat beeld wordt met graagte neergezet en daar word ik boos van. Het raakt mijn integriteit.’

‘Zo’n beslissing over Uruzgan, daar kan ik van wakker liggen. Dat zijn echt de zwaarste. Je draagt toch de verantwoordelijkheid voor mensen die riskant werk gaan doen. Ik moet familie en vrienden van eventuele nabestaanden recht in de ogen kunnen kijken.

Ik bestrijd dat verlenging van de missie de prijs is die Nederland moet betalen voor slechte diplomatie. Dat vind ik te negatief. Het is een combinatie van factoren. In de eerste plaats was de afspraak dat Nederland voor twee jaar zou blijven niet scherp genoeg gemaakt. Ik was astonished toen mensen van de Navo en Australiërs mij vertelden dat onze diplomaten en onze mensen van Defensie nooit hadden uitgestraald dat we weg zouden gaan in 2008. In die zin was de twee jaar niet zo hard als oud-vvd-minister Kamp nu doet voorkomen. Daar kwamen toen ook nog de uitspraken bij van minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen en van minister van Defensie Eimert van Middelkoop. Zij waren te snel te welwillend. Andere factoren die meespelen zijn laksheid bij de Navo om een opvolger te zoeken en gebrek aan politieke wil bij bondgenoten.

Het dilemma dat wij toen op ons bord kregen was: óf Nederland óf niemand. Moet je dan op je strepen blijven staan? Dan wordt het bijltjesdag in Uruzgan. Dan werken we niet mee aan de strijd tegen de internationale terreur. Ik wil niet de consequenties dragen van daar weggaan.

Ik vind het ergerlijk dat er niet naar de feiten wordt gekeken. Er is zo’n houding van: van feiten hoeven we ons niets aan te trekken. Ja, het klopt, er is meer gevochten, maar we wisten dat onze militairen vol aan de bak zouden moeten. Er zijn nu zogenaamde deskundigen die zeggen dat we de militaire strijd daar nooit kunnen winnen. Maar dat hebben we ook nooit gezegd. Er is geen militaire oplossing.

We kunnen niet van de Taliban winnen, maar ook niet verliezen. Het gaat uiteindelijk om het bieden van een andere toekomst en dan – het gaat om de feiten – is er meer gebeurd dan verwacht. Maar met goed nieuws wordt niets gedaan. Vraag het aan de hulporganisaties en aan de mensen daar, er gebeuren wel degelijk dingen. Maar het is klein: een weg, een brug, een gezondheidspost in een dorp. Ik ben er echt voluit van overtuigd dat Nederland daar belangrijk werk doet.’

‘Toen we net mee gingen regeren, in februari, dacht ik wel eens: gaat het wel goed. Maar sinds prinsjesdag heb ik er een beter gevoel over. We kunnen echt laten zien dat er verschil is nu het cda met ons en niet meer met de vvd regeert. Het gaat nu ook beter met de pvda. Ik denk dat het andere beleid zich ook zal uitbetalen. Maar het vraagt wel om geduld. Je kunt van mensen die ons op 22 november 2006 niet steunden een jaar later niet vragen dat wel te doen.

Op mijn eigen terrein, buitenlands beleid, weet ik zeker dat Nederland door toedoen van de pvda ten aanzien van Iran nu een redelijk verstandige koers vaart. Maar daar heb ik een forse aanvaring over gehad met Verhagen. In een debat over Irak heb ik gezegd: oké, daar zetten we een punt achter, geen onderzoek, maar als het over Iran gaat, zal een kabinet met de pvda geen illegale oorlog steunen zoals het toenmalige kabinet bij Irak wel deed. Verhagen weigerde dat aanvankelijk toe te zeggen.

Politiek in Nederland is compromissen sluiten. Maar de bereidheid daartoe wordt door de media uitvergroot als iets negatiefs. Wij proberen wél uit te leggen waarom we die compromissen sluiten. Maar mensen richten zich allemaal op één onderwerp. Voor de één mag je op dit onderwerp niet toegeven, voor een ander op een ander onderwerp. Als ze dat willen, dan moeten ze kiezen voor een politiek stelsel waarin één partij de meerderheid heeft. Het is het één of het ander.

Politiek participeren bestaat tegenwoordig uit schelden op de website van Geenstijl.nl. Daar een statement achterlaten, dat is het dan. Ook de hyperigheid van de nieuwsmedia draagt daaraan bij. Door de concurrentie moet het allemaal snel-snel. Dat voert de druk op, ook op traditionele media. Maar dat komt de zorgvuldigheid niet altijd ten goede. Bovendien wordt alles ook nog eens zo versimpeld.

Nu begin ik wel heel somber te klinken. Maar ik maak me echt zorgen. Democratie werkt alleen als de bevolking serieus wil participeren, als ze écht van informatie wordt voorzien en zich daarin wil verdiepen en daarover wil discussiëren. De politieke belangstelling is gegroeid, maar de kwaliteit is gedaald.’

‘Dat personen in de politiek belangrijk zijn geworden, is evident. Het gaat niet meer alleen om de inhoud; ik zie dat mensen houvast zoeken bij politici. Natuurlijk moet er een inhoudelijk verhaal zijn, maar als een politicus iets uitstraalt wat daar niet mee klopt, redt hij het niet. Bij Ad Melkert, die onze lijsttrekker was toen Fortuyn opkwam, zag je dat persoon en inhoud uiteen liepen. Ik wist als toenmalig lid van het partijbestuur dat die man het goede voor had en dat hij capabel was, maar als de kiezer dat gevoel niet heeft, als die geen vertrouwen in de persoon heeft, houdt het op.

We hadden destijds een redelijk verhaal. Alleen niet over de multiculturele samenleving. Daar vertoonde ons verhaal manco’s. Ik was toen raadslid in Eindhoven. Marokkaanse jongens vertelden me: je moet de problemen in de stad benoemen en durven aanpakken. Toen ik dat tijdens een vergadering van het partijbestuur verdedigde, was de bestuurskamer te klein. Alleen Melkert zat op dezelfde lijn als ik.

Omdat mensen houvast zoeken bij politici, zie je dat ze neigen naar partijen die beweren dat ze de kiezer dat houvast kunnen bieden. Dat zijn de sp, de pvv van Geert Wilders en Trots op Nederland van Rita Verdonk. Die suggereren dat er niets verandert in Nederland. Dat horen mensen graag, want als de mens van nature iets niet heeft, dan is het de bereidheid om te veranderen. Het andere uiterste is de vvd. Die vindt dat de mensen het vooral zelf moeten oplossen.

Wij zitten daar tussenin. Wij vinden dat de overheid de mensen moet helpen weerbaar te worden. Ik denk dat de pvda daarin realistisch is, maar het is wel moeilijk voor ons. Want we willen een nieuwe generatie aanspreken met een modern verhaal, waarin ze het instrumentarium terugvinden waarmee ze de verantwoordelijkheid voor hun eigen leven kunnen nemen. En tegelijkertijd hebben we ook een traditionele achterban die vindt dat het te snel gaat en die wél wil dat de overheid van alles voor hen regelt.

De vraag is hoe je die twee met elkaar verbindt. Maar de politiek kan niet meer veranderen dat de tijd voorbij is dat je veertig jaar hetzelfde werk deed. Dat klinkt enorm bedreigend, maar de politiek kan de mensen niet beschermen tegen de globalisering en de individualisering.

Ik was al jong politiek actief. Ik ben opgevoed met de idee dat je met je leven meer moet doen dan het alleen maar leuk hebben. Mij is bijgebracht dat het een kwestie van geluk is dat ik in Nederland ben geboren en niet in Afrika, waar in mijn jeugd zo’n grote hongersnood was. Het is je morele plicht iets terug te doen, dat hebben mijn ouders mij geleerd.

Gek genoeg was het ook niet zo’n grote stap toen ik op mijn negentiende gevraagd werd om raadslid te worden. Nee, ik was geloof ik niet gestreeld door ijdelheid. Ik was toen erg strijdvaardig. Het was de tijd dat jongeren de politiek in moesten. Dat was een modegril. Ik vond ook dat ik me met jongerenzaken moest bezighouden. Niet met grote politieke vragen, zoals de Jonge Socialisten wilden, maar met een nachtbus vanaf Stratumseind, zodat jongeren na een avond stappen thuis konden komen.

Het was trouwens wel schrikken zo’n eerste keer in de gemeenteraad. Het onderlinge gekissebis, dat is in de raad echt vele malen erger dan hier. Het ging veel te weinig over de stad, het stadhuis was belangrijker. Ik denk dat het me is gelukt aan dat gekissebis te ontkomen. In 2001 werd ik fractievoorzitter, onze partij bleef in zetelaantal gelijk, maar het cda wilde niet met ons in het college. Ik pleitte voor debat in de raad. Daar moest het gebeuren. Maar het cda wilde overal in achterkamertjes afspraken over maken. Dat zit bij cda’ers in hun dna.

Ook in Den Haag blijft het cda een partij die op een andere manier politiek bedrijft dan wij. Zij vinden goede onderlinge verhoudingen belangrijk. Je hoort elkaar niet te bekritiseren, vinden zij, maar ze vergeten dat gemakshalve als ze het bij ons doen. Wij zijn dualistischer.

Het premierschap als hoofdprijs… nou… ik ben niet zo van grote ambities. Ik weet ook niet of ik dat wil als de prijs daarvoor is dat ik niet meer op zaterdag in mijn spijkerbroek door Albert Heijn kan sloffen. Ik merk nu al dat ik alleen thuis of bij vrienden nog echt vrijuit kan praten.’