Toneel

‘Ik klaag aan, dacht ik’

Toneel: De negen gesels van Ivo van Hove (1)

Op 31 augustus heeft Ivo van Hove, artistiek directeur van Toneelgroep Amsterdam, een toespraak gehouden met als sympathieke openingszin: ‘Ik klaag aan, dacht ik.’ De toespraak, afgedrukt in een landelijk dagblad, behelsde een negenstappenplan voor het toneel in de 21ste eeuw. 1. De toneelscholen kunnen strenger selecteren, aan de poort en bij de uitgang. 2. Er kan een einde komen aan de versplintering van (jong) talent en aan de regel dat je als toneelmaker pas iets voorstelt wanneer je een eigen groep hebt. 3. Er kan in het toneel meer worden samengewerkt (open deur). 4. Er kan in het toneel worden gewerkt aan continuïteit gekoppeld aan zeggingskracht. Vernieuwing als maatstaf mag in de prullenbak. 5. Culturele adviesraden moeten duidelijker criteria hanteren (open deur). 6. Kern van het toneelbestel: zes gezelschappen, drie in de Randstad, drie daarbuiten. Twee van die gezelschappen zijn instituten, die niet om de vier jaar worden gewogen, maar om de tien à vijftien jaar. Daaromheen groepeert zich een marge. Een sterk centrum schept ruimte voor een sterke marge. 7. De drie randstedelijke gezelschappen worden baas in hun eigen schouwburg. 8. Het toneel kan een bruggenbouwfunctie hebben tussen uiteenlopende culturen (open deur). 9. Amsterdam kan een theatermetropool worden waar hoogtepunten uit het internationale repertoire te zien zijn (héél afgezaagde open deur). Negen stappen, vier daarvan door open deuren, vijf stappen niet zelden achterwaarts, in zelf gegraven valkuilen.

Eerst een algemene opmerking. De tendens van Van Hoves verhaal ruikt naar een discussie tussen oligarchen die vooral zichzelf rijk rekenen en die kleinere spelers in het toneellandschap (ongetwijfeld onbedoeld) minstens potentieel uitschakelen. Het geestige is dat een aantal van die kleinere spelers (OT in Rotterdam, De Appel in Scheveningen, ’t Barre land in Utrecht, Het Vervolg in Maastricht, MAX in Delft – de lijst is moeiteloos uit te breiden) allang over een – vaak met veel moeite verworven dan wel met verve verdedigd – eigen toneelhuis beschikken. Dat is de drie grote spelers in het landschap nooit écht gelukt. Een van de redenen daarvoor is de van overheidswege opgedrongen verplichting om met hun toneel door Nederland en Vlaanderen te sjouwen. Een opdracht die ieder seizoen opnieuw klauwen met (vaak weggegooid) geld kost. Van Hove rept daar niet over. Wat zijn zevende stap (de randstedelijke gezelschappen allemaal een eigen huis) doet lijken op het bouwen van een flat op drijfijs.

Dan de selectie aan de poort én aan de uitgang van de toneelscholen, populair gezegd: er wordt te veel non-talent aangenomen en (jaren later) te veel non-talent de markt opgeschopt. Jan Kassies, een van de laatste sociaal-democratische denkers over kunst in Nederland, placht dit ‘probleem’ op schoolborden of op velletjes A4 als volgt uit te tekenen: de (toneel)kunstwereld is een hoge boom met een brede kruin, uit die kruin vallen elke herfst bladeren, die vormen een humuslaag, daar bloeit nieuw talent. Of dat talent onguur onkruid is of een stralende struik is en blijft een kwestie van het verschil tussen de kantjes ervan af lopen of keihard werken. De kruin van de boom snoeien en de directe omgeving van de boom asfalteren lijkt mij geen optie.

Dan de versplintering. Al die kleine groepjes toneelkunstenaars, hoor je Ivo van Hove verzuchten, wat moeten we ermee? Daar slaat hij de spijker lelijk naast de plank. Hein Janssen kopte Van Hoves voorzet voor open doel op 4 september in de Volkskrant verraderlijk gemakkelijk in, onder de titel Er wordt belachelijk veel theater gemaakt. Wat Van Hove wijselijk níet deed, deed Hein Janssen wel: namen noemen van kleine groepen die niet willen doorgroeien naar de plek die wordt benoemd als het Paradijs Van De Doorslaggevende Succesvolle Toneelproductie: de Grote Zaal. Dood Paard, Growing Up In Public, ’t Barre Land, maar ook De Wetten van Kepler, in Vlaanderen stan en De Roovers – de lijst is opnieuw niet compleet – wíllen niet naar de grote zalen doorgroeien. Ze vormen, net als indertijd Baal, Sater, Proloog (ja, ook die groep), Werkteater, de Mexicaanse Hond, Art & Pro en Maatschappij Discordia niet te vergeten – al weer zo’n incomplete lijst – de parels en diamanten van de ‘versnippering’, waaraan het Nederlandse toneel, volgens Van Hove, ná Aktie Tomaat langzaam zou zijn afgestorven.

Het waren en zíjn stralende struiken op de humuslaag van Jan Kassies. (wordt vervolgd)