‘ik leef niet langer met de mensen die niet terugkwamen’ interview

Gesprek met de schrijfster van Tweede vader. Uitgeverij Vassallucci, 103 blz., f19,90
‘TWEEDE VADER is tot op zekere hoogte autobiografisch. Net als Fanny, de hoofdfiguur in het boek, ben ik in de oorlog geboren, en werd ik in de oorlogsjaren als een pakketje van het ene naar het andere onderduikadres gestuurd. Mijn natuurlijke vader kwam om. Na de oorlog hertrouwde mijn moeder. Ze kreeg met mijn nieuwe vader nog twee kinderen. Nooit is me het gevoel gegeven dat ik niet bij het gezin hoorde. Mijn tweede vader hield evenveel van mij als van zijn biologische kinderen. Er was echter niemand die tegen me zei dat ik van hem kon houden zonder mijn biologische vader tekort te doen. Als kind dacht ik dat ik tussen hen moest kiezen. Niemand signaleerde dat ik worstelde met een loyaliteitsconflict. Met als gevolg dat ik me in een uitzonderingspositie manoeuvreerde en mijn nieuwe familieleden op afstand hield.

Leo Mandel in het boek is mijn eigen vader. Ik heb heel lang met het gevoel geleefd dat de wereld waarin ik zou kunnen gedijen met mijn vader en al diegenen die niet waren teruggekomen, ten onder was gegaan. Ik verlangde hevig naar die verdwenen wereld en keerde me af van de horizon die ik om me heen had. Ik sloot me in mezelf op, hing aan mijn moeders rokken en droomde van het Poolse dorpje waar haar familie vandaan kwam. In mijn gevoelswereld was mijn vader een heilige. Zijn broers bleken allemaal bijzondere mannen te zijn met een intense band met hun kinderen. Al die kinderen waren dol op die vaders. Daardoor werd mijn vader voor mij nog heiliger.
In 1962, na mijn middelbare-schoolperiode, ben ik naar Israel gegaan waar twee broers van mijn vader woonden. Ik kon er niet aarden. Ik was geimponeerd door het Israelische zelfbewustzijn, maar ik had er niets mee. Toentertijd bestond er een enorme kloof tussen de sabres (in Israel geboren joden - lg) en de joden uit de diaspora. Op de laatste groep werd destijds in Israel neergekeken. Mijn liefde lag juist bij de diasporamentaliteit, waarin niet het leven in het land maar het leven in de geest centraal staat. In Israel had ik vooral contact met mensen met een gelijke achtergrond. Ik zocht mensen op die net als ik een wereld waren kwijtgeraakt. Zonder er overigens over te spreken.’
‘IK GROEIDE OP in de tijd van het zogeheten grote zwijgen. Over de oorlog werd wel in termen van feiten gesproken, maar niet over de onderliggende emoties. Er waren toen nog geen woorden voor de kleur die het aan je leven gaf. Voor fantasieen en dromen bestond sowieso weinig ruimte. Daarom ben ik destijds gaan tekenen en schilderen. Ik herinner me dat Jan Sierhuis me op het hart drukte dat je aan iedere verfstreek moet kunnen zien dat-ie van jou is. Van jou en van niemand anders.
Op die manier ben ik later ook gaan schrijven. Vandaar dat ik in een verdichte vorm schrijf die je tot langzaam lezen dwingt. Het kost me veel tijd om mijn woorden en zinnen te vinden. Soms heb ik het gevoel dat ik in een brok steen sta te hakken waaruit ik iets te voorschijn moet halen. Als ik schrijf, heb ik een veel directer contact met mijn beleving van de werkelijkheid. Het is net alsof ik inplug om bij mezelf te komen.
Ik denk dat je levensloop in grote mate bepaald is en de mogelijkheid om te kiezen zeer marginaal. Door te schrijven kun je er niet aan ontkomen. Wel is het een manier om je leven transparant te maken. Normaliter dein je met een bootje op een kolkende rivier waarvan je de oorsprong kent maar niet de verdere loop. Als ik schrijf, stuur ik de boot en schep ik mijn eigen rivier.
Heel lang heb ik me afgewend van die afschuwelijke, wrede, vunzige wereld waar ik uit was voort gekomen. Ik zocht mijn heil in de wereld van de schoonheid. In de kunst, in de muziek, in de literatuur. In het volmaakte dat in het gewone leven niet bestaat.
Het heeft lang geduurd totdat ik het hele leger van gestorvenen niet meer tot heiligen hoefde te verheffen. In mijn gevoelsleven waren het stuk voor stuk schatten van mensen die nooit een vlieg kwaad zouden doen. In mijn fantasie waren het beelden op gouden sokkels: ideale mensen met wie ik het leven had willen delen. Ik schilderde vrouwen met drie borsten en zes vingers, figuren die niet in de aarde stonden. Iedereen zweefde, net als ik zelf. Gaandeweg ben ik gaan inzien dat je ook van mensen kunt houden met hun tekortkomingen. En dat ik ook tot abjecte dingen in staat ben als ik er niet een stokje voor steek.
Dat proces van integratie in de wereld is schoksgewijs gegaan. De geboorte van mijn twee kinderen waren belangrijke momenten. Het overweldigende gevoel met het leven bezig te zijn. De rest droeg ik nog op mijn rug; aan dat proces begon ik toen net. Ik herinner me een gesprek met een moeder na afloop van een ouderavond. Ze schonk me vertrouwen waardoor ik begon te vertellen over mijn door de oorlog bepaalde kinderjaren. Ze begreep dat dergelijke ervaringen op die leeftijd van enorme invloed zijn op je latere leven. Met andere woorden: je stelt je niet aan, het is waar! Die erkenning was een enorme opluchting. Ik zie mezelf nu nog op de fiets stappen en dolgelukkig door de Utrechtsestraat naar huis rijden.
Heel lang heb ik het gevoel gehad alsof ik in een cocon leefde. Langzamerhand ben ik daar zelf uit tevoorschijn gekomen. Omdat die cocon zo'n stroperige massa had, was het een heel karwei om me ervan te ontdoen. Het schrijven heeft me daarbij geholpen. Pas op mijn zesenveertigste begon ik met publiceren. Mijn eerste verhalenbundel Zomaar een vrijdagmiddag noemde ik “joodse sprookjes van na de oorlog”. Ik werd me bewust van de waanzin waarmee ik was opgegroeid. Ik dacht dat het heel gewoon was om geen familie meer te hebben. Ik was verbijsterd over al die intacte gezinnen en alles wat daarbij hoort.
Ik herinner me nog heel goed dat we thuis met zijn allen aan tafel zaten. Mijn ouders vertelden een gezellig verhaal over iemand en wij, de kinderen, riepen dan gewoontegetrouw in koor: “Is die er nog?” En dan zeiden mijn ouders ja of nee, en dan ging het verhaal weer vrolijk verder. Alle verhalen in Zomaar een vrijdagmiddag zijn volgens dat simpele stramien geschreven: alledaagse gebeurtenissen waarin ik de deur plotseling op een kier zet en je regelrecht de afgrond in kijkt. Alsof je een deksel weghaalt waardoor er ineens een wereld zichtbaar wordt.
Ik denk dat ik sinds die eerste verhalenbundel een groei heb doorgemaakt. Tweede vader is wellicht het eerste boek dat zowel gaaf is naar vorm als naar inhoud. In ieder geval is het ’t eerste boek dat ik op een stroom heb geschreven. Ik wilde een ode brengen aan mijn tweede vader en daarvoor zocht ik een melodie waarop ik het verhaal kon vertellen. Het moest een symfonie worden met herhalende thema’s die verdieping krijgt door telkens naar een andere toonsoort te verspringen.
Tweede vader is ook een afrekening met een bepaalde manier van leven. Ik leef niet langer met de mensen die niet zijn teruggekomen, mijn geheime levens hebben afgedaan. Ik voel me nu verbonden met de mensen om me heen, waardoor ik veel meer voeding krijg. Mijn huidige echtgenoot heeft me gestimuleerd mijn gedroomde wereld aan de reele wereld vast te kitten. Eindelijk heb ik het gevoel dat ik er gewoon mag zijn.’