Een dubbel paspoort

‘Ik kom mijn Turkse nationaliteit opzeggen’

Je hebt je hele leven een Turks paspoort, een symbool van je ambivalente verhouding tot het land van je roots. Het moment waarop je je Turkse nationaliteit opzegt, stel je voortdurend uit – tot het niet meer kan.

1.

Op zomaar een dinsdagavond zet je de televisie aan en je blijft hangen bij een voetbalscheidsrechter die in de kappersstoel zit bij een schrijver. Wat ze gemeen hebben is dat ze allebei ouders hebben die uit Turkije komen. De arbiter is de enige in de eredivisie met een migratieachtergrond en het gaat onder meer over het racisme waar hij mee te maken heeft. ‘K-Turk dit, K-Turk dat’, wordt er tegen hem geroepen in stadions. Maar het gaat ook over de Turkse voetbalbond, die hem heeft gevraagd om daar in de hoogste competitie wedstrijden te leiden. De knippende schrijver zegt: ‘Een mooie aanbieding, en als ik hoor dat mensen hier soms zelfs moeite hebben met jouw afkomst, zou ik denken: Serdar, wat doe je hier nog?’ Nadat hij eerst iets zegt over zijn gezin en bedrijf alhier gaat het al snel over iets anders. Waarom hij namelijk niet op dat aanbod is ingegaan, is omdat hij vindt dat hij in Nederland alle kansen heeft gehad, als je kijkt naar waar hij nu staat. ‘Dan vind ik het niet zo netjes om mijn middelvinger naar Nederland en de knvb op te steken en te zeggen: bedankt voor alle investeringen in mij en alle tijd en energie die jullie in mij hebben gestoken, maar ik ga nu weg. Het is ook een verplichting van mezelf om iets terug te doen en iets terug te geven.’

—————

2.

Je moeder is een hoer omdat ze op het balkon zont in een badpak, je vader ernaast met een biertje en misschien neemt ze daar ook wel wat slokken van, of ze moet oprotten naar haar eigen land. Het is maar net aan welke medeflatbewoner je het vraagt: die met een hoofddoek of die met een hond. Hoe oud ben je, als je zus huilend thuis komt?

Nog zo’n herinnering, namelijk van je zevende verjaardag, de dag waarop je een fiets kreeg, het duurste cadeau dat je ooit had ontvangen. En dus was je trots naar buiten gegaan, je wilde ‘m showen aan de kinderen in de buurt. De oudere jongens uit de omliggende flats hadden twee dingen gezegd toen ze jou en de fiets hadden gezien. Namelijk dat de voorvork verkeerd was gemonteerd door je vader en dat jullie nepturken waren.

Dat eerste was eenvoudig te controleren (het bleek te kloppen, foutje van vader), de verwarring zat in de tweede opmerking. Ben je een nepturk als je een fiets niet foutloos in elkaar kunt zetten? Eenmaal thuis had je het aan moeder gevraagd: zijn wij Turken? Of zijn we nepturken omdat papa de fiets niet meteen goed had gemonteerd?

Niet veel later zijn jullie voor de flat aan het voetballen, zoals wel vaker, en de bal komt tegen de geparkeerde auto van een buurman. Niet eens heel hard. Hij ziet het, komt naar jullie toe en geeft degene die de bal tegen zijn auto schopte een trap en roept: en nou oprotten naar jullie eigen land, kutturken!

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Rasit Elibol over waarom hij de Turkse nationaliteit heeft opgezegd.
Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

—————

3.

Identiteit is te ontleden in drie delen, schrijft de Franse sociologe Nathalie Heinich in Wat onze identiteit niet is: zelfperceptie, zelfpresentatie en toeschrijving. Oftewel: hoe iemand zichzelf ziet, hoe iemand zich presenteert aan de buitenwereld en hoe anderen jou zien. Als die drie overeenkomen, als anderen jou zien zoals je jezelf ziet en zoals jij je presenteert, is het volkomen helder en transparant. Maar bij wie is dat nou zo? Je kunt zelf wel zeggen dat je niet meer bij het land van je ouders hoort, is dat echt zo, en zullen anderen aan jou zien dat je afstand hebt gedaan van een papiertje?

In een interview met de NRC zegt Heinich dat als je honderd jaar geleden in een klein plaatsje woonde, waar je steeds dezelfde mensen zag, waar relaties nauwelijks veranderden en het buitenland ver weg was, dan hield je je nauwelijks met je identiteit bezig. De crisis begint wanneer je vreemden tegenover je vindt en je afvraagt wat die van jou vinden. Je gaat jezelf steeds met anderen vergelijken. ‘Ik vermoed dat dat constante vergelijken van jezelf met anderen, op alle fronten, een van de redenen zou kunnen zijn voor dat permanente gevoel van crisis wat identiteit betreft. Ik schrijf ook: geen identiteit zonder een identiteitscrisis.’

Je leest in de krant over een of andere opperimam die zegt dat homoseksualiteit een ‘kwaad’ is dat in de islam een vloek is, woorden die door de president worden onderschreven en nog meer onzin, en je denkt: wat ben ik blij dat ik niet meer bij dat kutland hoor. Maar ja…

Als je er enkele dagen later een matige column over leest, van een schrijver van wie je beter mag verwachten, denk je toch: bemoei je met je eigen zaken, kale!

—————

4.

De telefoon gaat, het is je opa vanuit dat kutland en hij zegt dat oma graag je stem wil horen. Hoe het gaat, wil ze weten en omdat ze het antwoord niet meteen hoort, praat je harder en harder en daarna neemt zij het weer over: ze zegt dat ze je zo heeft gemist, wanneer kom je langs, dat ze je dan veel gaat zoenen en dat ze wat spuug op je gaat smeren tegen het boze oog als je er bent, een onderling grapje dat jullie maken sinds je je kunt herinneren, en jij zegt dat je haar ook zo hebt gemist en je rekent dan uit dat jullie elkaar al zeven jaar niet hebben gezien. Ze is nu 85, 86? Je weet het niet precies, maar als je informeert naar haar gezondheid, zegt ze: ‘Maak je geen zorgen, jongen. Ik ga niet dood zonder jou hier te zien.’

—————

5.

Op een donderdag vertrek je op een niet heel ander tijdstip dan gewoonlijk naar de stad waar je anders ook heen gaat om te werken. Je hebt dan al ontbeten, gedoucht, je tanden gepoetst, de kinderen geknuffeld, bent naar de trein gelopen en pas vanaf dat moment verloopt je ochtend anders dan anders.

Op het station loop je nog snel het gemeentehuis in waar je in een daarvoor bestemd hokje pasfoto’s laat maken en vervolgens ga je naar het perron, waar je net op tijd bent voor de sprinter naar de grote stad. Daar pak je de tram naar het Museumplein, waar je bijna een uur te vroeg arriveert.

En dus drink je een kop zwarte koffie in het Cobra Café, en nog één, en dan zie je op je telefoon dat een collega die zo vriendelijk is om je te vergezellen, er bijna is. Hij begint voor de grap over de Saoedische journalist Jamal Khashoggi – was dat niet ook in een ambassade of consulaat? Dat speelt ook mee: jouw beroepsgroep ligt daar onder vuur en vakgenoten verdwijnen voor publicaties achter tralies, en ook hier zijn er kliklijnen om onwelgevalligen aan te geven, zoals ook bij jou is gebeurd. Daarom mijd je het land ook.

De 'condition migrante' is niet voor niets een officiële term in de psychiatrie, met ‘een permanente staat van ontreddering’ als gevolg

Je controleert nog een keer de inhoud van de grote envelop die in je tas zit en vinkt in gedachten alles af – paspoort: check, identiteitskaart: check, verklaring uit het bevolkingsregister als bewijs dat je ook een Nederlander bent en hier ook echt woont: check, een bewijs dat je uitstel hebt van de dienstplicht: check, pasfoto’s: check.

En dan lopen jullie naar de intercom bij het hek, en je drukt rustig op de bel, omdat je van tevoren voor de zekerheid op Google Translate hebt opgezocht hoe je dit ook alweer precies moet zeggen. ‘Merhaba’, zeg je, ‘ik kom mijn Turkse nationaliteit opzeggen.’

—————

6.

Niet lang geleden interviewde je iemand die tijdens de nazit vertelde over het helemaal zat zijn, die ‘condition migrante’, hoe dat doorwerkt op volgende generaties, en je wilde eigenlijk zeggen dat jij dat ook zat bent, al zo lang als je over deze zaken nadenkt, maar zo ben je nou eenmaal niet en dus had je geknikt, steeds fanatieker, ja precies, ontworteling, zoeken naar een identiteit, geen onrust meer die je je hele leven hebt gevoeld, dat anders zijn, zoeken naar wie je nou bent, die verschillende culturen, nergens echt bij horen, of toch wel, duidelijk kiezen voor het land waar je ouders als gasten kwamen en dat allemaal nu vooral niet door willen geven aan je kinderen. Het is niet voor niets een officiële term in de psychiatrie, de condition migrante. Een kleine zoektocht levert zinnen op als ‘een permanente staat van ontreddering is het gevolg’ en ‘jongeren uit de tweede en derde generatie moeten zien te voorkomen dat zij tussen twee culturen gevangen raken. Migrantenkinderen hebben de opdracht uit twee culturen iets nieuws te creëren.’

‘Je kunt ook alles de schuld geven, eeuwig een beroep doen op gevoelens van achterstelling, wat vaak ook klopt, maar je kunt ook denken dat dit nou eenmaal is wat bij migratie hoort, je rug rechten en kiezen voor Nederland’, aldus de persoon die hier goed over heeft nagedacht. En in tegenstelling tot sommige andere landen kán jij tenminste afstand doen van je tweede paspoort.

—————

7.

Waarom jullie nepturken waren? Omdat jullie in geen enkele god geloofden, en er dus niet werd gevast en er geen handen werden gekust tijdens Suikerfeesten en Offerfeesten. Er hing geen schotel aan jullie flatwoning, ook al sprak vader geen Nederlands en moeder nog maar matig. Zij werkte niet alleen in een koekfabriek, ze studeerde daarnaast, dronk wel eens wat, rookte shag, en als het heel warm was zat ze in zwemkleding op het balkon terwijl jullie in een badje speelden. Daarom was ze een hoer, zei een moeder met hoofddoek tegen je toen achtjarige zus.

Moeder had aan het einde van haar studie voor het eerst een baan buiten de fabriek gevonden en aan de geldzorgen zou eindelijk een einde komen. Het was een tijdelijk contract, maar wat gaf het? De eerste week was iedereen enthousiast, ze was de eerste allochtoon binnen de organisatie. Tot moeder na een week of wat begon te vertellen over haar dagelijks leven. Over je eveneens Turkse vader. Huh, wacht. Had ze een Turkse man? Maar ze had toch gestudeerd? Mocht dat van haar echtgenoot? Ah, opeens was haar Nederlands niet goed genoeg. Na dat jaar werd haar contract niet verlengd, de directeur zei eerlijk dat collega’s niet wilden dat ze daar bleef werken vanwege haar Nederlands. De hoogopgeleide vrouw kon weer terug naar de lopende band en de mensen die op haar leken.

—————

8.

Het was allemaal veel simpeler dan je had gedacht: je gaat naar de website van de ambassade, maakt daar een afspraak en zorgt dat je de benodigde papieren hebt. Dat is het. Geen gedoe verder. Je had het voor niets zo lang uitgesteld, totdat je min of meer werd gedwongen door de naderende deadline van het vervullen van de dienstplicht, anders zou je als deserteur door het leven moeten gaan.

De Turkse dienstplicht kun je afkopen voor een paar duizend euro, het bedrag is de afgelopen jaren nogal eens gewijzigd, maar je vertikt het om ook maar een euro te betalen voor de dienstplicht van een land dat je nooit echt als het jouwe hebt ervaren. Het was een formaliteit, maar hoe dichter de datum naderde, hoe meer je er een dubbel gevoel bij kreeg dat je niet kon verklaren.

Is het omdat de formele banden met het land waar je ouders werden geboren hier ophouden, ook voor jouw kinderen en de generaties daarna? Of omdat het ook gewoon is wie je bent: iemand met een dubbele nationaliteit. En misschien moet je daar wel niet voor weglopen?

Een vrouw die vriendelijker is dan je had gevreesd – je kent de verhalen over scheldkanonnades vanwege het ‘landverraad’ – vraagt in de ambassade om alle documenten, voert wat in de computer in, laat je 8,55 euro betalen en zegt dat je een mail krijgt als het zover is. Het kan een maand of drie duren, zegt ze nog immer vriendelijk.

Je loopt de ambassade uit en het eerste wat je doet is bellen met je ouders. Moeder begint te juichen, vader zegt dat ze dat niet te vroeg moet doen. Je wordt eerst door de molen gehaald om te zien of je niks op je kerfstok hebt waardoor je Turk moet blijven, zoals een rechtszaak of een belastingschuld. Zelf ben je minder blij en opgelucht dan je had gedacht.

—————

9.

In de auto word je gebeld door een goede vriend en als je na een kort gesprek hebt opgehangen, zegt je vriendin: ‘Weet je dat je met vrienden anders praat dan met je collega’s?’ Ze zegt het achteloos, ze bedoelt er niks mee, het is een constatering. Je moet meteen denken aan de film Sorry to Bother You. Daarin gaat een zwarte man werken als telemarketeer, waar maar weinig mensen wat van hem moeten hebben als hij ze belt. Hij krijgt pas succes als hij het advies van een ervaren en eveneens zwarte collega opvolgt: use your white voice.

Het eerlijke antwoord is: nee, daarvan ben je je niet bewust, maar je weet dat ze gelijk heeft. Enkele dagen later zegt ze ineens, als jullie praten over de baby in haar buik, dat ze erover heeft nagedacht wat er nou precies anders is, maar met je vrienden spreek je platter en harder en sneller. ‘Alsof je niet hoeft na te denken over wat je zegt en hoe je praat.’ En je gebruikt woorden die je in een werkgerelateerde context niet zou gebruiken. Je weet wat ze bedoelt: scheldwoorden en straattaal.

Het was maar een formaliteit, maar hoe dichter de datum naderde, hoe meer je er een dubbel gevoel bij kreeg

Je weet dat ze gelijk heeft, al gaat het onbewust en je voelt schaamte want je beseft dat code-switching bij je hoort, maar het was niet de bedoeling dat het anderen opviel. Maar ja, probeer voor haar maar eens iets verborgen te houden.

Vervolgens moeten jullie lachen om een buurtgenoot die jou eerder amper een blik waardig gunde, en als ze dat wel deed zag je iets van minachting voor dat overjarige straatschoffie dat met z’n vrienden halve liters bier drinkt in de wijk. Die gast die ze geregeld met zijn bokshandschoenen ziet vertrekken. Totdat ze via via hoorde dat je het werk doet dat je doet, bij een intellectueel en elitair weekblad, en ineens moet er tijdens iedere toevallige ontmoeting een praatje worden gemaakt, want goh, interessant, waar ben je nu precies mee bezig?

En als je erover nadenkt, en echt eerlijk bent, bén je ook anders als je met je vrienden bent. Niet omdat je collega’s je anders niet zouden accepteren, of je vrienden niet, maar het gebeurt gewoon.

Wat wel zo is: op je werk ben je zo ongeveer de enige met een migrantenachtergrond, ook in de wijk waar je woont zijn jij en je vriendin zo ongeveer de enigen, terwijl de ouders van je beste vrienden voornamelijk uit de klassieke migratielanden en de voormalige koloniën komen.

Toen de taalkundige Einar Haugen, onder meer professor aan Harvard, in 1954 de term code-switching introduceerde, was het vooral om het moeiteloos schakelen tussen verschillende talen van meertaligen aan te geven. Inmiddels staat het begrip voor een breder palet aan communicatiemiddelen, ook non-verbaal, die vooral mensen met een migratieachtergrond gebruiken. De manier waarop ze praten, hoe ze praten, hoe ze bewegen.

In zijn onlangs verschenen en terecht veelgeprezen boek Mijn ontelbare identiteiten beschrijft Sinan Çankaya hoe hij vanaf de bakker naar zijn huis in Amsterdam-West loopt. Je kunt ook zeggen: hij beschrijft hoe code-switching er in de praktijk uitziet. Een paar jongens hebben net tegen hem gezegd dat ze kunnen horen dat hij oorspronkelijk niet uit de buurt komt. Hij praat ‘te tata’, te Nederlands, en de jongens beginnen te lachen. Onderweg naar zijn woning passeert Çankaya oudere Marokkaanse mannen die hij in het Arabisch teruggroet, maar dan wel met Turks-Nederlands accent. ‘In potentie bevrijden buigzame, meervoudige identiteiten ons’, schrijft Çankaya. ‘We spelen met identiteit, herontwerpen onszelf, afhankelijk van wie we tegenover ons hebben, en natuurlijk van hoe we worden gedefinieerd. In theorie zijn we creatieve levenskunstenaars. Waarom voel ik me in de praktijk dan zo ontheemd?’

—————

10.

Omdat je maar geen mail krijgt en er al vier maanden zijn verstreken, pluist moeder de website van de ambassade uit en je blijkt zelf te kunnen kijken hoe jouw zaak ervoor staat. Het lukt om in te loggen en je denkt dat er staat dat je geen Turkse nationaliteit meer hebt, maar voor de zekerheid laat je de tekst aan je ouders lezen. Het blijkt te kloppen; je hoeft alleen nog een afspraak te maken om het Turkse paspoort dat je nog hebt en een id-kaart in te leveren.

De collega die zo vriendelijk was om eerder ook al mee te gaan, doet dat nu weer. Het is een formaliteit, binnen vijf minuten staan jullie weer buiten. ‘Hoe voel je je nu?’ vraagt-ie. ‘Het lijkt me heel gek om afstand te doen van een nationaliteit.’

Even later komen jullie een bekende tegen die met iemand staat te praten die je niet kent en je weet niet zo goed of je nou opgelucht bent of niet. Als je vertelt wat je net gedaan hebt, zegt de onbekende bijna juichend: ‘Gefeliciteerd, nu hoor je er echt bij.’ Ondanks dat je hem voor het eerst ziet, vermoed je geen vervelende intenties achter die opmerking. Want als je niet veel later tijdens een Zoom-vergadering met vijftien collega’s vertelt dat je ‘geen Turk meer’ bent, wordt er spontaan geapplaudisseerd. Voor de grap, je slaat er zelf geen acht op, tot de collega die ook mee was naar de ambassade meteen na de vergadering belt en enigszins gegeneerd vraagt of je dat niet vervelend vond.

—————

11.

Als mensen jou op straat zien lopen, denken ze niet dat je een Nederlander bent. Sterker nog: ze zien een Turk en niet iemand die zijn hele leven heeft geworsteld (en dat vermoedelijk zal blijven doen) met zijn afkomst en die hier niet alleen door een samenloop van omstandigheden werd geboren, maar ook heel bewust heeft gekozen voor dit land.

Er is een vrijzinnige fantasie, schrijft Kwame Anthony Appiah in De leugens die ons binden, waarin identiteiten slechts gekozen worden, zodat het ons allemaal vrijstaat te zijn wat wij kiezen te zijn. Maar aan identiteiten zonder aanspraken hebben we bijzonder weinig, meent de filosoof. ‘Identiteiten functioneren alleen omdat zij, zodra zij greep op ons krijgen, ons beheersen door ons als een innerlijke stem toe te spreken; en ook omdat anderen bij het zien van wie zij denken dat wij zijn een beroep op ons doen. Je hoeft je weliswaar niet te bekommeren om de gedaanten die jouw identiteiten hebben aangenomen, maar je kunt ze niet simpelweg weigeren; ze zijn niet alleen van jou. Je moet met anderen binnen en buiten de benoemde groep samenwerken om ze te herformuleren zodat ze beter bij je passen; en je kunt dat collectieve werk alleen verrichten als je erkent dat de resultaten ook anderen dienen.’

Je doet dit ook niet uit een soort loyaliteit naar Nederland. Je hoeft, in tegenstelling tot de scheidsrechter die op een kappersstoel zit bij een schrijver die op televisie ook kapper is, helemaal niemand iets terug te betalen, je staat bij niemand in het krijt, in elk geval niet meer of minder dan wie dan ook. Je hebt geen schuld in te lossen. Je bent namelijk een Nederlander en dat ben je ook niet meer of minder dan je was voordat je in de tram voor de zekerheid op Google Translate keek hoe je precies zegt dat je kwam om je Turkse nationaliteit op te zeggen.

Als het om de dankbaarheid van migranten gaat, gaat het bijna altijd om sociaal-economische redenen. ‘Anders had je nu in een of ander boerendorp gewoond en had je verder niks gehad.’ Zeker, Nederland is een van de fijnste landen om in te wonen. Maar als je in Turkije was geboren en getogen, had je niet in een leem hutje in een dorp gewoond. Je kunt zelfs zeggen dat het gros van je familie het in Turkije beter heeft gehad dan jullie hier in Nederland. Zij hebben daar nooit tot de onderklasse behoord, niemand heeft een hernia opgelopen door fabriekswerk en niemand is arbeidsongeschikt geraakt omdat een deel van de longen is weggehaald.

De waarheid is: je weet helemaal niet of je in materiële zin wel een beter leven hebt dan wanneer je in Turkije zou zijn geboren en getogen. Al je neven en nichten hebben daar een universitaire studie afgerond of zijn daar nog mee bezig. In Nederland heb je verder geen familie. Soms denk je weleens: zij hebben in elk geval elkaar nog. Je zou kunnen zeggen dat ze net als jij tot de middenklasse behoren, en een enkeling zelfs hoger. Jullie delen over het algemeen dezelfde waarden, net als een aanzienlijk deel van de bevolking.

En eerlijk gezegd heeft het best lang geduurd voordat je dat besefte. Je keek wat neer op Turken, ging mee in het frame dat hier heerste. ‘Turkie Turkie is niet dom, Turkie Turkie luier om.’ Het was een grap, een mop zoals er talloze waren, altijd met de strekking: die Turken zijn dom of die Turken zijn vies. Je moet denken aan de woorden van James Baldwin: ‘You know, it’s not the world that was my oppressor, because what the world does to you, if the world does it to you long enough and effectively enough, you begin to do to yourself.’

En natuurlijk is het niet alleen een kutland, al wil je ook daar met ook weer een aanzienlijk deel van de bevolking niet geassocieerd worden. Er zijn momenten geweest dat je je Turks voelde en soms zijn die er nog. Als je met vrienden van wie de ouders ook daar vandaan komen, gaat eten en raki drinken, zing je de liedjes die je kent uit je jeugd uit volle borst mee. De tekst is vaak zo poëtisch dat je alleen in grote lijnen snapt waar die over gaat. Ook voel je een gek soort verwantschap met Turkse Nederlanders van wie je denkt dat zij ook tot het progressieve deel behoren.

Maar je wil geen uitnodiging meer om te stemmen voor een land duizenden kilometers hier vandaan, waar een autoritaire leider aan de macht is en de democratie instort en persvrijheid een farce is, geen oproep meer om in dienst te gaan, niet aangesproken worden op het land waar je ouders toevallig zijn geboren en waar jij alleen nog heen zal gaan als toerist. Zodat oma nog een keer wat spuug op je kan smeren.