Erik Jan Harmens over Al Galidi

Ik kom nog terug op de zon

Een beschaafd volk veegt Zorro

uit zijn land op een beleefde manier

De Nederlanders vroegen mij

wie ik ben

en wat ik zou doen als ik terug moet

naar mijn vaderland

en ik denk: Ja, wie ben ik eigenlijk?

En wat doe ik als ik niet terug moet

naar mijn vaderland?

De Nederlanders vroegen mij:

‘Hoe kun je slapen zonder paspoort?’

En ik vraag me af:

Hoe kunnen deze slaapwandelaars

wakker worden

zonder zon?

De Nederlanders vroegen mij:

‘Je hebt geen verzekering.

Wat als je been breekt?’

En ik antwoord:

‘Ik hak het af,

kook het,

eet het op.’

Ach,

volgens mij

heb ik een vaderland nodig.

Als het criterium voor goede poëzie is dat je bij iedere strofe die je leest als in een achtbaan ondersteboven toetert, kokhalzend de volgende chicane ingaat om bij de driedubbele loop te denken dat je het besterven gaat, om aan het einde van de rit onmiddellijk weer een muntje te kopen voor een nieuwe rit, dan schrijft Al Galidi goede poëzie.

Aarde,

mijn hart is als het ei van een postduif,

één thuis,

jou.

Dit zijn de beginregels van het einde, het slotgedicht uit de bundel De herfst van Zorro. De vergelijking ‘hart als het ei van een postduif’ is bizar maar niettemin aannemelijk en geloofwaardig, omdat een postduif steeds uitvliegt maar altijd zijn til terugvindt, en het ei die terugkomst krakend afwacht, en het hart van de dichter als dat ei is, volledig afhankelijk van anderen, breekbaar en op barsten staand. Daarbij is het noodzakelijk te weten dat Al Galidi een in Nederland woonachtige vluchteling uit Irak is, nog altijd zonder legale verblijfstatus.

Maar dan die slotregels: ‘één thuis,/ jou’. Daar moet, vindt deze kaaskop, eigenlijk ‘jij’ staan. Maar waarom vindt deze kaaskop dat? Omdat het zo hoort? Sinds wanneer moet in de poëzie iets ‘horen’? Je zou het kunnen zingen. Er is maar één thuis en dat is jou. Dit doen, dit durven en correcties van een kleigrondcorrector negeren, dat getuigt van waarachtigheid. Zoals ook dit:

Ik was nieuw

toen wij aankwamen bij de berg.

De zon,

waar ik in een ander gedicht

over zal vertellen,

was er ook.

Het is niet alleen maar een terloopse procedureopmerking om te zeggen dat je in een ander gedicht nog op die zon terugkomt. Het is functioneel, omdat de ik-persoon aan de voet van een berg staat, in zijn geboorteland, met zijn vader. Ze kijken naar het steile bergpad en de dichter overweegt te klimmen of te dralen en zijn vader doet dat ook.

En ik herinner me niet meer

of ik klom

of ik beneden bleef.

Ik herinner me niet meer

of een van ons klom

of niet.

Het wel of niet beklimmen is niet meer na te gaan, evenmin als de stand of sterkte van de zon. Het gaat om een vader en zoon die samen iets cruciaals meemaken. Al Galidi zet de tijd stil (‘Soms herinner ik me/ dat ik van boven naar beneden keek./ Soms herinner ik me/ dat ik van beneden naar boven keek.’) en legt dan aan als een begaafd biljarter.

‘Is het hart van God

groter dan deze berg?’

Ik weet niet meer of ik het was die het vroeg.

‘Maak jezelf niet druk

over de grootte van het hart van God’,

zei een van ons,

misschien ik, als ik niet de vraag had gesteld.

‘Maar maak je druk om erin te gaan als hij bestaat.’

Veel heb ik gereisd,

maar altijd verlang ik terug

naar die bergreis.

De reis, waarvan ik niet weet of ik het droomde

of iemand het mij vertelde

of ik het ergens las.

Wat een carambole. De essentiële regel is natuurlijk: ‘“Maak jezelf niet druk/ over de grootte van het hart van God”,/ zei een van ons,/ misschien ik, als ik niet de vraag had gesteld.’ Omdat dat ‘misschien ik’ niet alleen in zichzelf onwaar is, maar ook ontroerend, omdat het ‘misschien’ uitdrukt dat de zoon het had willen antwoorden, maar het niet deed, omdat hij niet wijzer dan zijn vader is. En dan die regel erna, ‘“Maar maak je druk om erin te gaan als hij bestaat.”’ Deze kaaskop droomde die regel nachtenlang, verward en verbeten. De regel is zo tegenstrijdig dat je er niet omheen kunt. Je kunt ‘er’ namelijk alleen in áls hij bestaat, en je weet pas óf ‘hij’ bestaat als je ‘er’ in gaat.

En ineens wijken je ogen weer naar het begin van het gedicht en lees je die drie woorden, die ineens gaan intrigeren. ‘Ik was nieuw’. Schijnbaar terloops opgeschreven, maar zo sterk, omdat het van alles kan betekenen, en omdat iedere mogelijkheid je gedachten doet galopperen.

Ik hou het erop dat Al Galidi wil zeggen dat iedere dag er één is, dat een mens opnieuw geboren wordt als hij opstaat, dat hij nader tot zijn vader kwam die ochtend, of het nu in werkelijkheid was of in een droom.

De eindregels ten slotte verhouden zich als een steak tot een vegetariër als het gaat om de titel van het gedicht: Zorro herinnert zich de dierbaarste herinnering uit zijn kinderjaren. Want de dierbaarste herinnering van de dichter is klaarblijkelijk de teruggedachte aan iets wat misschien nooit heeft plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de ik-persoon zich getuige de titel niet eens de gebeurtenis herinnert, maar de herinnering zelf.

Als het criterium voor goede poëzie is dat je bij een aantal gedichten die je leest door je tranen heen lacht, je onmiddellijk vermant in het besef dat dat binnen de literaire scene niet gebruikelijk is, maar ’s avonds als de laatste kunstbons te bed is gegaan met een zaklamp bovenstaand gedicht van de bergreis, de vader en de zoon nog eens tot je neemt, en wéér grient, dan schrijft Al Galidi goede poëzie.