Eenmalig interview met Zenobia, dochter van een gerenommeerd IS-slachtoffer

‘Ik kniel alleen voor God’

Drie maanden geleden werd de wereld opgeschrikt met het bericht dat IS in Palmyra de bejaarde archeoloog Khaled al-Asaad had onthoofd. Dochter Zenobia wist met haar kinderen Damascus te bereiken en vertelt voor één keer het verhaal.

Medium anp 35162783

‘Let niet op onze armoedige woning’, zegt archeoloog dr. Khalil Hariri, het gitzwarte trappengat bijlichtend met zijn aansteker. Een kaal appartement ergens in het centrum van Damascus. Ooit moet het een statig art deco-huis zijn geweest, maar de hoge ramen zijn met kranten beplakt en binnen is het kaal en donker en in een hoek klinkt een zacht gesnik. ‘Dat is de kamer van mijn dochter’, zegt Hariri, ‘ze huilt de hele dag al om haar grootvader. Het is beter als ze straks niet bij het gesprek aanwezig is. Mijn vrouw Zenobia zal zo wel komen, ze is haar hoofddoek aan het omdoen, we zijn het niet meer gewend om gasten te ontvangen.’

Zenobia: koningin van Palmyra, de oasestad van Duizend Zuilen, tweehonderd kilometer noordoostelijk van Damascus. Ooit, in de derde eeuw, onder die legendarische koningin, was Palmyra kortstondig centrum van een wereldrijk dat reikte tot ver in Egypte. Tot Zenobia in 274, verslagen door de Romeinse keizer Aurelianus, in gouden ketens in triomftocht door Rome werd gevoerd.

Een tl-balk springt aan en aarzelend, op blote voeten komt ze binnen, Zenobia, de dochter van dr. Khaled al-Asaad, de bejaarde archeoloog van wereldfaam, op 18 augustus door IS onthoofd. Nee, ze heeft met nog niemand gesproken na de onthoofding van haar vader die een golf van afschuw over de wereld deed gaan. En ze zal, zegt ze, hierna ook geen interviews meer geven, bang als ze is voor repercussies voor haar familie die onder het bewind van IS nog steeds in Palmyra woont. ‘Maar voor één keer wil ik de wereld zeggen wie mijn vader was.’

Dr. Khaled al-Asaad, ‘Mr. Palmyra’, was meer dan veertig jaar hoofd van de oudheidkundige dienst en museumdirecteur van dit weergaloze Unesco-werelderfgoed van Baaltempels, zuilencolonnades, een zo goed als intact Romeins theater, triomfbogen, keizersthermen en torengraven. Bij gebrek aan goed universitair onderwijs maakte hij zich het vak van archeoloog goeddeels zelf eigen, on the spot, en deed, al gravend en restaurerend, de half onder het zand bedolven woestijnstad uitgroeien tot een monument van wereldfaam.

‘U vraagt me wie mijn vader was. Hij was een mens. Ik heb geen woorden om hem te beschrijven; er was niemand zoals hij. We waren met negen kinderen, vier meisjes en vijf jongens. Ik was de oudste. De relatie tussen Khaled al-Asaad en zijn kinderen was niet die van vader tot zoon of dochter, hij behandelde je als een vriend. Dat was in een conservatieve en patriarchale omgeving als Palmyra volstrekt ongewoon. Toen ik in Damascus geschiedenis ging studeren heeft hij me nooit gevraagd: met wie ga je om of: heb je een vriendje? Hij vertrouwde me eenvoudig, en al mijn vriendinnen waren jaloers op me.

Hoewel mijn vader al zijn kinderen gelijkelijk behandelde, wist ik dat ik een speciale plaats had in zijn hart. Ik was Zenobia, koningin van Palmyra, zijn grote heldin, en ik was trots op mijn naam. Ik voelde me bijzonder, uitverkoren. Iedere avond, na het eten, van acht tot tien, nam hij me mee en maakte een inspectietour langs alle sites. Dan liepen we bij zonsondergang met z’n tweeën tussen de ruïnes, want hij kon niet slapen voordat hij alles had gezien en zeker was dat er niks gestolen werd. Vaak vroeg hij dan mijn advies of vertelde over zijn problemen. Ik zie ons daar nog lopen, avond aan avond. Ik was een gelukkig kind.’

Palmyra, ooit kruispunt van de Zijderoute, was tot ver in de jaren vijftig een achtergebleven, welhaast achterlijke stad. De jonge Khaled al-Asaad, telg van een van de voornaamste families, werd op kostschool gedaan in Damascus. De woestijnwegen naar Damascus waren soms niet meer dan karrensporen en aan het begin van ieder semester ging hij te voet richting de hoofdstad, hopend op een lift van een passerende vrachtwagen. De Al-Asaads, zegt Zenobia, wonen al eeuwen in Palmyra, ‘hoe lang precies, dat weet ik niet’.

In de tribale samenleving van toen – en nog steeds schuilt in Syrië achter de burgeroorlog een parallelle strijd tussen stammen en clans – maakten in Palmyra twee families vanouds de dienst uit: de Al-Asaads en de Taha’s. Met een doctoraat geschiedenis op zak keerde Khaled al-Asaad naar zijn geboorteplaats terug en werd museumdirecteur. Toen het invloedrijke hoofd van de oudheidkundige dienst, Obayd Taha, twee jaar later met pensioen ging, nam Al-Asaad diens plek over. Sindsdien, zo gaat het verhaal, heeft de Taha-familie, vasthoudend maar zonder succes, getracht de positie te heroveren. Want ook na zijn pensionering in 2003, na veertig dienstjaren, was Mr. Palmyra met geen stok weg te krijgen. Hij behield zijn kantoor in het museum, maakte zijn dagelijkse inspectieronde en groef en passant met een Syrisch-Poolse expeditie een fenomenaal derde-eeuws mozaïek op van zeventig vierkante meter van gevleugelde ruiters vechtend met fabeldieren, een van de mooiste mozaïeken ter wereld.

De positie van hoofd van de oudheidkundige dienst ging na zijn pensionering in 2003 naar Al-Asaads oudste zoon Walid. Zenobia werd na haar studie geschiedenis aangesteld als conservator van de museumcollecties; ook haar echtgenoot Khalil Hariri, archeoloog, trad toe tot de museumstaf. De historische stad Palmyra werd gerund als een familiebedrijf.

‘Meer dan om het opgraven van nieuwe dingen ging het Khaled om het behouden en herbouwen van Palmyra’, zegt schoonzoon Khalil Hariri. ‘Het toegankelijk maken van de archeologische site voor het grote publiek. Hij heeft het theater gerestaureerd, de zuilen langs de hoofdstraat weer opgericht, de keizersthermen geopend, publieke parken aangelegd. Aan eenieder die het maar horen wilde, schetste hij de glorie van de stad.’

‘Hij werkte veel en veel te hard’, glimlacht Zenobia.

Hoge posities zijn in Syrië niet te bekleden zonder lid te zijn van de Ba’at-partij, de pan-Arabische socialistische beweging, nu geleid door Bashar al-Assad, en in 1954 werd de student Khaled al-Asaad met overtuiging lid. En is dat tot zijn dood gebleven, ondanks de repressie onder de Assads. Ondanks ook de massamoord op naar schatting duizend leden van de Moslimbroederschap in 1980, in de gevangenis van Palmyra, op nog geen twee kilometer van zijn huis.

Wat dreef uw vader om lid te worden van zo’n partij?

Een lange stilte. Zenobia en haar echtgenoot overleggen druk in het Arabisch. Dat de regeringstolk bij het gesprek zit, helpt ook niet mee. ‘We willen niet over politiek praten.’

Het gaat niet over politiek, het gaat over uw vader. Hij was toch een fervent aanhanger van de Ba’at-partij?

‘Ja.’

‘Dat was niet ongewoon in die tijd’, vult Hariri aan. ‘Als je verder wilde in het leven werd je lid van de Ba’at-partij. In 1954 was de Ba’at op afstand het sterkste machtsblok in Syrië en Khaled geloofde dat hij door lid te worden van zo’n machtige partij dit achtergebleven gebied op een meer efficiënte manier vooruit kon helpen, zowel op oudheidkundig gebied als wat betreft het lot van de bevolking.’

‘Meer dan om het opgraven van nieuwe dingen ging het Khaled om het behouden en herbouwen van Palmyra’

‘Hij werd behendig in het effectief gebruiken van de Ba’at-partij voor wat hij belangrijk vond’, zegt Zenobia. ‘Hij was niet geïnteresseerd in politiek, hij was geïnteresseerd in Palmyra. Hij richtte scholen op en een pedagogische academie, hij hielp ziekenhuizen te stichten en hielp jongeren aan een baan. Hij werd een machtig man omdat hij het leven van de mensen van Palmyra wilde verbeteren. Hij werd alom gerespecteerd en de regering vertrouwde hem. En ja, hij wás een steunpilaar van het regime. Binnenslands vertegenwoordigde hij Palmyra; op buitenlandse congressen vertegenwoordigde hij Syrië.’

Uw vader bleef tot aan zijn dood een aanhanger van Assad.

‘Ja. Tot aan zijn dood.’

‘Mag ik dat toelichten?’ vraagt Hariri. ‘Khaled was tegen de vernietiging van Syrië. Tegen de verwoesting van Palmyra. Tegen tweespalt in het algemeen. Hij vond dat er geen reden was voor mensen om in opstand te komen tegen de regering van Assad. Ze leefden nu toch in veiligheid en in welstand? Wat was dan het probleem?’

‘En nu is er wel genoeg over politiek gesproken’, beslist de regeringstolk.

Zenobia gaat koffie zetten. Khalil Hariri steekt zijn tiende sigaret op.

U rookt te veel.

‘Ik sta op de rand van een zenuwinstorting. Vorig jaar had ik in het museum van Palmyra een hoge positie en was ik archeoloog. Nu ben ik toegevoegd aan de museumstaf van Damascus, een museum dat al twee jaar gesloten is en waar niemand op me zit te wachten. Ik kan niet voor mijn vrouw en mijn kinderen zorgen. Ik ben alles kwijt.’

Hij zwijgt, staat op en haalt zijn mobieltje te voorschijn. ‘Kijk, dit was ons huis.’ Een grote villa met een prachtige tuin. Hij scrolt door de foto’s: rozen en lisdodden en een klaterende waterval. ‘Die tuin heb ik zelf aangelegd. Ik kweekte graag bloemen. In onze tuin zaten we ’s avonds urenlang bij de vijver.’ Ineens krimpt hij ineen. ‘Kogels. In mijn hand en in mijn zij. IS.’

Eind mei stonden ze in de stad, de troepen van Islamitische Staat. Opeens. En al was er de week vooraf in de omliggende dorpen een strijd op leven en dood gevoerd om iedere weg en om ieder huis, de definitieve doorbraak van IS kwam toch nog onverwacht. ‘Onverwacht’, zegt Zenobia, ‘want we wisten dat Palmyra zwaar verdedigd werd – maar IS stond ineens binnen.’

‘Het was om half twee ’s nachts’, zegt Hariri. ‘De avond ervoor had IS het naastgelegen dorpje ingenomen. We dachten dat we nog tijd hadden, dus ik zei tegen Zenobia: ga naar het huis van je broer Walid, naast het museum, en wacht daar op mij, dan laden we de laatste kunstvoorwerpen in drie vrachtwagens en rijden we naar Damascus. Maar om middernacht brak IS door de linies. Toen ging alles razendsnel. Om tien over twaalf kwamen we met onze drie trucks bij het museum aan: Zenobia’s broer Walid, ikzelf en nog drie anderen. De allerbelangrijkste kunstschatten waren in de maanden ervoor al door mijn schoonvader en mijn zwager naar Damascus geëvacueerd, maar er waren nog tientallen vazen en beelden in het museum achtergebleven. Met man en macht probeerden we met ons vijven de overgebleven antiquiteiten in de trucks te laden. Twee trucks hadden we al vol en we waren bezig met de derde toen ineens de kogels op de vloer van het museum ketsten. We probeerden nog wat laatste spullen bijeen te rapen, maar er was geen houden meer aan. We renden van het museum naar de auto’s, terwijl de kogels ons om de oren vlogen. Op dertig meter afstand zag ik de eerste IS-strijders. Ze schoten op ons terwijl we wegscheurden. Ik werd in mijn hand en in mijn zij geraakt. Ook Walid en de drie anderen werden door kogels getroffen. We raceten de stad uit, naar Homs, en van daaruit naar Damascus.’

Vanuit het huis van haar broer Walid zag Zenobia alles gebeuren. ‘Ik zag hoe mijn man bloedend met de laatste spullen naar de auto rende. Ik zag ze op mijn broer schieten. En op de drie mannen die hen hielpen. Iedereen was gewond. Khalil keek naar me en het leek of hij aarzelde en bij me wilde blijven. “Nee, ren!” riep ik. “Ze zullen je vermoorden omdat je er met die spullen vandoor gaat!” Plankgas reden ze toen richting Homs.’

‘We hebben negentig procent van de collectie kunnen redden’, zegt Khalil Hariri. ‘Alleen de grootste, onverplaatsbare objecten moesten we achterlaten in het museum. Of die er nog zijn? Ik heb mijn eigen bronnen in Palmyra – ik kan je geen namen geven – maar sommige objecten zijn nog heel, andere liggen in stukken maar zijn denk ik nog te restaureren, en andere dingen zijn volkomen tot poeder geslagen.’

Medium gettyimages 115128891

‘De volgende dag’, zegt Zenobia, ‘kwamen de IS-strijders naar me toe in het huis van mijn broer en vroegen waar mijn man was. “Laat me naar mijn eigen huis gaan”, zei ik tegen de mannen – ik had er mijn handtas laten liggen – maar ze zeiden: “Nee. Het is niet langer jouw huis. Het is nu ons huis. Laat je man maar komen om zijn huis op te eisen. Als hij spijt betuigt, krijgt hij zijn huis terug en zal hij leven.” Maar ik wist zeker dat ze hem zouden vermoorden.’

Hoe zagen ze eruit, die mannen van IS?

‘Hoe ze eruitzien? Ken je die holbewoners uit de musea? Zo dus. Met lang haar, lange baarden en zwarte ouderwetse kleren. Het waren Tunesiërs, Egyptenaren, Fransen, Saoedi’s en Tsjetsjeniërs. De meesten waren buitenlanders.’

‘De mensen vertelden me dat toen zijn keel werd doorgesneden hij met luide stem de koran reciteerde’

Waren er geen Syriërs bij?

‘O zeker. Zelfs mensen van Palmyra. En Syriërs van Homs, van Hama, Idlib en de steden aan de kust. De eerste IS-troepen die binnentrokken waren voornamelijk buitenlanders, maar er moeten in Palmyra handlangers geweest zijn; ze hadden kaarten van de stad bij zich en beschikten over specifieke informatie. Hoe wisten ze bijvoorbeeld dat mijn man die nacht de kunstvoorwerpen in veiligheid had gebracht? Dat kan niet anders dan met hulp van binnenuit.’

Wat voor mensen sluiten zich aan bij IS?

‘Sommige mensen in Palmyra stonden vanouds al sympathiek tegenover de jihadistische gedachte. Veelal jonge mensen, zo tussen de zestien en twintig. Een aantal van hen kende ik als probleemjongeren: jongens zonder veel opleiding, uit sociaal zwakke milieus. Ook al voor de val van de stad reisden ze heen en weer tussen Turkije en Palmyra en verrichtten hand-en-spandiensten voor IS.’

Met haar zoon Mohammed, die tijdens het hele interview nog geen woord heeft gezegd, en met haar dochter leefde Zenobia nog meer dan een maand onder IS-bewind in Palmyra. ‘We hadden geen huis meer en sliepen nu eens bij mijn vader, dan weer in het huis van mijn zwager. Ondertussen hoorde IS Mohammed uit. Ze wilden details weten van ons huis dat ze tot hoofdkwartier hadden gemaakt: waar is de elektriciteit, waar is het water? En ze probeerden hem te rekruteren. Eerst wilden ze hem als bediende hebben – kun je je voorstellen: bediende in zijn eigen huis? Daarna boden ze hem een vrouw aan.’

Waarom zei je nee, Mohammed?

Mohammed bloost en lacht: ‘Er waren veel kinderen bij IS. Er was een jongetje van twaalf bij de groep en jongens van dertien. IS trainde ze dagelijks en liet ze meevechten. Ik heb veel met ze gepraat, en ze probeerden me te overtuigen: we geven je een vrouw, sluit je bij ons aan, dat soort dingen. Maar ik wilde bij mijn moeder blijven.’

‘Ze bleven aan hem trekken’, zegt Zenobia, ‘maar de jongen zei nee. Toen kwam ik op een slim idee, het zijn tenslotte religieuze fanaten. “Ik heb geen man meer, ik ben een arme alleenstaande vrouw, mijn zoon hier is mijn mahram, mijn beschermer.” Dat accepteerden ze. Maar toen ik de volgende dag naar IS ging, nam ik Mohammed maar niet meer mee.’

Hoe oud is de mahram?

‘Vijftien.’

Ze ging naar het huis van haar vader, even verderop in de stad. De oude archeoloog bleek gearresteerd, maar werd kort daarop vrijgelaten. ‘Ik heb hem toen gesmeekt de stad te verlaten. “Ga met me mee vader, ze zullen je vermoorden!” “Nee”, zei mijn vader, “ga jij maar met je kinderen, ik ben hier geboren en ik zal hier sterven. Ik heb niets fouts gedaan en niemand zal me iets aandoen. Als jij wilt gaan en je man wilt volgen, dan begrijp ik dat.” Na een maand kreeg ik van IS toestemming om met de kinderen te vertrekken. Dat kon toen nog, in juni: nu mogen alleen nog kleine kinderen en bejaarden weg.’

Nogmaals smeekte ze haar vader om mee te gaan. Weer weigerde Khaled al-Asaad. ‘“Wees niet bang, Zenobia, ik ben een oude man, mij zal niks gebeuren.” Het was de moeilijkste beslissing in mijn leven. In de bus zag ik Palmyra wegglijden. Een oude man begon te huilen. Ook ik begon te huilen. De rit door de woestijn duurde tien uur. Tien uur lang heb ik gehuild.’

Toen kwam de Dag van Wraak. Opnieuw werd Khaled al-Asaad gearresteerd. Waarom is nooit helemaal duidelijk geworden. ‘Ze wilden weten waar hij de kunstschatten begraven had’, meent Hariri. ‘Ze waren op zoek naar goud’, zeggen anderen. ‘Ik weet het niet’, zegt Zenobia. ‘Ik heb alles maar van horen zeggen. Ik was er niet bij. Maar een van mijn neven was in Palmyra.’

De neef in Palmyra is Khaled al-Homsi, een schuilnaam, want Zenobia’s neef is activist en maakt deel uit van de oppositie tegen Assad. Hij vreest represailles van zowel het regime als van IS als zijn echte naam bekend wordt.

‘Mijn vader zat al vier weken gevangen’, zegt Zenobia. ‘Mijn neef vroeg de IS-mannen: “Wanneer laat je de oude man vrij?” “Morgen zal hij vrij zijn”, antwoordde IS. Dat was 17 augustus, een maandag. Maar ze logen. De volgende dag, dinsdag 18 augustus, werd na het gebed een groepje gevangenen in een busje naar een plein bij de groentemarkt gebracht. Eén voor één werden de namen afgeroepen. Mijn vader, vermagerd en gemarteld, zou nauwelijks herkenbaar zijn geweest.’

‘Dit is de Dag der Vergelding, dit is de Dag van Wraak’, verkondigde IS, terwijl de gevangenen op een rij werden gezet. Khaled al-Asaad droeg een donkergrijze broek en een bruin overhemd – niet het oranje pak van de beruchte video’s. Hij stond kaarsrecht, als een soldaat, zegt de neef die erbij was, terwijl de inquisiteur van Islamitische Staat de vijfvoudige aanklacht luidop voorlas: ‘De Apostaat; Khaled Mohammed al-Asaad, loyaal aan het Assad-regime, is schuldig aan: het optreden namens Syrië op ongelovige conferenties; het leiding geven aan afgoderij in het antieke Palmyra; het bezoeken van het ketterse Iran en het bijwonen van Khomeini’s revolutie; het communiceren met zijn broer Eesah, werkzaam bij de Syrische veiligheidsdienst; het onderhouden van contacten met het presidentieel paleis.’ Kaarsrecht hoorde de archeoloog de aanklacht aan. Een gemaskerde IS’er trok een mes. ‘Op dat punt’, zegt neef Al-Homsi, ‘verliet ik het plein.’

‘Anderen die erbij waren, hebben mij het verteld’, zegt Zenobia. ‘“Toon je berouw?” vroegen ze hem.

‘Red Palmyra!’ roept de wereld. ‘Red de beschaving!’‘We zullen je vernietigen’, klinkt het antwoord

“Nee, want ik heb niets misdaan.”

“Vraag je om vergiffenis?”

“Ik vraag niet om vergiffenis.”

“Zweer je trouw aan Islamitische Staat?”

“Nee. Ik zweer geen trouw.”

Toen, het laatste moment, geboden ze hem: “Kniel!”

Hij zei: “Nee, ik zal niet knielen. Ik kniel alleen voor God.”

Tot op het laatste moment was mijn vader een strijder: “Ik kniel alleen voor God.” Staand werd hij onthoofd. De mensen vertelden me dat toen zijn keel werd doorgesneden hij met hoge, luide stem de koran reciteerde.’

Zwijgend haalt Mohammed zijn mobieltje te voorschijn en duwt dat onder mijn neus. Het is de gruwelfoto die ook deze krant niet wil afdrukken. Aan een lantaarnpaal, de handen gebonden, het gestrekte en onthoofde lichaam van Khaled al-Asaad. Om zijn middel een vierkant wit bord met handgeschreven de vijf aanklachten van apostasie. Tussen zijn voeten, op het plaveisel, het afgehakte hoofd, zijn karakteristieke grote bril weer opgezet.

Mohammed, waarom draag je die verschrikkelijke foto van je opa bij je?

Mohammed doet zijn mond open en wil wat zeggen, maar er komt geen geluid. Er komen alleen langzaam rollende tranen.

‘Ze hebben mijn vader drie dagen laten hangen’, zegt Zenobia, ‘en de vierde dag haalden ze het lichaam weg en dumpten het in de woestijn. Ze hebben hem geen fatsoenlijke begrafenis gegeven en verhinderen dat anderen dat doen.’

Al diezelfde dag werd de dood van Khaled al-Asaad bekend. De wereld was geschokt. In Italië gingen op de musea de vlaggen halfstok. ‘En in Turkije en zelfs in Colombia’, zegt Zenobia. ‘Ik hoorde dat daar in kerken gebeden werd voor zijn zielenheil. Toen het nieuws doorbrak dat Khaled al-Asaad was onthoofd schreven honderden mensen op zijn publieke Facebook-pagina over hun woede en afschuw en ik was heel verdrietig en tegelijk heel blij dat zoveel mensen treurden over de dood van mijn vader. Niemand kan ooit mijn vader vervangen, hij was een mens die ik nooit vergeet. Hij heeft ons, zijn negen kinderen, de betekenis van liefde geleerd: “Je moet andere mensen liefhebben om van jezelf te kunnen houden.” En wij studeerden en haalden onze bul, maar hij gaf ons geen baan. “Er zijn andere mensen die die banen meer nodig hebben dan jij, jij kunt je zelf redden.” Aan arme gezinnen maakte hij maandelijks geld over, anoniem, op hun bankrekening, zonder dat ze wisten van wie het kwam – ik kwam daar pas onlangs achter.

Op zijn hurken sprak hij kleine kinderen aan als zijn gelijken. Hij nam ze serieus en vertelde ze van de schatten van Palmyra. Ik merk dat na zijn dood de mensen van Palmyra zijn gaan nadenken en beginnen te zeggen: “Nee, we luisteren niet langer naar je, IS! Dr. Khaled al-Asaad was het gezicht van Palmyra en door hem te onthoofden, hebben ze onze stad onthoofd.” De mensen van Palmyra zijn veranderd sinds de dood van mijn vader. Als IS had geweten wat de impact was, op Palmyra en op de wereld, hadden ze hem nooit gedood.’

Twaalf dagen na de moord op dr. Al-Asaad. Enorme klappen in het archeologische park. De grote Baal-tempel, een van de best bewaarde tempels uit de oudheid, vliegt de lucht in. Khalil Hariri en zijn collega’s in Damascus gaan er nog van uit dat de schade meevalt, maar satellietbeelden van de VN de volgende dag zijn ongenadig: de hele tempel en de tweehonderd meter lange zuilengaanderij zijn volkomen weggevaagd. Ook de kleinere prachtige tempel van Baahshamin is niet meer. In september volgen de graftorens, typerend voor Palmyra, met hun beelden van de gestorvenen en hun cassetteplafonds. In oktober volgt de triomfboog; Hariri heeft het van zijn informanten in Palmyra net bevestigd gekregen.

Amerika intensiveert de bombardementen op IS-stellingen in het oosten van de stad. Sinds begin november valt ook Rusland, dat tot dat moment voornamelijk Assads troepen elders assisteerde, IS in Palmyra met gevechtsvliegtuigen aan. Ook het Syrische regeringsleger is opnieuw in de aanval.

‘IS is nu overal mijnen aan het plaatsen, niet alleen op de archeologische site, maar ook in de woonwijken’, zegt Hariri.

‘IS heeft drie mensen vastgebonden aan zuilen en die vervolgens de lucht in geblazen’, twittert Zenobia’s neef, de activist Al-Homsi, eind oktober. ‘IS voorkomt dat mensen naar de plek gaan om te kijken.’

‘Ik hoor van mijn contacten dat de archeologische site voor burgers nu verboden gebied is’, zegt Khalil Hariri. ‘IS heeft de boel afgegrendeld en houdt strenge controles. Er zijn bij de monumenten een paar trucks gezien en bulldozers en een paar graafmachines. Sommige mensen denken dat IS aan het plunderen is, maar anderen, waaronder ik, denken dat ze mijnen plaatsen. Ik denk dat iedere zuil, iedere tempel en iedere graftombe nu in gevaar is.

Palmyra is niet van Syrië, Palmyra is Werelderfgoed. De stad is van de wereld. IS wil twee dingen: doden en vernietigen. Om dat te bereiken intimideren ze de mensen en intimideren ze de wereld. Nu het Syrische regeringsleger oprukt, nu de Russen en de Amerikanen hun bombardementen intensiveren, zegt IS: “Geen stap verder, of we zullen alles vernietigen!” Ze voelen dat de wereld nadert, dat de internationale gemeenschap zal ingrijpen. “Red Palmyra!” roept de wereld. “Red de beschaving!” “We zullen je vernietigen”, klinkt het antwoord, “je stad en je beschaving!” Palmyra is voor IS een archeologisch schild.’


Beeld: (1) 27 november 1984, Palmyra. De Franse president François Mitterrand, zijn vrouw Danielle (rechts) en hoofd van de oudheidkundige dienst en museumdirecteur van Palmyra Khaled al-Asaad (tweede rechts). Foto Philippe Bouchon / AFP / ANP; (2) Palmyra, september 2002. Khaled al-Asaad voor een sarcofaag uit de eerste eeuw. Foto Marc Deville / Gamma-Rapho via Getty Images