‘ik laaf mijn ziel in deze oorden’

Ondanks Poesjkins superster-status is nog veel van zijn werk onvertaald. Hans Boland brengt daar verandering in. Dezer dagen verschijnt het eerste van negen delen Verzameld Werk. ‘De novellen in verzen’ bewijzen in elk geval één ding: had de dichter maar meer mogen reizen!

HIJ GING OM TE kuren. Hete baden, koude baden, zure baden, zwavelbaden. En ze hielpen. De geneeskrachtige bronnen van de Kaukasus hadden een verkwikkende invloed op de verkouden dichter. Er overkwam hem daar nóg iets wonderbaarlijks. Even, heel even leek hij zwaar onder de indruk van de imposante ruigheid der Kaukasische natuur, zo zwaar zelfs dat hij, de immer tomeloos babbelende en rijmelende jonge blaag, ervan verstomde. ‘Vóór mij verrijst de trotse keten/ Waarin de Kaukasus zich plooit,/ Ik laaf mijn ziel in deze oorden/ Van steen en steilten ieder uur/ Slechts aan gevoelens zonder woorden,/ Die met een wondere natuur/ Vol woeste schoonheid zijn verklonken.’ Nooit meer zou hij dichten, dichtte hij: 'de vonken der poëzie zijn uitgeblust’. Maar ach, Alexander Poesjkin is niet in zijn eerste paradox gestikt. Van diepe liefde voor de natuur valt Poesjkin nauwelijks te verdenken. Hij mag dan een van de veelzijdigste Russische dichters zijn, natuurpoëzie is opvallend afwezig in zijn werk, terwijl veel van zijn vaderlandse collega’s daar juist zo in uitblinken. Natuur is prachtig, meende hij, maar je moet er wel wat te neuken bij hebben (Poesjkin dronk nauwelijks). Drie vrouwen begeleidden hem op zijn kuurreis in de Kaukasus, twee tieners en een twintiger. Hij werd op alledrie verliefd. Maar het is niet waarschijnlijk dat hij die verliefdheden ook consumeerde. Het waren de drie gezusters van de familie Rajevski. Vader Rajevski, een gelauwerde en geletterde generaal, had zich over de zieke dichter ontfermd en hem van zijn ballingoord in het zuiden van Rus land meegetroond op het familie-uitje naar het imposante bergmassief. Met de zoon Nikolaj was Poesjkin al eerder bevriend geraakt. De tijd die de dichter in de schoot van dit harmonieuze gezin doorbracht, behoort tot de gelukkigste uit zijn leven. Geluk heeft nog nooit een dichter goed gedaan. Waar schijnlijk is het eerder dit geluk geweest dan de woeste schoonheid der natuur die Poesjkin een moment, hoe klein ook, deed twijfelen of hij nog wel dichter wilde zijn. Zijn berijmde afscheid van de poëzie, geschreven in de Kaukasus, voegde hij later als 'Epiloog’ toe aan zijn debuut Roeslan en Ljoedmilla, dat op dat moment, zonder dat de dichter daar in de bergen veel van merkte, in het verre Petersburg een succès fou was. Nog meer succes, zo veel zelfs dat hij toch maar besloot van dichten zijn broodwinning te maken, hadden de 'Zuidelijke versvertellingen’ die hij na zijn kuur schreef: briljante novellen in verzen, te vinden in de complete verzameling novellen in verzen die Hans Boland zojuist - voor een belangrijk deel voor het eerst - in het Nederlands vertaalde. De eerste vertelling was De gevangene van de Kaukasus, waarin hij het woeste bergvolk bezingt dat de Russische kolonisators het leven zo zuur maakt: om de haverklap dalen ze af uit de bergen om officieren en andere reizigers te overvallen. Niet voor niets maakte de familie Rajevski, met Poesjkin in hun midden, hun vakantietrip onder bescherming van zestig kozakken plus 'een geladen kanon met aangestoken lont’, zoals de dichter aan zijn broer schreef: 'Hoewel de Tsjerkessen op het moment tamelijk vredig zijn, kun je ze niet vertrouwen: met een groot losgeld in het vooruitzicht zijn ze bereid een Russische generaal aan te vallen.’ De gevangene van de Kaukasus verhaalt van zo'n gijzeling: een jonge Rus wordt gevangen gehouden in een Tsjerkessisch bergdorp, waar hij allengs een sterke bewondering ontwikkelt voor de ruige vrijheid die het wilde volkje geniet, totdat een jonge dorpsdeerne verliefd op hem wordt en hem helpt vluchten. Een simpel verhaal, het komt erop aan hoe je het vertelt, en vertellen kán Poesjkin. Zo goed dat Lev Tolstoj hetzelfde verhaal in proza nog eens overdeed en Sergej Bodrov het in 1996 verfilmde, waarbij hij het gegeven moeiteloos naar de hedendaagse Kaukasische republiek Tsjetsjenië verplaatste, waar nog steeds Russische officieren voor losgeld gevangen worden genomen (tijdens de opnamen in de bergen van Dagestan werd zelfs de hele filmcrew korte tijd door de dorpelingen gegijzeld omdat ze vonden dat ze niet genoeg geld kregen voor hun medewerking). (NATUURLIJK KOMT Poesjkin er in De gevangene van de Kaukasus niet onderuit de natuur te bezingen, maar als het ware om zich te verontschuldigen voegt hij er een voetnoot aan toe waarin hij gekscherend naar de natuurpoëzie van collega-dichters verwijst. Nee, de natuur is niet het element van Poesjkin. Zijn soepele, lichtvoetige verzen hebben verhaal nodig, iets met liefde, afwijzing, lijden en dood, en dat heeft de natuur niet te bieden. Dus verhaalt hij hoe de gevangen Rus de liefde van de dorpsdeerne afwijst, die hem desondanks uit zijn ketenen bevrijdt en hem naar de rivier geleidt waar aan de overkant zijn thuisbasis, het Russische leger, wacht. Terwijl hij de oever van de vrijheid beklimt, hoort hij achter zich een kreet en als hij omkijkt, ziet hij zijn ongelukkige bevrijdster niet meer staan. 'Waar hij zojuist de noodkreet hoorde/ Was alles uitgestorven, leeg,/ De oever in de verte zweeg,/ De wind ging liggen, alle dingen/ Verzonken in een diepe rust./ Hij zag alleen nog een paar kringen,/ Steeds wijder, door de maan gekust’. Schijnbaar onbewogen klautert de Rus vervolgens verder richting legerkamp. Dit einde kwam Poesjkin alom op het verwijt van harteloosheid te staan. De dichter legt in een brief aan een vriend met cynisch plezier uit waarom hij de gevangene het Tsjerkessenmeisje niet achterna liet springen om haar te redden: 'Ga er maar aan staan, ik heb zelf in de Kaukasische rivieren gezwommen - je verdrinkt al gauw en krijgt er niets voor terug; mijn gevangene is een verstandig man, bedachtzaam, hij is niet verliefd op het Tsjerkessenmeisje - hij heeft groot gelijk dat hij zich niet verdrinkt.’ En hij laat er meteen op volgen: 'Overmorgen hebben we een bal - kom dansen.’ POESJKIN IS DAN inmiddels weer uit de Kaukasus teruggekeerd in Kisjinjov, het Moldavische oord waarnaar de tsaar hem had verbannen vanwege een al te gezagsondermijnende Ode aan de vrijheid. Een rare verbanning was het, zoiets als een kinderverkrachter opsluiten in een weeshuis. In Kisjinjov broeide en gistte het van de subversiviteit. Het was de schuilplaats van de officieren die enkele jaren later de beroemde - mislukte - decembercoup tegen de tsaar zouden plegen. Poesjkin trok vrijelijk met hen op, mede dankzij het lakse politietoezicht waaronder hij stond. Maar wat zou het, de enige vrijheid die hij in zijn ballingoord bezong was die van Kaukasische en andere volkeren om plunderend, rovend en slaven- en haremhoudend hun dagen te slijten - zie de overige drie 'Zuidelijke versvertellingen’ in De novellen in verzen: De roversbroers, De fontein van Bachtsjisaraj en De zigeuners. Nee, politiek roerde Poesjkin zich in Kisjinjov nauwelijks, hij hing er voornamelijk de pias uit. De inwoners van Kisjinjov herinnerden zich hem later als een zonderling die nu eens verkleed ging als Turk, met de wijdst denkbare pofbroek aan en een fez op het hoofd, en dan weer als Griek, zigeuner, Moldaviër of jood. Thuis liep hij meestal naakt rond en op banketten verscheen hij in een doorzichtig gewaad zonder onderbroek. De vrouwtjes vonden het allemaal enig en zwermden om hem heen. Hij bedacht ze met vlijerige rijmpjes en scabreuze epigrammen. En hij dichtte voor een joods liefje, op wie hij zo smoor was dat hij haar zijn voorhuid wilde schenken, de heerlijke novelle Gabriëlslied over het hitsige joodse meisje Maria. Dé Maria, die het genot dat haar dorre echtgenoot Jozef haar niet meer schonk, zocht en vond bij achtereenvolgens haar eigen hand, Satan, aartsengel Gabriël en de Heilige Geest, welke laatste zo vriendelijk was de zoon die ze uiteindelijk baarde te adopteren. Zware pornografische blasfemie allemaal, explosiever nog dan politieke verzen kónden zijn. Toen het lied jaren later, na wijd en zijd in kopieën te hebben gecirculeerd, in handen van de autoriteiten viel, ontkende Poesjkin dan ook bij hoog en bij laag dat hij het geschreven had. De tsaar liet zich evenwel niet van de wijs brengen - hij was weliswaar ongeletterd, maar in die tijd wist iedere Rus wanneer hij met een tekst van Poesjkin van doen had, zo uniek was diens stijl, zo nieuw wat hij met de taal vermocht en zo ongehoord zijn humor. Poesjkin, een notoir slechte leugenaar, bood de tsaar per gesloten couvert zijn excuses voor het dichtwerk aan, waarop de au0 tocraat hem ruimhartig van vervolging ontsloeg. Het Gabriëlslied is ook opgenomen in De novellen in verzen, in de vlotte en rake vertaling van Hans Boland. Maar waarom het in dezelfde tijd geschreven Tsaar Nikita en zijn veertig dochters, een guitig verhaal over veertig zoekgeraakte koninklijke kutjes, in de verzameling ontbreekt, vertelt Boland ons niet. Te kort voor een novelle? Er staan wel kortere in. Is het te veel sprookje en te weinig novelle? Maar dat geldt ook voor Roeslan en Ljoedmilla. Zijn de verzamelde poesjkinisten soms overeengekomen het ene wel en het andere niet tot de novellen te rekenen? We weten het niet, de samensteller gunt ons geen verantwoording. De overige versvertellingen in de bundel - in totaal zijn het er veertien - stammen uit latere tijden dan de betrekkelijk ontspannen jaren van Poesjkins verbanning. Het zijn vrolijke vertellingen, zoals Graaf Nullin, volksvertellingen, zoals Angelo, en historische vertellingen, zoals Poltava, dat later door Tsjaikovski in de opera Mazeppa werd verklankt. De beroemdste vertelling in die laatste, historische categorie is overigens De bronzen ruiter, ook ooit verklankt, maar dan door vertaler Hans Boland zelf, in een 'hoorspel voor mannenstem en nood1 weer’, in 1992 uitgestraald door de VPRO-radio. Met overslaande stemmen en stemmetjes doet de vertaler het verhaal van de overstroming van Petersburg in 1824 en van de ongelukkige Jevgeni die bij het grote bronzen standbeeld van Peter de Grote verhaal komt halen voor de verdrinkingsdood van zijn geliefde. In zijn waanzinnige verdriet verbeeldt Jevgeni dat de bronzen ruiter van zijn gigantische granieten sokkel komt om hem door de straten van Petersburg te achtervolgen. 'Jevgeni duikt in steeg en slop/ En durft zijn vlucht geen tel te staken -/ Hij slaagt er niet in, arme dwaas,/ De Bronzen Ruiter kwijt te raken,/ De hoeven met hun hels geraas.’ NA HET RECENTE verscheiden van Charles B. Timmer en Karel van ’t Reve, de mastodonten van de Nederlandse slavistiek, begint Boland steeds nadrukkelijker de rol van Poesjkinkenner-nummer-één voor zich op te eisen. En met steeds meer recht. Het speelse en klinkklare Nederlands waarin hij Poesjkin weet te vertalen, lijkt beter bij de bron te passen dan het veelgeroemde maar slome en stijve fabrikaat van Frans-Joseph van Agt. Bovendien weet hij heel aardig over de dichter te vertellen, zoals het zojuist verschenen boek Russische zon: Over Poesj2 kin waarmee Boland de tweehonderdste verjaardag van Poesjkin viert, bewijst. Daarin overtreft hij gemakkelijk het opgewonden proza waarmee hij de uitgave van zijn eerste vertaling van De bronzen ruiter, zeven jaar geleden, gepaard liet gaan. Toen schold en tierde hij tegen iedere vaderlandse poesjkinist die hem voor de voeten kwam en nam hij in blinde liefde de dichter in bescherming tegen iedere aantijging, hoe gering ook, en zelfs tegen aantijgingen die niemand deed, zoals de beschuldiging dat Poesjkin in zijn hart een moordenaar was. Doelend op Poesjkins gevoelens voor de man die zijn vrouw belaagde en de dichter uiteindelijk in een duel zou doden, betoogde Boland toen dat niets natuurlijker is dan 'dat je een vent wilt vermoorden, die jou het laatste restje lamlendig leven, waar jij je volkomen tevreden mee stelt, probeert af te pakken. Moet vermoorden, al heb je een humanistische inslag - een kwestie van ballen.’ Van dat soort stoere praat is in Russische zon gelukkig geen sprake meer, al blijft ook daarin Boland zijn geliefde dichter alles vergeven, tot en met de Russische onderdrukking der Polen. Het versterkt alleen maar het vermoeden van een sterke zielsverwantschap tussen dichter en vertaler, een zielsverwantschap die ook uit de vertalingen spreekt. Met De novellen in verzen verdient Boland het groene licht voor zijn mega-project: de vertaling van negen delen Verzameld Werk van Poesjkin. Ondertussen bewijzen De novellen in verzen vooral hoe betreurenswaardig het is dat Poesjkin telkens vergeefs bij de autoriteiten aanklopte voor een reisvergunning. De 'Zuidelijke versvertellingen’ en de overige werken die hij als vroege twintiger schreef, kennen een frisheid die in zijn latere werk steeds meer naar de achtergrond verdwijnt. Dat had veel te maken met zijn jonge hart en de romantische invloed van Byron, die iedereen in die tijd onderging. Maar de enige reis die hem later nog werd toegestaan, een studiereis in de zomermaanden van 1933 naar de oostelijke oorden waar de rebellenleider Poegatsjov had geleefd - Poesjkin zou een monografie over Poegatsjov schrijven, en een roman: De kapiteinsdochter -, bewijst hoezeer het reizen hem inspireerde. De periode na die reis behoort tot de vruchtbaarste uit zijn schrijversloopbaan. Op die reis geen malligheden meer, zoals in Kisjinjov. De meisjes die hem belaagden, liet hij met rust - zo schreef hij althans zijn vrouw, die zwanger thuis zat: 'Ik heb de eer je te melden dat ik zo rein ben als een pasgeboren kind. Onderweg heb ik alleen maar zeventig- en tachtigjarige vrouwtjes achterna gezeten en de jonge, onzindelijke zestigjarigen zelfs geen blik waardig gekeurd.’ De byroneske romantiek mocht vervlogen zijn, de humor, die smaakmaker van al wat Poesjkin schreef, was onverminderd aanwezig.