Spiegelbeeld in Damascus

‘Ik leef in een andere wereld’

Op haar 25ste ontmoette Lieve Joris de Syrische Hala (ook 25). Vrolijk en onbezorgd bespraken ze elkaars dromen en idealen. Maar in de decennia die volgden, kwamen er langzaam barstjes in hun vriendschap.

Medium 42 15993526

Ik was een jaar of negentien toen ik kennismaakte met de Arabische wereld. Ik woonde in een commune in Washington D.C. en tijdens een feestje van een huisgenote ontmoette ik Kamal, een Palestijnse kunstenaar. Ik was de landerigheid van mijn Vlaamse geboortedorp ontvlucht, op zoek naar de grote wereld die ik daarbuiten vermoedde, mijn onervaren blik open en gretig, zoals veel tijdgenoten in die post-zestigerjaren. Mijn leven in de Verenigde Staten verbleekte bij de verhalen die Kamal me vertelde over het oude Jeruzalem, waar elke steen zinderde van geschiedenis.

Met Kamal maakte ik mijn eerste reizen door Libanon en Syrië. Zo toegankelijk en verwesterd als Beiroet was, zo gesloten en mysterieus was Damascus: de klagende roep van de muezzin; geuren van kardemom, komijn, kaneel – in de soek, waar het zonlicht gefilterd werd door gaten in de golfplaten overkapping, leek zich een leven af te spelen dat in eeuwen niet veranderd was.

Bij mijn terugkeer in Europa ging ik journalistiek studeren en verhuisde naar Utrecht. In het weekend, als de anderen naar huis waren, bleef ik alleen achter in het studentenhuis met uitzicht op het Wilhelminapark en keek naar de wandelaars in de diepte, naar de geliefden die neerstreken op de bankjes. Ik benijdde de vanzelfsprekendheid waarvan hun gekeuvel en gebaren getuigden – die was ik ergens onderweg kwijtgeraakt. Ik had me niet geschikt naar de wensen van mijn ouders, die wilden dat ik trouwde, kinderen kreeg; in mijn vlucht greep ik soms in het luchtledige.

Kamal verdween naar de achtergrond, maar mijn interesse in het Midden-Oosten was gewekt. Tijdens een vrouwenconferentie in de Iraakse hoofdstad Bagdad ontmoette ik Hala. Ze was 25, net als ik, en kwam uit Damascus.

De contouren van het Bagdad van die dagen zijn enigszins vaag. Ik herinner me weelderige bloemstukken voor de portretten van president Al-Bakr en zijn rechterhand Saddam Hoessein bij de ingang van het conferentiegebouw; mierzoete taartjes, gevulde dadels en stroperige thee tijdens de pauzes; hemelsblauwe handdoeken met Arabische letters in het hotel.

Hala was fijngebouwd, kleiner dan ik, had lange haren, heldere ogen en een hoge, onbezorgde lach. Al gauw ontvluchtten we de conferentiegangen en doorkruisten we Bagdad in kleine Suzuki-taxi’s met koranspreuken, belletjes, bungelende theepotjes en lampjes die ’s avonds rood oplichtten. We bezochten dissidenten, aten gegrilde vis in openluchtrestaurants aan de Tigris.

In de soek passeerden we een uitbundig versierd kapperszaakje waar mannen waren verenigd in een intiem ritueel: terwijl een klant werd ingezeept vertelde de barbier een verhaal waar twee wachtende mannen in hun versleten fauteuils hartelijk om moesten lachen. Het tafereel werd gereflecteerd in een doffe, gebarsten spiegel, maar zoveel jaar later kan ik het moeiteloos oproepen en zelfs het gelach van die vier Iraakse mannen opnieuw horen.

Na de conferentie, toen iedereen naar huis vloog, reisde ik Hala in een impuls achterna. Ze was pas getrouwd met Ahmed, hun huwelijkscadeaus stonden nog onder het bed en boven op de kast in hun kleine appartement. Overdag verkenden Hala en ik Damascus, avond aan avond aten we met Ahmed en hun vrienden aan de oever van de Barada.

Er werd veel over politiek gepraat, over de bevrijding van Palestina en over de vervloekte Baath-partij die Syrië en Irak in de ban had. Maar zodra we alleen waren, sprak Hala over andere dingen: over de kleinburgerlijke moraal die in Syrië heerste, over de vloek van de maagdelijkheid, over het feit dat mannen volgens het islamitisch recht twee keer zoveel erven als vrouwen.

Enkele jaren eerder was ze in Parijs geweest en had ze overwogen haar studie sociologie daar te vervolgen, maar de stad had haar niet aangetrokken. Ze praatte vol mededogen over de boeren op het Syrische platteland die het zonder water, elektriciteit en goede scholing voor hun kinderen moesten stellen. Waarom zou zij een vlucht vooruit maken naar Frankrijk terwijl haar land zo’n grote achterstand had?

Ik had mijn geboortegrond verlaten met een instinctief geloof in een universele samenleving, in de overtuiging dat ik elders gelijkgestemden zou ontmoeten. Hier waren ze, in een land dat mij aanvankelijk zo gesloten had geleken. Hier was ze, Hala, mijn Syrische zus. Met zelfverzekerde pas leidde ze me naar binnen.

Zo gingen tien jaren voorbij. In Hala’s leven veranderde er ondertussen weinig

Een jaar later – Hala was net bevallen van een dochter – belandde Ahmed, die communist was, in de gevangenis. Vanaf die dag veranderde Hala’s leven en viel over alle conversaties en dromen die zij had gehad, een schuldig licht. Zij was de vrouw van een staatsvijand – aan de reizen die zij eerder voor haar werk op de universiteit had gemaakt, kwam abrupt een einde. Vrienden en kennissen trokken zich terug, de enige mensen met wie zij nog onverdacht contact kon hebben waren haar familieleden en vrouwen van medegevangenen.

Ik was in Nederland toen ik het hoorde. Het was een drukke periode in mijn leven. Mijn wereld werd groter en bevolkte zich met zielsverwanten. Na het Midden-Oosten reisde ik door Afrika en Oost-Europa. Ik schreef: eerst reportages, later boeken. Mijn samenleving maakte plaats voor me.

Zo gingen tien jaren voorbij. In Hala’s leven veranderde er ondertussen weinig. Eén keer per maand mocht ze Ahmed in de gevangenis opzoeken. De kleine Asma hobbelde met haar mee; ze kende haar vader alleen vanachter tralies. Telkens wanneer ik een stap vooruit zette, was ik me ervan bewust dat Hala achterbleef.

De eerste Golfoorlog bracht ons weer bij elkaar. In augustus 1990 beschuldigde Saddam Hoessein Koeweit ervan zijn grens te hebben geschonden en viel het kleine oliestaatje binnen, annexeerde het in een handomdraai en was alleen bereid zich terug te trekken als Israël zich op zijn beurt zou terugtrekken uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever – een sluwe zet waardoor hij veel Arabieren op zijn hand kreeg.

Koeweits bondgenoten, de Verenigde Staten voorop, vormden een coalitie waarvan behalve Nederland en België ook Syrië deel uitmaakte en sloegen genadeloos toe met de operatie Desert Storm onder leiding van generaal Schwarzkopf.

Op een avond luisterde ik tijdens een feestje in Amsterdam naar het eensgezinde gescheld op Saddam Hoessein. Ik belde in die dagen regelmatig met mijn Arabische vrienden en kennissen, ik wist hoe verdeeld ze onderling waren. Toen ik voorzichtig opwierp dat niet alle Arabieren aan de kant van de coalitie stonden, vielen mijn Nederlandse vrienden ongemeen fel uit. Dus ik ging die achterlijke Arabieren nog verdedigen ook?

Die avond maakte Hala zich los uit het diffuse oorlogslandschap. Ik kon me niet voorstellen dat zij het eens was met de Iraakse inval in Koeweit, maar de door het Westen geleide interventie waarbij Syrië zich had aangesloten stootte haar wellicht evenzeer af. De tijd was gekomen om haar verhaal te vertellen.

In de zomer van 1991 stapte ik met mijn koffers over de drempel van de tweekamerwoning die Hala met haar inmiddels elfjarige dochter Asma in een volkswijk van Damascus had betrokken.

De maanden erna maakte ik niet alleen een reis door de complexiteit van Syrië, maar ook een innerlijke reis, die minstens even confronterend was. Hala was als de zus die ik had achtergelaten toen ik de toekomst die mijn ouders voor me in gedachten hadden, ontvlucht was. Zij was de vrouw die ik vermoedelijk geworden was als mijn samenleving me gestraft had voor mijn rebellie in plaats van me te belonen.

Dagenlang luisterde ik naar haar verhalen, trok ’s middags net als zij een nachtpon aan, waarna we samen op het grote bed lagen te praten terwijl vijgen op de binnenplaats met zachte plofjes op de grond vielen. In de slaapkamerkast bewaarde zij nog steeds een deel van haar huwelijkscadeaus en zelfs een heerlijk ruikende poederdoos die haar moeder indertijd als huwelijkscadeau had gekregen. Onder in de kast lagen drie platte dozen met in zijdepapier gewikkelde satijnen nachtjurkjes die ze had gekocht toen jaren eerder het gerucht ging dat Ahmed zou vrijkomen. Ze waren intussen vast te klein geworden. Toen ik haar vroeg waarom ze ze niet aan haar jongere zussen gaf, keek Hala me niet-begrijpend aan: ‘Maar Lieve, dat zijn mijn dromen!’

Ten tijde van onze eerste ontmoeting had ik me geen moment afgevraagd wat Hala’s geloof was, maar nu sijpelde religie langzaam onze conversaties binnen. Ze was soennitisch, maar bad net zo min als ik. In tegenstelling tot mijn eigen vader, die opgegroeid was tussen priesters, had haar vader niets aan zijn geloof gedaan; hij ging zelfs niet naar de moskee wanneer iemand begraven werd.

Het was niet eenvoudig om met de skyline van Dubai op de achtergrond terug te vinden wat ons ooit bij elkaar had gebracht

Ahmed vertelde haar nu en dan over de Moslimbroeders die samen met hem in de gevangenis zaten. Jonge jongens waren het, Hala praatte over hen met genegenheid. Boven op de kast stond een in cellofaan verpakt plastic bloemstuk dat ze had gekregen van een Moslimbroeder die onlangs was vrijgelaten. Aanhanger worden van de Moslimbroeders was, zei ze – net als communist zijn – een manier om nee te zeggen tegen het regime van Hafez al-Assad, die tot de alawieten, een vrij seculiere stroming binnen de sjiitische islam, behoorde.

Het zou beter zijn als Syrië geregeerd werd door een lid van de soennitische meerderheid, zei Hala, een charismatisch leider die door het merendeel van de Syriërs gesteund werd. Ik was enigszins verbaasd – wat maakte het uit tot welke religie de president behoorde? Het was een ingewikkelde kwestie, zei ze, ze wist niet of ze in staat was het me uit te leggen.

Soms vielen we al pratend in slaap en werden pas wakker als Asma uit school kwam. Even later waaide de zoete geur van de jasmijnboom in de voortuin naar binnen. Terwijl Asma speelde, verdween Hala in de badruimte die al gauw stoomde als een hamam.

Gestolen uren waren het, ontrukt aan de rauwe werkelijkheid daarbuiten. De overbuurvrouw gluurde vanaf haar balkon op de derde etage naar binnen, de groenteman en de kippenverkoper – iedereen kon een agent zijn van de gevreesde Syrische veiligheidsdienst. Hala’s bewegingsruimte was beperkt, haar leven speelde zich af tussen haar woning en die van haar moeder, haar werk op de universiteit en de maandelijkse busreis naar de gevangenis. Beladen met Ahmeds schone kleren ging ze op weg. Als ze terugkwam had ze zijn vuile was bij zich en was ze somber, lamgeslagen door de vernederingen bij de poort, de grauwheid van het leven binnen de gevangenismuren.

Ik dacht in die maanden wel eens met heimwee terug aan onze eerste ontmoeting in Bagdad twaalf jaar eerder, aan de onbezorgde tochten die we hadden gemaakt door het oude Damascus, aan het blauwe glaswerk en de fijngeweven tapijtjes die we hadden gekocht. De onschuld die we als 25-jarigen hadden gehad, dat vanzelfsprekende geloof in een betere toekomst – we waren ze kwijtgeraakt. De boeken van Camus, Sartre, Pascal en Descartes die Hala indertijd las, stonden stof te vangen in de kast; het was of de dingen die destijds binnen handbereik waren, opgehouden waren signalen uit te zenden.

Ik wist uit ervaring dat je op reis vaak meer leert door stil te vallen dan door in beweging te blijven en nam de raad ter harte die de Poolse schrijver Ryszard Kapuscinski me ooit gegeven had: ‘Onder de brandende actualiteit loopt een trage rivier die van alle tijden is. Probeer het ritme van die rivier te vatten.’ Maar soms moest ik weg van dat alles. Het isolement waarin Hala leefde had haar niet onberoerd gelaten en greep me nu en dan naar de keel. Aleppo, Palmyra, Al-Hasakah – ik ontmoette er andere mensen, hoorde er andere verhalen. Ik sprak met christenen die Hafez al-Assad als hun beschermheer beschouwden, met soennieten die zich zorgen maakten over de steeds drukker bezochte moskeeën en de conservatieve leer die er gepredikt werd.

Bij mijn terugkeer in Damascus was het telkens alsof ik maanden was weggeweest. Hala trok haar wenkbrauwen op als ik vertelde wat ik onderweg had beleefd. Maar al gauw leidde ze me opnieuw haar wereld binnen en ging ik weer houden van de kleine oorlog die zij voerde: tegen haar familie, die continu beslag probeerde te leggen op haar tijd; tegen de vrouwen van gevangenen die koekjes bakten voor de verjaardag van hun man. Als Ahmed jarig was, kocht Hala liever een taart bij de bakker. Ook breide ze niet langer truien voor hem zoals ze in het begin had gedaan. Op een dag bekende ze dat ze niet langer van hem hield. ‘Elf jaar’, zei ik, ‘ik ben verbaasd dat je het zo lang hebt uitgehouden.’

Terug in Amsterdam schreef ik De poorten van Damascus. Toen Ahmed in 1995 na vijftien jaar eindelijk vrijkwam, bleek hij leukemie te hebben – de acht laatste maanden van zijn leven bracht hij door in het ziekenhuis. Asma verhuisde na haar studie naar Dubai, zoals veel jongeren die geen toekomst voor zichzelf zagen in het Syrië van de familie Assad.

Hala was in Damascus toen de Arabische lente in het voorjaar van 2011 na enige aarzeling oversloeg op Syrië. Ze had in het verleden genoeg klappen gekregen om de opstand met enige scepsis te bekijken, maar toch werd ze meegezogen. Ze nam deel aan demonstraties en nadat het leger op demonstranten begon te schieten, bekommerde ze zich om de achtergeblevenen. Tot de veiligheidsdienst op een dag op haar deur klopte en zij een van de miljoenen Syriërs werd die het land ontvluchtten.

Medium ap00061501514

Vorig jaar bracht ik twee weken met Hala door op de negentiende etage van het flatgebouw in Dubai waar zij was neergestreken. Hoe vaak ik sinds het begin van de oorlog ook aan haar had gedacht, hoezeer ik er ook naar had uitgekeken haar opnieuw te zien, het waren moeilijke weken.

‘Ik weet als geen ander welke fouten de moslimstrijders maken, maar dit is propaganda – hoe kun je daarin geloven?’

Haar appartement was als een cockpit van waaruit ze de wereld bestuurde, zappend van tv-station Al-Jazeera naar Al-Arabiya, telefoongesprekken voerend met haar familie in Damascus, één oog op de onheilsberichten die via Facebook binnenstroomden.

’s Avonds maakten we soms een wandeling rond het kunstmatige meertje in de diepte. De tienduizenden vluchtelingen die na de gefnuikte Arabische lente in Dubai waren aangespoeld, hadden de huizencrisis in één klap opgelost. Hala wees me de restaurants en cafés aan die Syriërs sinds de burgeroorlog hadden geopend. Aanvankelijk ging ze nog wel eens op een terras zitten om koffie te drinken en de waterpijp te roken. Tot iemand fluisterde dat de eigenaar een aanhanger van Assad was.

Het was niet eenvoudig om met de fonkelende skyline van Dubai op de achtergrond terug te vinden wat ons ooit bij elkaar had gebracht. Hala’s onbegrip tegenover de wereld buiten de hare was gegroeid. Ze begreep niet dat het Westen lijdzaam kon toezien hoe honderdduizenden Syriërs stierven. ‘Zijn wij honden soms?’ vroeg ze. Als ik tegenwierp dat het Westen toch niet alleen verantwoordelijk was voor de oorlog in Syrië, dat de schuldigen ook binnen het Midden-Oosten zelf lagen, gleed er een schaduw over haar gezicht en zei ze afwerend: ‘Helaas hebben we geen tijd om deze oorlog vanaf het begin door te nemen.’

Maar ook nu waren er momenten waarop ze me vertederde en ik de stille kracht weer in haar zag varen die ik altijd zo bewonderd had. Op een middag besloot ze het wintergerecht makdous te maken, zoals haar moeder haar geleerd had. Terwijl ze vertelde over Aisha, de geliefde vrouw van de profeet Mohammed die medeverantwoordelijk wordt gehouden voor de tweespalt tussen soennieten en sjiieten, met een levendigheid alsof het allemaal pas gebeurd was, holde ze kleine aubergines uit, vulde ze met hete pepers, walnoten en knoflook, dompelde ze onder in olijfolie en schroefde de deksels van de weckpotten stevig dicht.

Even later zaten we weer te kibbelen. Waarom hadden wij het Vrije Syrische Leger niet gesteund, vroeg Hala zich af, waar kwam onze haat vandaan tegen de jonge moslims die hun leven gaven om het moorddadige regime van Assad te bestrijden? Ik herkende de genegenheid waarmee ze vroeger over de Moslimbroeders had gepraat. Tegelijkertijd verscheen Mohammed B. op mijn netvlies, die Theo van Gogh had vermoord in de straten van Amsterdam. Ik zei niets. Het was voor het eerst dat ik me ervan bewust was dat de dood van Van Gogh een rol speelde in mijn gedachten. Hoe moest het dan niet gesteld zijn met haar, die zoveel doden betreurde.

’s Avonds in bed had ik spijt van ons gebekvecht en besloot ik me de volgende ochtend te verontschuldigen, maar voor ik het wist waren we het weer oneens. Hala was ontstemd toen ik vertelde over de jonge vrouwen die via internet gerekruteerd werden en die eindigden als seksslavinnen voor moslimstrijders in Syrië en Irak. ‘Ik weet als geen ander welke fouten de moslimstrijders maken’, zei ze, ‘maar dit is propaganda – hoe kun je daarin geloven?’

Soms plakten aanhangers van Assad volgens haar baarden aan en zetten ze salafistische filmpjes op internet. ‘Het Westen is tegen de Syrische oppositie omdat het tegen moslims is’, zei ze bitter, ‘Assad is geen echte moslim – daarom staan jullie aan zijn kant.’

‘Maar wil jij dan opnieuw geregeerd worden door mensen die jouw vrijheid beperken?’ vroeg ik behoedzaam. ‘Dat kan ik me niet voorstellen. Wij leven tenslotte in dezelfde wereld.’

‘Nee, ik leef in een andere wereld’, zei ze hard. ‘Syrië is apart. Mensen worden afgeslacht door een regime van duivels en jij hebt het alleen maar over de fouten die de oppositie maakt.’

Veertien dagen waren niet genoeg om de barrières tussen ons te slechten en bij mijn thuiskomst was ik behoorlijk aangedaan. Wat was er overgebleven van mijn dromen over een universele samenleving? En hoe zat het met onze vriendschap – was die onderweg niet gesneuveld?

En toch bleef ik in gedachten verder praten met Hala en ben ik daar sindsdien niet mee opgehouden. Haar woorden suizen na in mijn oor. ‘Ik leef hier voortdurend mee’, zei ze, ‘zelfs ’s nachts. Ik weet wat er gebeurt en dat het niet waar is wat jullie denken.’

De Syrische dichter Ghayath Almadhoun schrijft in zijn bundel Weg van Damascus: ‘Het probleem van de oorlog zit hem niet in wie sterven, maar in wie na afloop nog in leven zijn.’ Hala is een van hen. Nadat haar persoonlijke leven werd verwoest, werd ook haar land haar ontnomen. Maar ergens midden in dat geschonden landschap staat zij overeind. Al treur ik om de vertrouwdheid die we kwijtraakten, ik ben blij dat ik haar leerde kennen. Zij is mijn Sheherazade: zij vertelt me een verhaal dat geen einde kent en dwingt me naar haar te blijven luisteren.


Deze tekst werd uitgesproken voor de uitvoering van het nieuwe vioolconcert Scheherazade.2 van componist en dirigent John Adams door het Koninklijk Concertgebouworkest.

Lieve Joris is journalist en schrijver van literaire non-fictie. Hala speelt een hoofdrol in haar boek De poorten van Damascus (1993); in een nieuw nawoord bij de editie van 2012 vertelde Lieve Joris al hoe het verder met haar was gegaan


Damascus voor de oorlog
Vesellie / Corbis / HH
Hussein Malla / AP / HH