De emotionalisering van het strafrecht #1

Ik levenslang, dan jij ook levenslang

Met de uitbreiding van het spreekrecht voor slachtoffers van misdrijven treedt er een verharding op van de houding tegenover daders. Doordat het slachtoffer centraal staat worden emoties doorslaggevend in een rechtszaak. Maar: ‘Het strafrecht is geen vergeldingsmachine.’

Een krakende stem van een vrouw galmt door de Amsterdamse rechtszaal, via een lijnverbinding met Sofia. Die stem behoort aan een Bulgaarse prostituee. Ze is slachtoffer van een poging tot doodslag, en leest zo te horen een tekstje op over hoe slecht het haar nu vergaat, dat ze terug is bij haar moeder, de deur niet meer uit durft, geen inkomen meer heeft, en op de lijst staat voor een trauma-verwerkende emdr-therapie. ‘Mijn leven zal ik nu angstig blijven. Ik heb levenslang!’

De advocaat van de verdachte springt op en roept in de microfoon: ‘Wat heeft dit te betekenen?’ De voorzitter van de drievoudige raadkamer antwoordt: ‘Sinds 1 juli is het spreekrecht voor slachtoffers uitgebreid. Dit slachtoffer heeft het recht hier te spreken, en ook haar mening te geven over de strafmaat.’ De advocaat zakt verbluft in haar stoel terug. Had de vakliteratuur blijkbaar even niet bijgehouden. Ze was zichtbaar tevreden geweest over haar pleitnota ten behoeve van de Amerikaanse uitwisselingsstudent Finance & Economics van 22 jaar die eind 2015 twee prostituees had proberen te wurgen op de Wallen.

De verdachte en zijn verhaal hadden zo uit de roman American Psycho van Bret Easton Ellis kunnen stammen. Na afscheidsdiner en barbezoek – wijn, tiental mixdrankjes plus de cocktail Long Island en waarschijnlijk cannabis plus een extra dosis van zijn anti-angstmedicatie citalopram en propranolol – had verdachte om drie uur ’s nachts een prostituee bezocht die vroeg: ‘Vijftig of de hele beurt van 250 euro?’ Hij pinde het laatste bedrag, en begon haar te wurgen. Paniek, geschreeuw, ze werd ontzet, hij rende alleen in spijkerbroek weg, om een hoek verder bij de Bulgaarse naar binnen te gaan. Die getuigde dat verdachte riep dat hij een weddenschap had om een hoer te vermoorden, en daar direct mee begon. Er kwamen mensen binnen om haar te ontzetten. ‘Hij gromde als een hond naar een andere hond die aan zijn etensbak komt.’ Voorbijgangers die binnenkwamen konden hem niet van haar af halen en sleepten slachtoffer en dader, aan elkaar geklonken, de straat op. ‘Zijn greep was bevroren.’ Ze overleefde het.

Small 17 03 14 emo justitia 3

De advocaten van de beide slachtoffers vorderen voor de belaagde vrouwen een materiële schade van vier- tot zesduizend euro en immateriële schade van eveneens enkele duizenden euro’s. Wat de advocaat van de verdachte ‘overdreven’ vindt, de student had het hier al zo moeilijk mee. Zij wil ontslag van rechtsvervolging, of hooguit de voorwaardelijke straf ter hoogte van het voorarrest van 95 dagen. De officier van justitie oordeelt op basis van diverse medische rapporten dat verdachte in die nacht leed aan een psychose en eist onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zodat student in september thuis in de Verenigde Staten zijn studie kan hervatten. Daarop volgt de boze reactie van het slachtoffer vanuit Bulgarije: ‘Prostitutie is een legale beroepsgroep. Dit is een signaal dat je voor het willen wurgen van twee prostituees met drie maanden voorarrest wegkomt. Belachelijk, ongehoord, schandalig.’ Daarmee wordt de zaak gesloten. Het vonnis twee weken later: straf gelijk aan voorarrest. De schadeclaims worden afgewezen.

Is deze strafzaak exemplarisch voor de veranderingen in denken en doen over ons strafrecht in de afgelopen halve eeuw, of, misschien een nog beter ijkpunt, 1945? Ja en nee. Nee omdat het vonnis van de Amerikaanse student licht is vergeleken bij de eisen tot twee jaar onvoorwaardelijke celstraf die het Openbaar Ministerie stelde in de Valkenburgse zedenzaak die ook in 2016 speelde.

In die megazaak stonden tientallen mannen terecht, niet voor doodslag maar voor een bezoek aan een minderjarig gebleken prostituee van zestien jaar. Hier kwam het slachtoffer niet zelf aan het woord, een verklaring van deze Kimberley (zoals ze op internet te boek stond) werd voorgelezen. De strekking: ‘Ik ben gestraft voor wat me is overkomen, ik ben mijn vrijheid kwijt, welke jongen wil me nu nog?’ Ook haar advocaat eiste duizenden euro’s schadevergoeding per klant, hetgeen niet in de vonnissen terug zou komen. Ook het verschil in media-aandacht kon niet groter zijn. De zaak in Limburg beheerste anderhalf jaar lang de regionale en ook de landelijke media; in Amsterdam zat ik alleen op een lege publieke tribune. Dat kan ook iets zeggen over het verschil in ‘actiebereidheid’ van het OM. De Maastrichtse officier van justitie ging er doelbewust en zonder aarzeling hard in. Dat een bijeffect van dit publicitaire offensief gebroken gezinnen en enkele zelfmoorden was, hij kon er niet mee zitten. Voor deze harde opstelling kreeg hij van de topman van het OM, Herman Bolhaar, dan weer en plein public een standje: hij had ‘een te grote broek aangetrokken’.

In het huidige strafrecht variëren de eisen en de vonnissen dus nogal, ondanks alle pogingen tot landelijke uniformering via richtlijnen en een ‘puntensysteem’ vanuit het hoofdkantoor, het College van Procureurs-Generaal in Den Haag. In de Limburgse zaak was duidelijk dat het OM inzake prostitutie ‘een signaal’ wilde afgeven naar de samenleving. In de Amsterdamse zaak werd het Bulgaarse slachtoffer geen vraag gesteld, en ging alle aandacht uit naar de medische en psychiatrische rapporten over de verdachte. Bijna moederlijk – op één na werden alle toga’s (zeven in totaal) gedragen door een vrouw – werd deze namaak Patrick Bateman (protagonist van American Psycho) gevraagd naar zijn eigen verantwoordelijkheid. ‘Als uw vader ook al die angstpillen slikte, en u zelf ook, dacht u dan niet na over de vraag of dat wel goed zou gaan met zowel drank als die joint?’ ‘Nee, er stond geen rood driehoekje op het medicijndoosje.’ Hij kwam ermee weg. De verdachten in Valkenburg niet. Zij hadden wel moeten checken of er een rood driehoekje op het lichaam van Kimberley te zien was geweest.

Beide zaken laten wel zien hoezeer ‘het slachtoffer’ is opgerukt in de belangstelling van de rechterlijke macht. Dat het met dat spreek- en adviesrecht van slachtoffers en nabestaanden (tot in de derde graad gelden zij ook als slachtoffer) nog niet overal altijd lekker loopt is duidelijk. In 2001 diende toenmalig d66-Kamerlid Boris Dittrich een initiatiefwetsvoorstel in om slachtoffers en nabestaanden van een misdrijf spreekrecht te geven. Dit werd in 2005 wet. In 2011 werd deze wet aangescherpt, en per 1 juli 2016 wederom. Nu hebben de slachtoffers een zelfstandige positie in het strafproces.

Dat in die zaak van de Amerikaanse student grote verwarring heerste aan beide kanten van het hekje is volgens procureur-generaal Rinus Otte niet verwonderlijk. Ik spreek deze voormalige rechter in zijn moderne kantoor boven het einde van de A12 in Den Haag. Hij ziet eruit als zijn kamer, strak in het pak, de vrolijke en pientere oogjes van iemand die weet dat hij gelijk heeft – dat gelijk verkondigde hij afgelopen jaren in geruchtmakende boeken, artikelen en op de eigen website ivorentoga.nl waarin hij de rechterlijke macht soms tot de grond toe afbrandde. Hij lijkt te zijn aangenomen om het Openbaar Ministerie tot een efficiëntere en transparantere machine te maken. Grote veranderingen in het strafrecht sinds hij dertig jaar geleden begon ziet hij niet. ‘Het zijn trage veranderingen. Den Uyl zei altijd: als je de koers van een tanker wilt veranderen, dan ben je kilometers verder voordat je dat merkt. Over dat spreekrecht van slachtoffers begon mijn voorganger PG Dato Steenhuis al een kwart eeuw terug. Maar de rechter is er nog niet op ingespeeld. Het wordt ook nog maar mondjesmaat toegepast. Er gaat een generatie van rechters overheen voordat je gaat zien welke kant het uit gaat met dat spreekrecht.’

Hoe dat zal gaan is inderdaad nog geen uitgemaakte zaak. Sommigen – rechters, strafrechtgeleerden, politieke partijen als vvd en d66, strafrechtadvocaten en ook commentatoren – zouden het spreekrecht het liefst morgen weer afschaffen. Hun argumenten zijn divers. Het Wetboek van Strafrecht is geschreven voor de dader en het misdrijf, niet voor het slachtoffer. Het zal leiden tot emotionalisering van het strafrecht. Anderen, ook rechters en zeker de nieuwe branche van slachtofferadvocaten, zijn voor de wetswijzigingen. Maar met het oordeel van de oud-voorzitter van de Hoge Raad Geert Corstens zijn alle tientallen ‘powers that be’ in en rond het strafrecht die ik sprak het roerend eens: ‘Er was nauwelijks aandacht voor het slachtoffer. Dat is gelukkig afgelopen. Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren negentig zijn we weinig bezig geweest met slachtoffers. Er is een duidelijke omslag van dader naar slachtoffer.’ Of dat zal leiden tot emotionalisering? ‘Zeker. Maar de rechter moet het hoofd koel houden.’

‘Dit is een signaal dat je voor het willen wurgen van twee prostituees met drie maanden voorarrest wegkomt’

Een koel hoofd heeft zeker ook Fred Teeven, oud-staatssecretaris van Veiligheid & Justitie. Hij zegt op zijn eigen nuchtere, bijna olijke, manier: ‘De reden waarom ik de politiek in ging was dat het af toe tenenkrommend was hoe zittingsrechters omgingen met slachtoffers. We gaan drie uur praten met verdachten over hoe die roofoverval heeft plaatsgevonden. En dan krijgt het slachtoffer dertig seconden, en dan onderbreekt de rechter: “Ja joh, klaar nu!”’ Teeven zegt als Kamerlid in 2006 het slachtofferbeleid te hebben gebruikt als rechtvaardiging om mensen langer in voorarrest te houden. ‘Iemand die de trambestuurder slaat, die stapte de volgende dag wéér die tram in. Nou, ik vond toen al vijftien, twintig jaar dat er te slap werd gestraft door de rechters.’ En dat slachtoffers nu ook iets mogen zeggen over de strafmaat nog voordat de rechter heeft gevonnist? ‘Dat gaat wel ver ja, maar niet te ver, vind ik. Al had het van mij niet gehoeven, overigens.’

De herinneringen aan hoe gênant het vroeger was gesteld met de slachtoffers en hun nabestaanden zijn overal te horen. Oud-officier van justitie Henk Wooldrik kan terugkijken op veertig jaar strafrecht. Hij zegt in zijn huis aan het Amsterdamse Museumplein: ‘Gênant! Verhoorden we de winkeliersvrouw die net weduwe was geworden omdat haar man over de toonbank heen was doodgeschoten. Voor de verdachten stonden meteen reclasseringsmedewerkers klaar, en voor haar niemand. Zij moest in haar eentje door het donker naar huis.’

Wooldriks leeftijdgenoot Beatrijs Broers, een van de eerste vrouwelijke officieren van justitie van Nederland, zegt iets soortgelijks: ‘Er was een snackbarhouder doodgestoken in zijn eigen zaak. Kreeg ik later een briefje van de weduwe wanneer de zitting was. Dat kregen nabestaanden niet automatisch te horen!’ Ze eiste voor doodslag een niet erg hoge straf, toen niet ongewoon, het ging ook niet om moord. ‘Begint die rechter haar vonnis niet met “U wordt veroordeeld voor doodslag”, maar met de woorden: “Verdachte, u bent vrijgesproken van moord.” De familie in alle staten. Ze begonnen posters en folders op te hangen waarin ze hem tot een held maakten. Ik was erg met hen begaan. Door die kwestie ben ik in de begeleidingscommissie gaan zitten van de net opgerichte Stichting Slachtofferhulp.’

In die jaren tachtig en negentig deed ze eerst de racistisch getinte doodslag op de vijftienjarige Antilliaans-Nederlandse Kerwin Duinmeijer in 1983 door een zestienjarige dader. En ruim tien jaar later, 1996, het doodschoppen van Joes Kloppenburg in de Amsterdamse Voetboogstraat. ‘De familie achtte zichzelf levenslang gestraft, en verzocht dat de hoofddader ook levenslang kreeg, in de vorm van een maandelijks te betalen schadevergoeding. Ik zorgde ervoor dat zij een verklaring mochten afleggen over hun leed. De legitimatie was dat zij als zogeheten “beledigde partij” zouden optreden. Dat was toen de enige mogelijkheid voor “spreekrecht”.’

Hoe traag de veranderingen in het strafrecht in de praktijk ook gaan – een graad per kilometer –, er is sinds de jaren zestig wel een bocht gemaakt van 180 graden. Immers, als we 1945 als uitgangspunt nemen stond niet het slachtoffer, of de kring van nabestaanden, centraal in de rechtszaal maar de dader. Het ging letterlijk om ‘misdaad en straf’. Had PG Rinus Otte het over veranderingen in het denken en doen over strafrecht die er decennia over deden om echt zichtbaar te worden, als het om de behandeling van de dader gaat spreken we over eeuwen. Dan gaat het over eeuwenlang toenemend ‘verlangen naar mildheid’. Al in de zeventiende eeuw werden in Nederland de meest barbaarse straffen – ogen uitsteken, levend verbranden – afgeschaft. Strop en zwaard bleven, als zijnde humaner. Zelfs in deze tijden, waarin nog het droit divin gold, het goddelijke recht om te heersen, te veroordelen en te straffen, was er óók een rechtsorde die niet alléén gebaseerd was op macht en willekeur. Men martelde er op los om tóch een bekentenis los te krijgen. Zodat de verdachte zichzelf tot dader maakte, en daarna in het openbaar kon worden geradbraakt of gevierendeeld. En tegelijk kwam de gedachte op dat de misdadiger verbeterd kon worden: de rasp- en spinhuizen heetten ook ‘verbeterhuizen’.

Het was aan de burgerlijke revolutie van na 1789 te danken dat er een periode ontstond van ‘ontruwing’. Het is niet toevallig dat dankzij het ‘opschuiven van de schaamtegrens’ (historicus Pieter Spierenburg) de doodstraf in 1870 werd afgeschaft, ongeveer op hetzelfde moment dat de kermis werd verboden in bijvoorbeeld Amsterdam. In die positieve sfeer van meer humaniteit en afkeer van lijfstraffen en vrijheidsstraffen werd het ‘Nederlandsche Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen’ opgericht, de voorloper van het huidige Reclassering Nederland. Dit ontruwingsproces voltrok zich autonoom, zonder veel invloed van rechtsgeleerde theorieën. In het terugdringen van justitieel geweld waren pragmatische overwegingen, verfijnder fatsoensnormen en een groeiende afkeer binnen de betere standen van onbeschaafde taferelen doorslaggevender. Vanaf 1860 is er in toenemende mate ook bij vrijheidsstraffen sprake van ‘een slecht geweten’.

In deze geest van optimisme en een slecht geweten bracht de liberale minister van Justitie Anthony Modderman in 1881 de wet tot vaststelling van het Wetboek van Strafrecht tot stand. Het nieuwe Wetboek verving de verouderde Code Pénal uit de tijd van Napoleon. Uitgangspunt werd dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling. Veel meer dan in de Code Pénal werd zedelijke verbetering van gestraften als doel gezien. Er kwam onderscheid tussen ‘poging tot’ en de daadwerkelijke daad en tussen dader en medeplichtige. Er werd rekening gehouden met verminderde toerekeningsvatbaarheid. De tuchthuisstraf verdween. Er werden bepalingen in opgenomen over de strafbaarstelling van dierenmishandeling. Modderman noemde de straf geen kwaad, maar een ‘wezenlijk’ goed, namelijk de innerlijke verbetering. Dat ‘verlangen naar mildheid’ was ook in de praktijk te zien. Volgens het cbs liep het aandeel onvoorwaardelijk gestraften terug van zestig procent in 1900 naar 25 procent van het totaal aantal vonnissen in 1940, en de boetes stegen van 29 naar 52 procent. De verdachte werd nu gezien als een soort in de versukkeling geraakt jonger broertje dat wel streng en vaderlijk moest worden toegesproken, maar nog niet draconisch gestraft.

Small 17 03 14 emo justitia 2

Na de oorlog kwam, mede in reactie op de nazitijd, de nadruk nog meer op resocialisering te liggen, en verdere vermindering van vrijheidsstraf. Het aantal voorwaardelijke vrijheidsstraffen steeg van 31 procent in 1946 naar 51 procent in 1982. De pseudo-religieuze gedachte van ‘zedelijke verbetering’ sprak weinigen nog aan; de gedachte van begeleiding, behandeling en resocialisering des te meer. ‘De reclassering’ werd een begrip dat iedereen kende, het werd een soort maatschappelijke dienst ten behoeve van de verdachte/veroordeelde die daarmee ‘cliënt’ werd. Dit optimistische mensbeeld bleef een kwart eeuw dominant. Het was ook een erg christelijk mensbeeld, waarin het bijbelse gebod ‘bemin uw naaste als uzelf’ centraal stond. Vooral de psychiatrische kant van de delinquent werd benadrukt. tbr – Ter Beschikking van de Regering gesteld – nam in de jaren vijftig sterk toe, zoals ook de mens zelf meer ‘een psychologisch mens’ werd.

Als gevolg van enige tijdens proefverloven gepleegde zware geweldsmisdrijven die grote maatschappelijke onrust veroorzaakten, raakte de reclasseringsgedachte medio jaren zestig over zijn hoogtepunt heen. Maar toen brak het progressiefste decennium aan dat Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog gekend heeft, voortgestuwd door wat socioloog J.E. Ellemers noemde de ‘secundaire elites’ – de studenten, afgestudeerden, de jonge beleidsmakers en cultuurbrengers bijvoorbeeld – en zij voegden een revolutionaire gedachte aan die goede mens toe: de mens is goed, de maatschappij is slecht. De kansen van deze goede mens op ‘optimale ontplooiing’ werden belemmerd door maatschappelijke structuren die de bestaande ongelijkheid in kennis, macht en inkomen bestendigden. De theorie van de erfelijkheid – zoals van intelligentie – was taboe, zo niet regelrecht fascistisch. Het was, in de woorden van justitieonderzoeker Patrick C. van Duyne, ‘een egalitaire filosofie zonder beloning (want dat moedigt prestatie aan) of straf (want dat veronderstelt persoonlijke schuld of nalatigheid)’.

‘We praten drie uur met verdachten over hoe die overval heeft plaatsgevonden. Dan krijgt het slachtoffer dertig seconden’

De huidige directeur van Reclassering Nederland, Sjef van Gennip, herinnert zich die jaren zeventig nog goed. Na de sociale academie in Driebergen – ‘de meest linkse in Nederland’ – werd hij reclasseringsambtenaar. Reclassering betekent terugplaatsing in de maatschappij. De hulp daarbij ging ver. ‘We nodigden onze “cliënten” uit voor het kerstdiner bij ons thuis. We maakten lange strandwandelingen. En ik heb heel wat muurtjes van hun nieuwe sociale huurwoningen behangen.’ Waarom zo ‘soft’? ‘We werkten vanuit een ideologie – je kunt ook zeggen vanuit de onderbuik, want “evidence based” was het in geen enkel opzicht – en die ideologie luidde: de dader is slachtoffer van zijn jeugd en/of van de maatschappij.’

Van Gennip noemt als kantelperiode de kabinetten van ‘homo economicus’ Lubbers in de jaren tachtig. Zijn nieuwe zakelijkheid – ‘Nederland is ziek’ – betekende het verleggen van de nadruk op het idee dat daders géén willoze slachtoffers zijn, maar een eigen verantwoordelijkheid hebben. ‘Maar toen ik eind jaren tachtig overstapte naar het ministerie van Justitie werd ik in het reclasseringsblad als verrader neergezet. Het ministerie was De Vijand.’ In de drie decennia die volgden veranderde de houding ten opzichte van de dader steeds meer. ‘Het is van soft, drie keer soft, naar strak, drie keer strak gegaan’, aldus Van Gennip. Zijn organisatie is sinds begin deze eeuw een vaste schakel in de justitieketen geworden. ‘We kijken nog altijd naar de kansen maar nemen nu de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt als uitgangspunt. En hebben ook meer oog voor de risico’s van recidive en daarmee voor de veiligheid van slachtoffer en samenleving.’

Een andere belangrijke verandering is dat de nazorg van de vrijgekomen ‘cliënten’ nu bij de gemeenten ligt. Vandaar dat geleur en gesleep met de pedofiele zwembadleraar Benno L. en met de moordenaar van Pim Fortuyn, Volkert van der G. Veertig jaar eerder zouden ze nog geholpen zijn bij het behangen, nu worden deze daders als hete aardappelen doorgeschoven van gemeente naar gemeente. Het belangrijkste wat nu telt is de maatschappelijke veiligheid. Want toen de reclasseringsambtenaren nog kerstdiners bereidden, klonk in de jaren tachtig al veelvuldig de roep dat de misdaad sterk toenam en harder bestreden diende te worden. De troonredes onder de eerste kabinetten-Lubbers begonnen er soms zo’n beetje mee: de regering zal meer doen aan het bestrijden van de almaar toenemende criminaliteit.

Het voorlopige hoogtepunt in dit nieuwe veiligheidsdenken zou de zelf gestelde opdracht van het kabinet-Rutte I (vvd, cda met gedoogsteun van de pvv) in 2010 worden. Deze werd verwoord in het regeerakkoord Vrijheid en Verantwoordelijkheid: ‘Veiligheid is een kerntaak van de overheid. Randvoorwaarde voor vrijheid en vertrouwen is een omgeving die niet onveilig is en waar geen gevoelens van onveiligheid heersen (sic – hb). Het moet veiliger worden op straten, in wijken en de openbare ruimte. Het daadkrachtig aanpakken van straatterreur, overlast, intimidatie, agressie, geweld en criminaliteit vraagt om een zichtbaar gezaghebbend en doortastend optreden van politie en justitie.’ Ik voegde ‘sic’ in dit citaat toe omdat het de opmaat zou worden naar ‘etnisch profileren’ en naar ‘predictive policing’ oftewel het in voorarrest nemen van mensen tegen wie ook maar een verdenking bestaat dat zij directe of indirecte terreuracties aan het voorbereiden zijn: de bekende aankoop van een zak mest door een flatbewoner die niet eens een balkon heeft. Vanaf 2010 werd de mantra van Ivo Opstelten (vvd), de minister van het nieuwe fusiedepartement Veiligheid & Justitie én kingmaker van premier Mark Rutte: ‘Dat gaan we doen, dat gaan we aanpakken, dat gaan we kéihard aanpakken.’

Advocaat bestuurs- en ondernemingsrecht Arnold Croiset van Uchelen, die in dat jaar 2010 ook ‘rechtsgeleerd raadsman’ van koningin Beatrix werd, zegt vanuit de vergaderkamer in het Amsterdamse Apollo House over deze ommezwaai: ‘Vroeger zeiden mensen: “We hebben allemaal wel eens kattenkwaad uitgehaald.” Maar nu is de dader een totale vreemde die je wat aandoet, een vijand. Dus zitten er nu evenveel mensen een levenslange gevangenisstraf uit als in de hele vorige eeuw bij elkaar.’ Hij ziet als kantelmoment het jaar 2002, Fortuyn en ‘de opstand der burgers’. Vanaf dat jaar kreeg de bestrijding van misdaad alle prioriteit, ten nadele van bijvoorbeeld het bestuursrecht. ‘Als ik daarna een rechtszaak begon over een frauduleuze sideletter bij de levering van een vracht cacao bleef die kwestie een jaar of langer in de bak “nog te doen” liggen. Wat je sinds Fortuyn ziet is een enorme herwaardering van de emotie, en van het slachtoffer. Ook Trump komt ermee weg. Ze zeggen het ook bijna zo: wat ik doe is de emotie terugbrengen.’

Welke factoren de lang dominante zakelijkheid in delen van de maatschappij, zoals strafrecht en nieuwsmedia, in de richting van meer emotie hebben gestuwd is niet met precisie te zeggen. Zeker is wel dat het strafrechtsysteem het na midden jaren zestig steeds drukker kreeg: van 80.000 zaken in 1965 naar 230.000 zaken in 1985 (nu is het aantal om allerlei nog te bespreken redenen teruggevallen naar 90.000). De kleine criminaliteit nam toe en de grote criminaliteit, vooral drugszaken, ook.

In haar buitenhuisje in Egmond ligt de telefoon van Guusje ter Horst (pvda) op tafel. De Andreaskruisen sieren het omslag, als herinnering aan het begin van haar politieke carrière: wethouder in Amsterdam in de jaren negentig. Toen kwam ze in aanraking met drugs en junks, ook als autokrakers. ‘Ook als daders waren het allemaal slachtoffers. Die mensen moesten tegen zichzelf in bescherming worden genomen.’ Als burgemeester van Nijmegen zette ze het slachtoffer ook voorop, maar toen op een andere manier. ‘Aandacht voor het slachtoffer heb ik altijd gehad. Je bent als burgemeester toch het ultimum refugium.’ Ze geeft een voorbeeld. Bij een benzinepomp hing een lichtbak – apk 19,90 of zo. Een buurtmeisje kon er niet van slapen, de ouders begonnen te klagen. Bleek die pomp er geen vergunning voor te hebben. ‘Ik zei: het licht uit in die bak. Gedogen? Dat gaan we niet meer doen.’

Na de brand in het overvolle café Het Hemeltje in Volendam in 2001 liet ze alle bezoekers in openbare gebouwen zoals het Goffertstadion tellen, of er niet te veel mensen in stonden, want dat waren allemaal potentiële slachtoffers. Ook als minister van Binnenlandse Zaken vanaf 2007 koos zij de kant van het echte of potentiële slachtoffer en van de harde aanpak. Ze wilde toen ook dingen regelen die ze als burgemeester niet had kúnnen regelen, zoals anoniem aangifte doen bij vrouwenhandel. En in het politieke debat over de vraag wat prioriteit moest hebben, veiligheid of privacy, koos ze steevast voor de eerste optie. Dus ook voor de verruiming van de mogelijkheid om verdachten in voorlopige hechtenis te nemen. ‘Het is toch krankzinnig dat de slachtoffers van een inbraak of van geweld de volgende dag de daders al weer kunnen tegenkomen!’ De verharding van de politiek tegenover daders kwam dus geenszins alleen van de vvd of het cda. Wel had haar partij altijd ‘zachtere’ oplossingen dan zijzelf. ‘Riep de vvd “repressie!”, riep mijn partij “preventie!”.’ Zij noemt haar partij ‘bestuurlijk-sociaal, niet juridisch’.

Dat Nederland wat betreft de strengheid van de straffen van hekkensluiter in Europa begin jaren negentig naar de kopgroep in het peloton is gekropen heeft tal van verklaringen. De deceptie over ‘de goede mens’ en ‘de maakbare samenleving’ vormt er de kern van. De recidivecijfers daalden namelijk niet, terwijl de welvaartsstaat toch elke dag welvarender werd. Waren er een kwart eeuw geleden nog zo’n tweeduizend tbs’ers, nu nog maar 1500. Het vertrouwen in ‘de verbetering’ is weggekwijnd.

Is er een bepaalde groep aan te wijzen die belangrijk, zo niet cruciaal, was in die ommekeer in de aandacht van dader naar slachtoffer? Ja, de vrouwenbeweging. Oftewel het onderwerp verkrachting en aanranding. Oud-officier van justitie Beatrijs Broers herinnert zich uit haar begintijd nog dat ze eens een Surinaamse advocaat tegenover zich had in een verkrachtingszaak, die met dat mooie, verontschuldigende en olijke ‘Raymann-accent’ zei: ‘Mijn cliënt had slechts het oogmerk tot het aangaan van een relatie, zij het een seksuele en wel meteen.’ Dat was besmuikt lachen in de rechtszaal.

‘Als je seksueel bent misbruikt, behandelen we dat gewoon op een openbare zitting, en noemen we ook gewoon je naam!’

De andere gesprekspartners uit de rechterlijke macht bevestigen dat je rond 1970 voor verkrachting hooguit een jaar kreeg, soms voorwaardelijk. De vlam in de pan voor de vrouwenbeweging in de jaren tachtig was de Amsterdamse rechter Gerbrandy. Hells Angels hadden vrouwen verkracht in hun honk. Gerbrandy zei toen: ‘Maar meisjes toch, meisjes met zúlke korte rokjes die vrágen er toch ook om verkracht te worden?’ Als slachtoffer bij zo’n rechtszaak zitten viel om meer dan één reden niet mee. Men mocht zelf niets zeggen, en de advocaat van de verdachte liet soms een aaneenschakelijking van suggesties, verdachtmakingen en beledigingen horen.

‘De vrouwen voelden zich in de rechtszaal vaak voor de tweede maal verkracht, deze keer psychisch’, zegt rechtsgeleerde Dorien Pessers in haar rietgekapte huis in Laren. Samen met de juriste en publiciste Heikelien Verrijn Stuart en enkele anderen richtte zij het tijdschrift Nemesis. Vrouwen en Recht op, met ook veel aandacht voor arbeidsrecht en familierecht. De vrouwen demonstreerden als er een tbs’er op proef0verlof opnieuw een vrouw had verkracht, zoals eind jaren tachtig in Groningen: de eerste Stille Tocht. Het was het begin van een lange reeks van wetswijzigingen: tegen stalking, vóór anonieme aangifte, en het inspreekrecht nu voor slachtoffers in het algemeen.

Medium 17 03 23 emo justitia cover1

De houding die Verrijn Stuart innam is een uitermate boeiende en leerzame. Zij behoorde tot de school der abolitionisten van Louk Hulsman, die het bestaande strafrecht liefst helemaal afschaften. Dit vanuit de gedachte dat de dader slachtoffer was van de onrechtvaardige maatschappij. Daarom verzette Verrijn Stuart zich ook sterk tegen elke emotionalisering van het strafrecht, en ook tegen de opkomst van het slachtoffer daarin. Dit werd dus een dilemma. Hoe de ‘zaak der vrouwen’ voorstaan zonder in woede en emotie te vervallen tegenover de dader? De oplossing van Verrijn Stuart kan schrander, en in elk geval vooruitziend, genoemd worden. Ze zei: we laten ons niet meer tot slachtoffer maken in de rechtszaal. We gaan geen aangifte meer doen bij het Openbaar Ministerie. Nee, we spannen een kort geding aan. Want een delict is ook altijd mede een onrechtmatige daad en daar heb je het civiele recht voor. In het civiele recht is de eiser wél partij, en heb je dus ook spreekrecht, in het geval van verkrachting, incest of aanranding om erkenning en schadevergoeding te eisen.

Toen ze dat voor de eerste keer deden, in 1986, was de rechter B.J. Asscher, een progressief man, die zei, vertelt Pessers: ‘“Laat al die dames maar tot mij komen in mijn salon.” En daar stond hij hen toe om een kort geding aan te spannen.’ Ook al ging het om strafbare delicten, hiermee koos men voor een alternatieve rechtsgang. Dit werd het bekende ‘Tegen haar wil-vonnis’. Asscher wees ook schadevergoedingen toe, en straatverboden. ‘Dát was empowerment!’ roept Pessers: ‘Je maakte van het slachtoffer een eiseres. Je hoefde niet langer je mond te houden en alles nog eens over je heen te krijgen!’ Die vergoedingen en verboden waren het begin van de huidige praktijk. Maar het inspreekrecht heeft de slachtoffers wel de rechtszaal in gevoerd. De vraag die Verrijn Stuart aan haar collega-feministen stelde was deze: ‘Als we ons in de juridische arena begeven, roepen we dan geen tegen de dader gerichte emoties en krachten op die we als juristen eigenlijk moeten bestrijden?’

Het recht is immers een zeer dubbelzinnig systeem, het kan grandioos zijn, maar ook perverteren. En dat laatste gebeurde. Want anders dan de strafrechter die ‘wettig en overtuigend bewijs’ moet hebben voor een veroordeling (en dat in een meervoudige kamer), kan de kortgedingrechter het in z’n eentje afdoen, en kan hij of zij aan één overweging genoeg hebben om te concluderen dat het bewijs het in een bodemprocedure wel zou kunnen uithouden, en dat dus een ‘voorlopige voorziening’ kan worden toegewezen. Daarom was zij voor de alternatieve rechtsgang van het kort geding. Maar wat ze vreesde, gebeurde. ‘Emancipatie van het slachtoffer was nodig’, zegt Pessers, ‘maar buiten het strafrecht om. Want toen kreeg je al, vooral in omgangszaken, die beschuldigingen van “mijn ex-man heeft aan mijn dochtertje gezeten”. Of: “Ik ben verkracht”, en al die andere valse getuigenissen.’

De advocaat Chris Veraart heeft er in 1997 een dapper boekje over geschreven: Valse zeden: Voor de schuur, in de schuur, na de schuur. Hierin bestreed hij de in aantal hand over hand toenemende valse strafrechtelijke aangiften, waarbij spijt en rancune vaak de drijfveer waren om iemand te beschuldigen van verkrachting of aanranding. In die gevallen, aldus Pessers, ‘wordt het strafrecht hysterisch, en gaat men op de emoties inspelen, en vooral op die van de media. En dat moeten we niet hebben. Het hele strafrecht is voor daders en verdachten geschreven.’

Na al die zaken met onvoldoende bewijs raakten de advocaten en rechters op hun hoede. Uit die behoedzaamheid én het verdere oprukken van het slachtoffer in het strafrecht is sinds enkele jaren het voorstel tot mediation en ook herstelstrafrecht opgekomen. Bij mediation is het idee om ook in strafzaken dader en slachtoffer al in een voor-juridische fase met elkaar in contact te brengen. Volgens mediator Janny Dierx, die hier een proefschrift over schreef, werkt dit goed. De nieuwste loot aan de stam is het herstelrecht, waarbij een vergoeding van dader aan slachtoffer centraal staat.

Intussen heeft het slachtoffer zijn plek in het strafproces gekregen. En zoals strafpleiter Gerard Spong zonder enige gêne zegt dat hij in Nederland de grondlegger is van de strafadvocatuur, zo kan een andere advocaat, een Amsterdamse gracht verderop, zeggen dat hij de grondlegger is van de slachtofferadvocatuur: Richard Korver.

‘Ik kom de rechtszaal binnen, de verdachte ontkent, het slachtoffer gaat los, en je voelt dat de dader al is veroordeeld’

‘Ik kom de rechtszaal binnen, de verdachte ontkent, het slachtoffer gaat los, en je voelt dat de dader al is veroordeeld’

Wie de flamboyant geklede Korver spreekt in zijn zithoek op kantoor heeft niet veel vragen nodig om het verhaal van zijn successen als slachtofferadvocaat te noteren. Hij was kort voor het gesprek bij de orde van advocaten geweest en had daar gezegd dat de slachtofferadvocaten zich niet goed door de orde vertegenwoordigd voelen. Volgens de orde moeten de rechten van de verdachten altijd zwaarder wegen dan die van het slachtoffer bij wetgevingsadviezen. Korver: ‘Ja, het slachtoffer komt in het Wetboek van Strafvordering maar één keer voor – Boek 1, Titel IIIA, Art 51a – maar dat betekent toch dat de rechten van het slachtoffer gewoon in de wet staan.’ Zijn klacht is dat sommigen doen alsof hij een of andere paria is die de rechtszaal in komt lopen. Zo van: daar hebben we wéér een partij die ons proces komt vervuilen. ‘Maar ik vertegenwoordig een justitiabele die zijn rechten komt incasseren. De rechterlijke macht houdt intussen wél rekening met ons.’

En dan volgt een résumé van wat we wel zijn rise to fame kunnen noemen: misschien wel de meest infame misdaad van deze eeuw, de zaak van de kinderverkrachter Roberts M., die opgepakt werd in 2010 en ter zitting kwam in 2011. Als de samenleving ergens over geschokt was, dan wel het grootschalige misbruik van baby’s en peuters op een crèche in Amsterdam door ‘de verzorger’. ‘Ik dacht’, vertelt Korver, ‘de wet inzake slachtofferrechten is veranderd met ingang van 2011. Dit is dus de eerste grote zaak met veel slachtoffers, waar veel media op zitten. Laten we daarom dossiers opeisen, en spreekrecht voor ouders. Op alle punten antwoordde het OM: “No way!”, krankjorum gewoon. Tot ze door de bocht gingen.’

Krankjorum is een lievelingswoord van Korver. Zo noemt hij het dat een minderjarige slachtoffer niet dezelfde bescherming tegen een openbare behandeling geniet als die een minderjarige verdachte wel geniet. ‘Maar als je seksueel bent misbruikt, dan behandelen we dat gewoon op een openbare zitting, en noemen we ook gewoon je naam, en laten de hele gang van zaken en detail de revue passeren. Ik zei, ik wil dat u die misbruikte kinderen een nummer geeft. “No way!” zei het OM, tot de toenmalige hoofdofficier Herman Bolhaar “oké” zei. Ik zei, die Roberts M. heeft baby’s uitgekozen omdat die niet konden praten. En dan zouden we deze dader gunnen dat niemand, ook de ouders niet, mag spreken? Krankjorum!’

Over de slachtoffers in het Nederlandse strafproces schreef Korver een boek: Recht van spreken. Zo’n 125 bladzijden zijn gevuld met ‘spreekrechtverklaringen’, de meeste van ouders in de zaak Roberts M. Zelden zal een procespartij in de afgelopen decennia zo snel zó veel succes hebben gehad als Korver met deze zaak, en met dit boek. Hij zond het naar alle Kamerleden, en naar staatssecretaris Teeven, die veel van zijn aanbevelingen in wetgeving omzette.

De nieuwste wetswijziging ten gunste van slachtoffers en nabestaanden wordt geenszins alom geaccepteerd; in de eigen kring van advocaten is er veel tegenstand. Korver schat dat binnen de zittende rechterlijke macht twee grote kampen zijn. Het ene zegt: ‘Och Jeetje, we hebben het al zo druk, laten we in godsnaam ophouden met slachtoffers!’ Het andere: ‘Welkom en doe mee, want het gaat om u.’ Een kleine groep zou nog twijfelen.

Naast de slachtofferadvocaten en ‘de politiek’ is ook het OM een drijvende kracht achter het spreekrecht voor slachtoffers. Er is een programma gestart, ‘Oog in Oog’, waarin de officieren van justitie minimaal één keer per jaar indringend met een slachtoffer moeten spreken. En dat is een van de redenen waarom er ook zoveel heftige tegenstanders zijn van de verschuiving van de aandacht van de dader naar het slachtoffer. Vroeger zei het OM: we zijn er om de wet toe te passen, misdrijven te bestraffen, en wij zijn er voor de samenleving. Oud-officier Henk Wooldrik wijst op de risico’s: ‘Vroeger was de houding tegenover het slachtoffer gênant, nu slaat het door. Het OM moet achter de dader aan gaan, en die vervolgen. Maar nu moet het ook spreken met het slachtoffer. En dat slachtoffer wil weten wat er gaat gebeuren. Maar de officier kan niks zeggen over wat de rechter besluit – zoals strafmaat of vergoeding. Hij kan het slachtoffer dus niks beloven. Dus wek je snel te hoge verwachtingen bij het slachtoffer.’

vvd-senator Sybe Schaap, die in 2016 enige ophef veroorzaakte met zijn boek Rechtsstaat in verval: Over de lange mars door instituties, heeft in zijn woonplaats Emmeloord het hart voor op de tong: ‘Waardeloos. Als het aan mijn fractie lag, draaiden we het zó terug.’ Net als anderen ziet hij deze gevolgen: ‘Vervuiling en emotionalisering van het strafproces’. Stams collega-senatoren van d66, toch van een partij die altijd voor de mondige burger was, stonden bij de behandeling van de laatste wetswijziging – spreekrecht, adviesrecht over strafmaat – ook afwijzend tegenover déze uitbreiding van het spreekrecht, als zijnde te rommelig georganiseerd en met te veel nadelen voor een ordentelijk strafproces.

Folkert Jensma is een van de weinige journalisten die de staat van de rechtsstaat zorgvuldig en met scherpe pen becommentarieert, en ook met regelmaat een ‘gewone’ rechtszaak bijwoont, in tegenstelling tot de meeste media, die alleen de meest opvallende zaken nog willen volgen. In zijn wekelijkse rubriek in NRC Handelsblad, waarvan hij tien jaar hoofdredacteur was, hekelde hij meermalen de emotionalisering van het strafrecht. En de bijgevolg verdere vermindering van de kansen van de dader op een eerlijk proces. ‘Ik kom de rechtszaal binnen, de verdachte ontkent, het slachtoffer gaat los, en je voelt dat de dader al is veroordeeld.’ Veel slachtoffers, en hun advocaten, zoeken direct na het gebeurde de media op, die de emotionele termen van de slachtoffers overnemen.

Zelf ervaren slachtoffers en hun nabestaanden een lage straf behalve als een teleurstelling ook als een belediging, als ‘respectloos’. In 2014 vloog er al een stoel door de zittingszaal toen een Poolse automobilist een werkstraf van 150 uur kreeg voor het doodrijden van twee grootouders en hun kleinkind. De vader smeet die stoel, en werd toen zelf als dader afgevoerd. Geen fijne tv-beelden voor ‘de publieke opinie inzake het strafrecht’. In hoger beroep werd de werkstraf overigens veranderd in vijftien maanden cel. Jensma concludeert: ‘Wie voorkomt dat de rechter straks klappen krijgt?’ Hij beklemtoont, op de redactie van zijn krant aan het Rokin: ‘Het strafrecht is geen vergeldingsmachine.’ Het spreekrecht leidt tot verdere polarisatie in de bevolking en tot verdere verharding van de houding tegenover verdachten en daders. ‘Het OM is nu vooral de belangenbehartiger geworden van het slachtoffer. En de emoties in die gesprekken met hen vormen nu de drijvende kracht achter hun requisitoir.’

Dat slaat een fatsoenlijk en fair proces verder uit het lood, meent hij: ‘De hele zitting stond altijd al in het teken van het dossier, dat eenzijdig is opgebouwd en vooral gaat over de schuld van de verdachte. De onschuld van de verdachte – toch de kern van het strafrecht: onschuldig tot het tegendeel bewezen is – en de nuances en de interpretaties zitten aan het eind. En dat beeld van een eenzijdige zitting wordt nog versterkt doordat de advocaat van het slachtoffer en soms ook het slachtoffer zelf eerder aan het woord komt dan de verdachte.’

Rechtsgeleerde Dorien Pessers is het met Jensma eens: ‘Het strafrecht is geschreven om de waarheidsvinding zo rustig en ongestoord mogelijk te laten plaatsvinden, ter bescherming van de rechten van de verdachte. Wanneer we de slachtoffers zo’n grote rol geven, dan krijgen we een heel ander strafrecht.’ In haar oratie als hoogleraar aan de VU in 2002 – Big Mother: Over de personalisering van de publieke sfeer – waarschuwde ze uitvoerig voor de ontwikkeling dat burgers in onze verzorgingsstaat de overheid steeds meer als een zorgende moeder zijn gaan zien die naast de veiligheid op straat ook al hun privé-wensen – een kind, een coach, wat niet – door de staat vervuld willen zien. Ze eindigde als een Kassandra: ‘De dreiging van totalitarisme is zeker niet denkbeeldig waar de imaginaire identificaties van de burger met de staat zich wreken op het terrein van de veiligheid (…) De woede van de burgers om een falende Big Mother dreigt daarom om te slaan in de roep om een sterke man, een autoritaire Big Father.’

Pessers kreeg gelijk. Fortuyn, daarna Wilders en de vvd riepen steeds vaker om harde maatregelen. Het sterk politiek gestuurde OM volgde. En ook andere media dan De Telegraaf en sbs gingen steeds vaker en intenser de emotionele gevolgen van misdaad voor de slachtoffers en nabestaanden belichten. Gebruikten OM en rechter bij heftige misdaden steeds vaker de juridische term ‘ernstig geschokte rechtsorde’, slachtoffers en hun advocaten riepen steeds vaker over hun eigen geschoktheid, en over de geschoktheid van ‘de maatschappij’. Maar de rechtsterm ‘ernstig geschokte rechtsorde’ is van rubber, soms zelfs net zo slecht vast te pinnen als een vlaai tegen de muur. De vraag die bij al deze ontwikkelingen moet worden gesteld is deze: zijn we zo niet op weg naar emotiestrafrecht?


Dit artikel is aangepast op 10 april 2017.

Henri Beunders is hoogleraar ontwikkelingen in de publieke opinie aan de Erasmus Universiteit. Met dank aan mr. Olguita Oudendijk voor de onderzoeksassistentie. Dit stuk kwam mede tot stand dankzij steun van Fonds 1877

Dit is deel 1 van een serie artikelen over deze vraag.