Zomerserie

Ik leef

‘Zie haar onmetelijke goedheid.’ Mededogen met de moeder – of het besef van een onoverbrugbare afstand. De jongeling Frits van Egters is nauwelijks in staat het gedrag van zijn ouders te verdragen. Wat verklaart zijn afkeer?

Almachtige God, denkt Frits, ‘zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem.’De familie Reve, circa 1947 © Annelies Romein / MAI

Een nieuwe wereld begint in 1947. Op 11 mei wordt de Ferrari 125S in gebruik genomen, de eerste sportwagen die die naam draagt. Op 22 mei tekent de Amerikaanse president Harry Truman het wetsvoorstel waarmee zijn Truman-doctrine van start gaat, de strategie om elke sovjet-expansie waar dan ook ter wereld tegen te gaan – in feite het officiële begin van de Koude Oorlog.

Precies daar tussenin – op zondag 18 mei 1947 – voltooit Gerard van het Reve – al noemt hij zich dan nog Simon – zijn eerste roman. De avonden is een boek van verveling, van beslagen ruiten, van stilstand in een wereld waarin geen mogelijke verandering waarneembaar is.

Een gimmick, zei Gerards broer Karel later. Alles in het boek was waar gebeurd, het was precies hoe het er vroeger thuis aan toe ging – maar dan geredigeerd. Gerard liet ‘alle gunstige dingen en redelijke gesprekken weg’ en liet alleen de onbenulligheden staan. De gesprekken over de oorlog, over films en boeken of het publieke leven waren verdwenen – waardoor de personages volkomen geïsoleerd in de wereld aanvoelen.

Karel was op z’n Karels niet ruim met zijn lof: ‘goed Nederlands’ en ‘geen slechte zin in te ontdekken’. Maar goed, hij las het boek mooi wél vijf keer. Het is ook niet niks als je broertje een van de klassiekers van de twintigste eeuw schrijft.

Je moet ver terug door de tijd om de Gerard van het Reve van De avonden te vinden. Je moet door het Ezelproces heen kijken, door het ironische showmanship, de quasi-racistische provocaties waarvan iedereen zich afvroeg hoe ironisch ze nu écht waren, door het camp-homoseksuele en het camp-katholieke, door alle poespas heen die de laatste decennia van zijn leven (1923-2006) zijn schrijverschap meer tekenden dan het schrijven zelf.

Terug naar 1947. Dat was de periode die H.J.A. Hofland – ‘de journalist van de eeuw’, die na het lezen van De avonden zo geïnspireerd raakte dat hij probeerde zelf een Avond-achtige roman te schrijven; het boek met de nogal programmistische titel De luiheid uitgesteld zou nooit gepubliceerd worden – steevast ‘de restauratie’ noemde. De oorlog had een bevrijding moeten zijn, de beklemming van de bezetting was door de geallieerde troepen doorbroken en heel even leken de zuilen op te kunnen gaan in een progressieve beweging. Vrouwen en jongeren zouden meer bewegingsvrijheid krijgen, de confessionele politiek zou opgeschort worden.

Maar niet dus. In zijn polemische mentaliteitsgeschiedenis Tegels lichten gaf Hofland een keur van redenen voor hoe die restauratie bestuurlijk te werk ging, maar dan nog kwam het er uiteindelijk op neer dat het een psychologisch fenomeen was. De deuren stonden simpelweg niet open. Dieper dan een verlangen naar iets nieuws was het verlangen naar het vertrouwde. De oorlog was in de late jaren veertig eerder iets om snel achter je te laten, niet te veel over te praten, en er dus ook niet te veel consequenties aan te verbinden.

Twintig jaar zou de deksel op de pan blijven, totdat hij halverwege de jaren zestig eraf knalde. Harry Mulisch zou aan de restauratie refereren tijdens de revoltes van mei 1968, toen er ‘op één dag meer gebeurde dan in de voorafgaande twintig jaren van de Koude Oorlog bij elkaar. Wat een verademing!’

De avonden: Een winterverhaal beschrijft de dagen van Kerst naar nieuwjaar 1946, zoals Frits van Egters ze meemaakt. Dagen die aanvoelen als jaren. Frits is 23, een kantoorklerk, die nog bij zijn ouders woont in een krap appartement aan de Amsterdamse Schilderskade. Het is een strijd om door de tijd te komen; Frits wordt wakker, denkt eerst: ‘Ik ben veel te vroeg op, stom’, en herstelt zichzelf dan. Hij moet iets van de dag maken, ‘een welbestede dag’.

Maar de uren glippen als los zand door zijn vingers, niets gebeurt er. Hij maakt een wandeling, komt thuis, luistert muziek, staart uit het raam en bekijkt zijn ouders; hij ziet hoe ze onsmakelijk eten, hij telt de wratten in zijn vaders nek (zeven), bekijkt de haren op zijn moeders kin. Voor letterkundigen is er weinig eer weggelegd in het navertellen van de roman: Frits spreekt met wat vrienden af, gaat naar de film, kijkt dwangmatig op zijn horloge, droomt heftige dingen. Hij denkt continu dat zijn vrienden kaal worden, merkt steeds op hoe oud oude mensen zijn, staat stil bij elk verval. Zijn gesprekken zijn saaiig, met een zweem van het absurde. Bijvoorbeeld als hij opmerkt dat ‘tegenwoordig’ mensen ouder worden en ze dus meer kans hebben aan kanker te sterven. ‘Een heel mooie ziekte’, zegt hij, waar hij ‘heel aardige dingen’ over heeft gelezen. ‘Gruwelijk, ongeneeslijk, groots.’

Waarin schuilt Frits’ enorme afkeer van de wereld van zijn ouders? Allereerst: hun nabijheid. Het huis is te klein, hij zit continu in hun geur, hun eten, hun geluiden, hij is te oud om nog thuis te wonen. Daarnaast: hun normen en waarden. Het is niet zo dat die nadrukkelijk geëxpliciteerd worden, het is meer het idee dat ze überhaupt bestaan dat Frits bespottelijk vindt. Frits vertelt de anekdote van zijn grootvader, die hem eens vertelde dat iemand hem iets had toevertrouwd dat hij aan niemand mocht doorvertellen. Die persoon was inmiddels overleden. Wat was het dan? vroeg Frits hem. Mocht hij niet zeggen, dat had hij beloofd.

Kon hij zijn ouders maar iets specifieks verwijten, denk je soms, had hij maar iets concreets om zich tegen af te zetten

Een belofte houden aan een dode – waarom?

Een vaker gelezen verklaring voor zijn afkeer is de emancipatie van de arbeidersklasse: Frits’ vader heeft nog in een fabriek gewerkt, terwijl Frits tot een meer intellectuele klasse behoort, met dientengevolge een kloof in kennis, in spraak, in smaak. (Gezien het biografische gehalte van de roman is die theorie niet helemaal sluitend: Van het Reve’s vader was een hardlijnige communist, die gedurende de oorlog grotendeels ondergedoken had gezeten, maar was ook een auteur van essays, fictie en kinderboeken. Het huishouden was allicht volks, maar zeker niet anti-intellectueel.)

Wat hij zijn ouders ook verwijt is dat hen niets te verwijten valt. Hun wereld is de enig waarneembare. Die leggen ze hem niet op, zoals je de wet van de zwaartekracht niemand oplegt. Die is er nu eenmaal. Kon hij ze maar iets specifieks verwijten, denk je soms, had hij maar iets concreets om zich tegen af te zetten.

Maar misschien dat daarin juist de kracht van De avonden schuilt. De roman werd opgepikt als de stem van een generatie die aan haar ouders geen voorbeelden had – Hofland zag het zeker zo – maar de emotionele ondertoon van De avonden zit ’m eerder in hoezeer Frits zich daarmee probeert te verzoenen.

Door de oeverloze dialogen heen – over nietsige onderwerpen – komt een tweede stem: de gedachten van Frits die vergeving vraagt voor zijn scherpe oordelen over zijn ouders. Langzaam worden zijn observaties een gebed, een beetje als Christus die vanaf het kruis zegt: ‘Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen.’ Over zijn vader denkt hij: hij morst bij het uitkloppen van zijn pijp, hij maakt postzegels kwijt, hij draagt vaak geen das. ‘Maar groot is zijn goedheid.’ Over zijn moeder: ze bakt oliebollen met de verkeerde stukjes appel, er ontstaat rook als ze de kachel onhandig aanmaakt, ze denkt dat ze wijn koopt, maar koopt vruchtensap, maar: ‘Ze is mijn moeder. Zie haar onmetelijke goedheid.’

Je kunt dat op twee manieren lezen, denk ik. Als een vorm van verzoening, van acceptatie dat hij bij hen hoort en omgekeerd. Of als een niet te overbruggen afstand, en dat hij zich definitief neerlegt bij die afstand, bij het besef dat hij anders is dan zij.

Een boek dat begint met iemand die wakker wordt, eindigt heel symmetrisch met iemand die naar bed gaat.

Frits komt ’s avonds laat thuis, en treft zijn vader in een hansop – die aan de achterkant openstaat, waardoor hij zijn vaders blote kont kan zien. Almachtige God, denkt hij, ‘zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem.’ Hij wenst zijn ouders welterusten, gaat naar boven en poetst zijn tanden, en gaat naar bed. De bekendste zin uit De avonden is de één-na-laatste: ‘Het is niet onopgemerkt gebleven.’

Maar mooier zijn de twee alinea’s daarvoor. Je kunt (moet) ze eens hardop voorlezen, met een kalme tred, en een stevig gemoed:

‘“Ik leef”, fluisterde hij, “ik adem. En ik beweeg. Ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. Ik kan opgesloten zijn, of door gruwelijke ziekten worden bezocht. Maar steeds adem ik, en beweeg ik. En ik leef.” Hij liep terug naar de keuken, voltooide het poetsen en betrad zijn slaapkamer.

“Konijn”, zei hij, het konijn op de arm nemend, “je straf is ingetrokken, gezien je grote verdiensten voor de zaak.” Hij zette het dier op de schrijftafel, sloot de gordijnen en begon zich uit te kleden. Toen hij gereed was, trommelde hij zich met de vuisten op de borst en betastte zijn lichaam. Hij kneep in het vel van de nek, in de buik, de kuiten en de dijen. “Alles is voorbij”, fluisterde hij. “Het is overgegaan. Het jaar is niet meer. Konijn, ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.”’

Het is een gebed, in feite. De perfecte mantra voor het einde van het jaar. Een vriendin las laatst deze twee alinea’s voor, en schoot vervolgens vol. Dat lijkt me een passende reactie.