Marie NDiaye over magie, mannen en realisme

Ik laat tegenwoordig ruimte voor optimisme

Marie NDiaye kreeg de Europese Literatuurprijs voor haar roman Drie sterke vrouwen. Die speelt zich voor een groot deel af in Afrika. ‘Ik wilde de wereld beschrijven van mensen die een weg uit hun armoede zoeken.’

PARIJS - Marie NDiaye houdt niet van interviews. Dat is niet uit principiële overwegingen. Evenmin is dat omdat ze schuw zou zijn of vanwege het feit dat ze een beetje stottert. Het komt simpelweg omdat ze zich er stierlijk bij verveelt. ‘Mensen stellen me steeds dezelfde vragen, heel begrijpelijk natuurlijk, maar dat maakt dat ik steeds dezelfde antwoorden moet geven. Dodelijk saai!’
Het lijkt het lot van meer romanciers. Ze pakt er een exemplaar bij van dagblad Libération met op de voorpagina een interview met de Amerikaanse schrijver Jonathan Frantzen naar aanleiding van de Franse vertaling van zijn roman Freedom. 'Veel meer dan het navertellen van zijn boek doet hij niet. Tussen de regels door proef je de verveling.’ Toch beseft NDiaye dat ze zich niet helemaal kan onttrekken aan de exercitie. Wanneer ze een literaire prijs krijgt toegekend bijvoorbeeld: 'Dan speel ik het spel braaf mee, dat zie ik als een kwestie van hoffelijkheid.’
Vanaf zaterdag 3 september is NDiaye (Pithiviers, 1967) een paar dagen in ons land. Aanleiding is de uitreiking van de eerste Europese Literatuurprijs voor haar boek Trois femmes puissantes uit 2009 (wat ongelukkig vertaald als Drie sterke vrouwen). Tot het zo ver is, verkiest ze de idylle van haar L-vormige huis, in een gehucht in de Garonne-streek, op zo'n zestig kilometer van Bordeaux. Ooit deed het dienst als kruidenier annex buurtcafé. Het biljart op de eerste etage herinnert daar nog aan. Zes jaar lang woonde NDiaye hier, tot ze in 2007 met haar gezin verhuisde naar Berlijn. Ze hield het aan als vakantiehuis.
Aan de terrastafel onder een dak van druivenbladeren neemt ze nieuwsgierig haar bezoeker op. Een aura van rust, van sereniteit zelfs, omringt haar. Ze oogt veel jonger dan de 44 jaar die ze is, eerder meisjesachtig in haar elegante zomerjurk. Trefzeker schenkt ze twee glazen water uit een aardewerken kan; later komt er ijskoud bier op tafel: Affligem met een scheutje frambozensiroop. Haar echtgenoot, de schrijver Jean-Yves Cendrey, rommelt ondertussen wat in de schuur; twee van hun drie jongvolwassen kinderen zijn uit zwemmen in de Garonne, een paar honderd meter verderop. De gelukkige volmaaktheid van dit zomertafereel staat in schril contrast met de vaak gruwelijke wereld waarin NDiaye’s personages rondwaren.
Maar eerst de Garonne. Dat zij de mysterieuze rivier, die de helft van de tijd landinwaarts stroomt, een prominente rol gaf in een van haar boeken verbaast niet. Haar oeuvre is doorspekt met magisch-realistische elementen. In Autoportrait en vert (2005) maken de dorpsbewoners zich op voor een overstroming van de Garonne. Voor de hoofdpersoon vormt het wachten aanleiding om herinneringen op te halen aan een serie 'in groen gehulde vrouwen’ uit haar jeugd: een buurvrouw onder een bananenboom, een vroegere vriendin die nu met haar vader is getrouwd, haar eigen moeder en een vrouw die zich ophing en de herinnering aan haar die nu het geluk van haar man en zijn nieuwe echtgenote verstoort. Ook de Garonne blijkt uiteindelijk une femme en vert.
Zelf heeft NDiaye de rivier nog nooit buiten haar oevers zien treden, maar zoals Cendrey benadrukt, is de dreiging er niet minder om. 'De funderingen van de huizen in dit laagland zijn extra stevig’, zegt hij alvorens met een rieten mand de boomgaard in te verdwijnen.

DE VERHUIZING naar Berlijn leidde destijds in Frankrijk tot een felle polemiek. Die begon toen NDiaye, kort nadat ze in 2009 de hoogste Franse literaire onderscheiding in de wacht had gesleept met Drie sterke vrouwen, in een interview verklaarde dat de verkiezing van Sarkozy tot president zwaar had meegewogen bij de beslissing om te vertrekken. Ze hekelde een klimaat van vulgariteit en repressie en sprak zelfs van une France monstrueuse. Partijgenoten van Sarkozy sprongen onmiddellijk voor hun chef in de bres. Zo verkondigde UMP-afgevaardigde Eric Raoult dat dergelijke uitspraken een laureaat van de Prix Goncourt onwaardig waren en meende haar tot 'terughoudendheid’ te moeten manen - een uitspraak waarmee hij de hoon van het Parijse literaire establishment op zich laadde.
NDiaye, die zich eigenlijk nooit roert in het publieke debat, zat toen overigens al lang en breed in Berlijn. De werkelijke reden voor haar vertrek blijkt gecompliceerder: 'Mijn man en ik wilden al langer een tijd in het buitenland wonen en de kinderen kenden niet anders dan het platteland. Zo kwam Berlijn in beeld.’ Het leven in de anonimiteit bevalt haar prima; Duits spreekt ze inmiddels redelijk, al zit ze nog steeds op taalles. 'Wat ook meespeelde was dat de Gironde-streek voor mij in literair opzicht uitgeput begon te raken.’
Kenmerkend aan het oeuvre van NDiaye is dat vrijwel ieder boek is gesitueerd in een omgeving waar ze op een moment in haar leven heeft gewoond. Van het miserabele flatje van Rosie Carpe in de zuidelijke buitenwijk van Parijs (Rosie Carpe, 2001) tot het lyceum waar Nadia en Ange doceren in Bordeaux (Mon coeur à l'étroit, 2007). 'Het is een soort eerbetoon’, zegt NDiaye daarover, 'een beetje alsof ik een schuld inlos aan de omgeving die me haar gastvrijheid heeft verleend.’ Logisch dus dat haar volgende roman Berlijn als decor zal hebben, al weet ze nog niet precies hoe.
De enige uitzondering op de regel is eigenlijk Drie sterke vrouwen. Weliswaar speelt een van de drie verhalen waaruit het boek is opgebouwd tegen het decor van de Gironde-streek; de overige twee spelen zich af in Afrika, een continent dat NDiaye, dochter van een blanke Franse moeder en een zwarte Senegalese vader, slechts kent van een paar reizen die ze ooit maakte. 'Het Afrika dat ik in Drie sterke vrouwen opvoer is dan ook meer een imaginair gebied. Het is abstract, net zoals mijn relatie met dat continent: meer droom dan realiteit. In zekere zin is het Afrikaanse decor een toevalligheid. Ik wilde de wereld beschrijven van mensen die een weg uit hun armoede zoeken en naar Europa proberen te komen. Daarvoor had ik ook een Russische of een Roemeense kunnen kiezen, maar omdat de leefomstandigheden in Afrika zo veel slechter zijn, kon ik dat met Khady beter overbrengen. Het traject dat Afrikaanse immigranten afleggen is zó gevaarlijk, de kans op succes zó gering. Het is een soort modern heldendom, waar ik veel bewondering voor heb. Het lijkt of deze mensen slachtoffer zijn, maar illegale immigranten die uiteindelijk aankomen op Lampedusa zijn meestal heel gelaten. Ze klagen niet; zijn emotioneel neutraal.’

IN Drie sterke vrouwen worden drie jonge vrouwen blootgesteld aan beproevingen in oplopende gradatie: de Parijse advocate Norah wordt door haar autoritaire vader naar Senegal geroepen om haar halfbroer te verdedigen voor een moord die niet hij, maar hun vader blijkt te hebben gepleegd. Fanta is met haar blanke man juist vanuit Senegal naar Frankrijk verhuisd, maar ziet daar haar huwelijk stranden, wanneer blijkt dat haar echtgenoot aldoor wordt ingehaald door zijn gewelddadige verleden. Het Senegalese meisje Khady wordt door haar schoonfamilie verstoten, waarna ze een helletocht begint op weg naar het beloofde continent Europa. Van exotisme is in de roman geen spoor te bekennen. NDiaye zit haar personages dicht op de huid, schept een microkosmos die een allegorie lijkt voor de wereld als geheel. Ze toont het isolement van degenen voor wie familie en geboortegrond allerminst veilige toevluchthavens blijken.
Daarmee blijf ze trouw aan de missie die ze zich sinds haar debuut (Quant au riche avenir, 1985) heeft gesteld: het ontrafelen van de moderne condition humaine. Dat ze met Drie sterke vrouwen zou zijn teruggekeerd naar haar Afrikaanse wortels, zoals sommige critici menen, spreekt NDiaye pertinent tegen: 'Naar de wortels van mijn vader wellicht, maar mijn eigen wortels zijn voor honderd procent Frans. Helaas, want ik had me graag op jonge leeftijd een tweede cultuur eigen gemaakt, al was het maar omdat het zo verschrikkelijk moeilijk is je op latere leeftijd een nieuwe taal eigen te maken.’
Het nam niet weg dat Drie sterke vrouwen in Nederland in de hoek terechtkwam van de goedwillende derdewereldvrouwenliteratuur. Kwam het wellicht door die brave Nederlandse titel? Puissant betekent 'sterk’ in mentale en fysieke zin, maar tegelijk ook 'machtig’ in politieke zin - een subtiliteit die in de vertaling niet helemaal goed tot zijn recht gekomen is. Of kwam het omdat uitgeverij De Geus het boek - in tegenstelling tot haar eerdere werk - uitbracht in de OxfamNovibreeks, een reeks die 'schrijvers uit niet-westerse landen’ een podium beoogt te bieden?
NDiaye lijkt zich er verder niet al te zeer over op te winden. Bij nader inzien begrijpt ze het misverstand ook wel. 'In Frankrijk hoorde je er niemand over, maar na het verschijnen van de Duitse vertaling hoorde ik dergelijke geluiden.’ Wellicht was dat mede te danken aan het deftige blanche waarin uitgeverij Gallimard het boek uitbracht, maar volgens NDiaye is de werkelijke reden dat Afrika in Frankrijk dankzij het koloniale verleden steeds heel dichtbij is: 'Frankrijk is echt gemengd in dat opzicht; literatuur van zwarte auteurs wordt er niet in een apart hokje gestopt.’
De vrouwen in Drie sterke vrouwen bevinden zich in uiterst penibele situaties of manoeuvreren zich daarin. Ze ogen eerder fragiel dan sterk. Waarin schuilt hun kracht?
'Alle drie hebben ze een enorme innerlijke kracht, los van de problemen die ze ontmoeten. Zelfs Khady, die de verschrikkelijkste vernederingen en ontberingen moet doorstaan, twijfelt nooit. Ze hebben een onverwoestbare kern, een zelfbewustzijn dat niet kapot te krijgen is. Dat maakt hen sterk, zelfs al hebben ze in sociaal of professioneel opzicht geen enkele macht. Dat bewustzijn is ook wat de verhalen met elkaar verbindt, afgezien van een paar narratieve verwijzingen. Het is bijna muzikaal, een verband dat je lastig kunt beschrijven, maar wel kunt laten voelen. Die muzikaliteit probeer ik ook in mijn stijl na te streven. Dat stelt me in staat dingen uit te drukken die niet met woorden zijn te zeggen.’
Deze transcendentie, streeft u die ook na met de magisch-realistische en surrealistische elementen die u in uw romans aanbrengt?
'Ja beslist. Het is een esthetische overweging, maar ook een manier om het verhaal een extra betekenislaag te geven. Mijn romans spelen zich altijd af in een herkenbare realiteit. De personages werken als leraar of in een restaurant, zijn getrouwd en wonen op een vaste plek. Allemaal doodgewoon. Maar tegelijk zoek ik naar middelen om die alledaagsheid te overstijgen en die vind ik in het magische. Daardoor wordt de realiteit die zo-even nog triviaal was plotseling erg verontrustend of juist heel sereen. Het idee dat een verhaal op verschillende niveaus te lezen is spreekt me aan, zelfs al komt dat met de prijs dat je als auteur de grip op de betekenis ervan soms verliest.’
De vader van Norah slaapt in een boom; de man van Fanta krijgt te maken met een wrekende vogel: een furieuze buizerd. Toch lijkt de magische dimensie in Drie sterke vrouwen minder sterk aanwezig dan uw eerdere werk.
'Dat komt doordat ik me minder goed in staat voel om een magische dimensie te geven aan een concrete realiteit, zoals die van Afrikaanse immigranten in het verhaal van Khady. Het was in de eerste plaats deze realiteit die ik wilde beschrijven. Ik las artikelen en bekeek documentaires, maar wilde het zelf juist graag literair verbeelden. Magische elementen liet ik achterwege, omdat ik in dit geval vreesde dat het verhaal eerder iets banaals zou krijgen dan een diepere laag.’
Uw personages, ook in uw eerdere werk, bevinden zich in een wereld die gegeven lijkt. Voelt u de behoefte die wereld te veranderen? Met andere woorden: wordt u gedreven door een zeker engagement?
'Geenszins! Ik koester ook niet de illusie dat romans de wereld kunnen veranderen. Dat is ook niet hun rol. Het beste wat je kunt hopen is dat je op subtiele wijze de manier waarop er tegen de wereld wordt aangekeken kunt veranderen. Ik denk dan in het bijzonder aan Khady en in haar spoor al die duizenden anderen die zo'n hachelijke poging ondernemen. Ik probeer een bepaald begrip, een zachtheid te kweken. Het kan zijn dat ik door mijn wijze van beschrijven, of door situaties waarin ik mijn personages plaats, maatschappelijke of politieke problemen aan de kaak stel, maar dat is onbewust. Een vooropgezette bedoeling heb ik er niet mee.’
Mannelijke personages komen er in uw oeuvre nogal bekaaid van af. Ze zijn tiranniek, opportunistisch, laf of simpelweg afwezig, zoals in Autoportrait en vert.
'Die voorstelling van zaken is te simpel. Neem Rudy, de man van Fanta. Hij heeft zich in de nesten gewerkt, maar doet allerlei pogingen om daar weer uit te komen. Tegen het einde kan de lezer denken dat hem dat ook gaat lukken. Khady’s metgezel gaat er met haar geld vandoor, maar deze twee mensen bevinden zich in zúlke extreme omstandigheden dat je daar eigenlijk niet over kunt oordelen. Zelf weet ik ook niet wat ik in zo'n situatie had gedaan. Wat Rudy betreft: ik koester veel tederheid voor hem en dat heb ik ook tot uitdrukking proberen te brengen.’

NDIAYE debuteerde jong, op haar achttiende. Inspiratie putte ze in het begin vooral uit Marcel Proust en Franz Kafka. Hun invloed is terug te vinden in de lange, vloeiende zinnen waarin de personages worden uitgebeiteld (Proust) of in een bevreemdende roman als Un temps de saison (1994) waarin een Parijzenaar de 'fout’ maakt tot na de zomer in zijn vakantiehuis in de provincie te blijven. Zijn vrouw en kind verdwijnen en zelf lijkt hij geen andere keus te hebben dan afstand doen van zijn stadsidentiteit (Kafka). Later kwamen daar William Faulkner, Malcolm Lowry en Joyce Carol Oates bij. 'Alle drie Amerikanen’, zegt ze bijna verontschuldigend, 'maar dat is puur toeval.’ Het palet contemporaine schrijvers dat ze graag leest is in dat opzicht gevarieerder: Javier Marías, Zadie Smith, Russell Banks en Juli Zeh.
Hoe is uw schrijverschap in de loop der jaren geëvolueerd?
'Mijn romans zijn tegenwoordig niet langer alleen maar angstaanjagend of zonder hoop. Ik ben opgewekter gaan schrijven en laat ruimte voor optimisme.
Wat mijn stijl betreft: ik heb aan zelfvertrouwen gewonnen. Een van de consequenties daarvan is dat ik minder proustiaans ben gaan schrijven. Ik gebruik minder lange zinnen en ook de noodzaak om de gedachten en de handelingen van mijn personages eindeloos te ontleden is verdwenen. Toen ik jonger was, koesterde ik een diepe vrees in banaliteit te vervallen. Dat is minder geworden en daarom durf ik ook eenvoudiger te schrijven. Voorheen wilde ik voor alles helder en begrijpelijk zijn en meende dat alleen te kunnen bereiken door zeer hoge literaire eisen aan mezelf te stellen. Nu vertrouw ik gemakkelijker op wat er uit mijn pen vloeit.’


Marie NDiaye, Drie sterke vrouwen. Vertaald door Jeanne Holierhoek, De Geus, 288 blz.,
€ 19,90.
De uitreiking van De Europese Literatuurprijs vindt plaats op 3 september om 20.00 uur op Manuscripta, Westergasfabriek, Amsterdam. Zie www.manuscripta.nl