Koos van Zomeren neemt afscheid van de natuur

‘Ik loop vaak met een gevoel van verlies rond’

Met veel diersoorten gaat het beter dan dertig jaar geleden, toch toont Koos van Zomeren zich in zijn laatste boek weinig optimistisch over de staat van de Nederlandse natuur. Een gesprek over gefnuikte ambities en misplaatst triomfalisme van natuurbeschermers.

MET EEN COLUMN over mestkevers nam Koos van Zomeren vorig jaar afscheid van NRC Handelsblad, de krant waarvoor hij de meeste van zijn stukken over de natuur heeft geschreven. ‘Dit was de laatste aflevering van mijn laatste serie in deze krant’, schreef hij aan het eind van die column, die is opgenomen in Naar de natuur, een boek van vierhonderd pagina’s dat bedoeld is als een soort summing up van dertig jaar schrijven over dieren, planten, en bomen.
Het betekent niet dat Van Zomeren, inmiddels 65, de natuur niet meer in trekt - al was het maar om zijn hond uit te laten. In zijn huis aan de rand van Arnhem, aan de rand van de Veluwe, zegt hij: 'Maar die hond heb ik natuurlijk omdat ik hem iedere ochtend moet uitlaten. Vanmorgen was het mistig, en ik dacht: moet ik wel naar het Deelerwoud gaan, ik moet met de auto, dat zijn dan toch weer twintig kilometers. Ik dacht: ik kan misschien beter morgen gaan. Maar dan loop je daar, dan begint de zon door te komen, en dan staan daar grote groepen edelherten midden op de hei, nog niet verstoord, om zo te zeggen nog in hun nachtstand, groepjes mannetjes, kuddes van tientallen wijfjes. Ik ben niet zo op herten maar ik zie ze natuurlijk wel. Even later zag ik een klapekster, en daarna zag ik er nog een. Dat was voor het eerst dit jaar, dat ik er twéé scoorde.’
Daar maakt hij, eenmaal thuis, dan toch weer een aantekening van. 'Ik vind genieten van de natuur zonder erover te schrijven heel moeilijk. Als je langer dan dertig jaar in de natuur hebt rondgelopen om erover te schrijven… ik zou niet goed weten wat ik in de natuur moest als ik niet het idee had: hier ga ik wat mee doen, en dat is dan toch aantekeningen maken.’

Over de klapekster.
'Dat zijn heel decoratieve vogels. Echte wintergasten, en dan nog dun gezaaid, in Nederland zijn er maar zo'n driehonderd. Je ziet ze vooral op heidevelden, of op zeer verruigde weilanden, maar vroeger schijnen ze ook langs de grote rivieren te hebben gezeten. Ze hebben de reputatie wrede vogels te zijn, omdat ze muizen en hagedissen aan doornen prikken. Ik vind het onzin om in dat soort termen te praten. Ze hebben geen keus want ze hebben geen echte haaksnavel, zoals roofvogels en uilen, en niet zulke klauwen, dus ze moeten wel. Maar zo'n kronkelende hagedis aan een doorn is natuurlijk geen vrolijke aanblik.’

Je wilde met dit boek de balans opmaken: wat is natuur nog in dit land?
'Met veel diersoorten, zoals de das, de zeehond, de ooievaar, gaat het beter dan dertig jaar geleden. En toch loop ik vaak met een gevoel van verlies rond. Omdat je overal mensen tegenkomt, zodat je soms de indruk krijgt van een natuur die wordt platgewalst door haar eigen liefhebbers. Maar meer nog omdat… Kijk, op school leerde ik nog dat er “woeste gronden” in Nederland waren, gebieden waar we niks mee konden beginnen. Die lagen in Drenthe, de heidevelden, al was de mens daar eigenlijk al wat mee begonnen, want heide is cultuurlandschap, en het waren de komgronden langs de grote rivieren, waar zich klei had afgezet. Bijvoorbeeld bij Herwijnen, waar mijn vader vandaan komt. Die grond kon maar marginaal worden bewerkt, daar kon je misschien één keer per jaar maaien, soms werd er jongvee in gezet. Nu worden die woeste gronden, of wat ervan over is, door natuurbeschermingsorganisaties beheerd. Natuurbeheer is een menselijke activiteit geworden, we creëren nu natuur. In mijn boek schrijf ik ergens dat de natuur ooit bestond ondanks onze inspanningen om haar te onderwerpen, maar dat zij nu bestaat dankzij onze inspanningen om haar te behouden. De natuur, die een prestatie van God was, is veranderd in een prestatie van subsidie ontvangende organisaties als Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten. Maar ik geef toe dat als die prestaties van natuurbeschermingsorganisaties er niet waren, ik nog minder had om over te schrijven.’
Hij denkt even na en zegt dan: 'Ik zou ingrepen in de natuur beter kunnen accepteren als het met spijt gebeurde, maar het gebeurt zo triomfantelijk allemaal. Het zijn allemaal overwinningen van de mens op de natuur. Maar wat brengen die overwinningen ons? Wat wij in plaats van de natuur creëren, is dat beter, mooier, ontroerender dan wat er al was? Ik ben niet tegen de rondwegen die om al die dorpjes in de Achterhoek worden aangelegd, maar ik zou willen dat het met spijt en schaamte gebeurde. In het triomfalisme waarmee die linten worden doorgeknipt herken ik me niet.’
In de nabije toekomst lijkt het er niet beter op te worden. Natuurbeschermingsorganisaties hebben de afgelopen weken unaniem grote bezwaren geuit tegen de nieuwe natuurwet van staatssecretaris Henk Bleker. Veel dier- en plantsoorten dreigen hun beschermde status te verliezen. De Ecologische Hoofdstructuur, die voor de verbinding van veel natuurgebieden in het Groene Hart zorgt, alom als een grote verworvenheid gezien, wordt losgelaten.
'De zaak wordt gewoon weer omgedraaid’, zegt Van Zomeren, 'de natuur wordt weer benaderd als een fenomeen dat onze economie bedreigt. Terwijl de laatste vijftig jaar nu juist hadden geleerd dat de natuur een fenomeen is dat bedreigd wordt door onze economie. Maar dit boek is pre-Bleker. Anders had ik me misschien afgevraagd of ik om politiek-tactische redenen niet wat voorzichtiger had moeten omgaan met de reputatie van allerlei natuurbobo’s. Gelukkig maar dat ik niet in dat dilemma verzeild ben geraakt. Wat Bleker doet is natuurlijk erger dan wat daarvoor gebeurde. Dit kabinet is echt aan het stemming maken tegen de natuur. Maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik me niet meer verdiep in de details. Sowieso heb ik altijd een grote weerstand gehad tegen het lezen van nota’s en rapporten. Ik wil gewoon niet door dat soort taal besmet worden.’
Na een korte stilte zegt hij: 'Ik zie Bleker als een soort monster van Frankenstein, gecreëerd door programma’s als Pauw & Witteman en De Wereld Draait Door. Als ze merken dat zo'n man scoort met z'n jolige boertigheid, dan mag-ie vaker komen. Reken maar dat ze bij dat soort programma’s van iedere gast per seconde bijhouden hoe snel mensen ervan wegzappen. Zo'n Bleker is op die manier een fenomeen op zichzelf geworden. Maar de Vara vraagt zich niet af wat het inhoudelijk betekent. Zonder P&W en DWDD zouden we niet met die man op het ministerie opgescheept zitten.’

TWEE JAAR GELEDEN publiceerde Koos van Zomeren de roman Die stad, dat jaar, waarin hij een beeld schetst van de maoïstische SP in Nijmegen begin jaren zeventig, waar hij toen nog deel van uitmaakte. Aan het eind van dat decennium brak hij met de SP en begon hij voor Nieuwe Revu over de natuur te schrijven. In Naar de natuur noteert hij dat hij indertijd 'de natuur inging om ideologie en retoriek letterlijk uit te zweten’.
'Ik wilde ontkomen aan het dictum van de vooruitgang, goed en kwaad in maatschappelijke zin’, vertelt Van Zomeren. 'Voor mij was natuur een terrein waar ik buiten de sfeer van de ethiek was, even met vakantie. Je kon je geweten thuis laten. Op het moment dat een sperwer een spreeuw slaat, is er geen goed en kwaad, er is alleen maar een spreeuw die in nood zit en waarmee je kunt sympathiseren, of een sperwer die eten nodig heeft en waarmee je ook kunt sympathiseren. Er is niks anders. De vraag of je het ermee eens bent met wat daar gebeurt, die mij enorm was gaan benauwen binnen de SP, is niet aan de orde. De natuur als ontsnappingsveld, van een moreel naar een amoreel universum. Waarmee ik niet wil zeggen dat mensen daar een voorbeeld aan moeten nemen. Het is typisch voor ons dat we in morele termen denken. Maar wat mij het meest interesseert is tijdloze, mooie, ontroerende, grappige dingen schrijven, bijna buiten de maatschappelijke context waarin ze zich voltrekken. Maar uiteindelijk stuit je ook in de natuur, althans in Nederland, overal op die context.’

Erg vrolijk lijk je daar niet van te worden, misschien ook omdat je toch weer in het universum van 'goed en kwaad’ terecht bent gekomen? De Oostvaardersplassen bijvoorbeeld, je noemt dat gebied in je boek 'een façade voor een stalinistische natuuropvatting’.
'Gebieden als de Oostvaardersplassen, ontworpen natuur, zijn een aantasting van mijn natuurbegrip. Natuur is nu net waarover wij géén macht hebben, iets wat groter is dan wijzelf. Op zich ben ik niet tegen natuurbescherming, maar wel tegen de pretenties die ervan uitgaan. Tegen Cees Veerman, oud-minister van Landbouw, en oud-voorzitter van Natuurmonumenten, heb ik een keer gezegd: “Ik heb liever dat de natuur als een prestatie van God dan als een prestatie van de mens wordt beschouwd.” Hij, als christen-democraat, zei toen, en dat is toch wel wrang: “Ja, meneer Van Zomeren, maar wij willen toch graag die borden erbij, dan kunnen de mensen zien waar hun belastinggeld heengaat.” Dat is van een zo andere orde… maar ik snap het natuurlijk wel.
Het is een soort noodlot dat je met je meedraagt. Doordat je verstand krijgt van dingen kom je vanzelf in een fuik terecht. Je gaat zien wat er veranderd is, hoe andere mensen zich ermee bezighouden, en hoe het dan slechter wordt, meestal, dan het vroeger was. Bij die sperwer die die spreeuw slaat, doet het er niks toe of ik het ermee eens ben of niet, maar de natuurbeschermingsorganisaties die zich bezighouden met de bescherming van hetzij de spreeuw hetzij de sperwer of misschien van het hele ecosysteem waarin die beesten leven, die vragen wel degelijk aan mij of ik het eens ben met de dingen die ze doen. En Bleker natuurlijk ook. In al die tijd dat ik over de natuur heb geschreven is de bemoeizucht van mensen met de natuur enorm toegenomen, ten goede en ten kwade. Waardoor ontwikkelingen nog weer afhankelijker zijn geworden van beslissingen die we nemen, de verrichtingen die we plegen. Ik bedoel, eind jaren zeventig lag de natuur nog min of meer op z'n gat, hoewel de roofvogels, de aalscholver, zich toen net begonnen te herstellen. Maar het was een dieptepunt. In zo'n situatie kan een politicus eigenlijk niet veel kwaad aanrichten. Ondertussen is in die dertig jaar wel degelijk vooruitgang geboekt en nu kan beleid weer veel schade aanrichten. Dus word je gedwongen je mening daarover te vormen.’

In je boek laat je je af en toe ook scherp uit over vissers.
'Moet de rosse grutto van het wad worden verjaagd voor het inkomen van een paar garnalenvissers, weegt dat ertegen op? Ook de mossel- en kokkelvissers richten daar grote schade aan. Afgezien daarvan vind ik dat vissen ten onrechte niet tot het dierenrijk worden gerekend. Als je ziet hoe zo'n net leeg gaat op zo'n vissersboot, dat is gruwelijker dan wat in slachthuizen gebeurt.
Er zou ook erkenning moeten komen van het feit dat dieren ongelukkig kunnen zijn. En als dat zich over langere perioden uitstrekt is dat misschien nog wel erger dan pijn. Ik denk dat als een beest z'n programma niet kan uitvoeren, het programma waarmee je geboren wordt… dat geldt natuurlijk voor varkens in de bio-industrie, en voor koeien die daar steeds meer in worden gezogen, maar zelfs als je paling bent en ergens opgesloten zit, en niet naar de Sargassozee kunt trekken, voel je je waarschijnlijk niet lekker. Het bewustzijn “hier ben ik niet voor op de wereld” zal er niet inzitten, maar is natuurlijk wel in zo'n dier verdisconteerd op de een of andere manier.
Het dwangmatige gedrag dat wolven en tijgers in dierentuinen tonen, dat is om zichzelf te drogeren. Het is een teken van stress. De drugs die ze zichzelf zo toedienen maakt het leven in een kooi draaglijk. Hier in Burgers’ Ocean zie je haaien hetzelfde doen, voortdurend dezelfde patronen. Maar dan speelt toch weer, ach, het zijn maar haaien, vissen. Ik begrijp het onderscheid niet.’

Het is moeilijk voorstelbaar dat je nu nooit meer over de natuur zult schrijven.
'Ik heb mijn aantekeningen over hazelwormen nog, dat gaat ongetwijfeld nog eens een boekje worden. Ik ben erg gesteld op kleine boekjes. Het leven heeft geen geheimen, een roman die ik in 2004 publiceerde, telt iets meer dan honderd bladzijden, net iets meer dan een novelle, een beetje hit and run, guerrilla-achtig, je op één ding concentreren. Niet iedere keer het hele leven, wat Naar de natuur weer wel doet. Maar in maart had ik nog het idee: dit is mijn laatste boek, ik doe er niks meer aan. Ik was bitter, niet over het succes of het wansucces van de natuur maar over de ontvangst van mijn werk. Ik heb overwogen het hele boek weg te flikkeren. Ik was echt bitter, vooral door het echec van Die stad, dat jaar. Het heeft me echt gekweld dat dat boek niet werd opgemerkt.’

Toch kan iemand als jij toch moeilijk klagen over gebrek aan erkenning of succes.
'Ik heb altijd van het schrijven kunnen leven, zo bezien mag ik inderdaad niet klagen. Maar ik heb ook het gevoel helemaal in de periferie van de literaire wereld te zijn terechtgekomen, terwijl ik eigenlijk in het hart daarvan wou staan. Er zijn zat boeken, bijna zestig, eerder te veel dan te weinig, maar het is een rafelig oeuvre dat misschien niet gemakkelijk genoeg gedefinieerd kan worden. In 2002 kreeg ik van het Prins Bernhard Cultuurfonds een prijs voor natuurbehoud, en dat leverde vijftigduizend euro op, waar ik meer dan een jaar van kon werken. Maar dat was niet mijn ambitie, mijn ambitie was een literaire prijs. Voor mijn gevoel heb ik mijn ambities maar gedeeltelijk gerealiseerd. Ik moet er wel bij zeggen dat ik ook niet een enorm talent heb om tevreden te zijn.’

_Dus er komt nog een boek over hazelwormen? _
'Toen ik klaar was met Naar de natuur was ik echt van plan nooit van mijn leven meer een boek te schrijven, en me ook niet te gaan bemoeien met waar het terecht kwam en hoe het besproken werd. Maar ja, dat hou je toch niet vol, en ik heb inmiddels op een literaire bijeenkomst gezegd: dit is mijn laatste boek voor de komende anderhalf jaar. En dat is het wel. Maar als mensen straks zeggen: ik koop je nieuwe boek over hazelwormen niet want je hebt toen gezegd dat je nooit meer een boek zou schrijven, dan hebben ze groot gelijk.’


Naar de natuur. Journaal , dat dit najaar bij De Arbeiderspers verscheen, bestrijkt een periode van bijna anderhalf jaar, t/m september 2010. In het boek worden dagboekaantekeningen afgewisseld met de columns en verhalen die Koos van Zomeren in dezelfde periode voor NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer schreef, en de columns die hij in het radioprogramma Vroege vogels voorlas. Met dit boek wil Van Zomeren de balans opmaken van dertig jaar schrijven over de natuur. Zowel in de columns als in de dagboekaantekeningen refereert hij vaak aan observaties van dieren of planten die hij eerder deed, soms decennia geleden, waardoor iets als een historische context ontstaat, een beeld van wat er in die dertig jaar is veranderd. Tegelijkertijd ontstaat een soort intellectuele context doordat Van Zomeren in zijn dagboekaantekeningen laat zien onder welke omstandigheden de columns en verhalen zijn ontstaan.


Zondag 27 november om 14.00 uur geeft Koos van Zomeren in het Kröller-Müller Museum te Otterlo een lezing over zijn boek Naar de natuur.