Beroepsprovocateur: Erik van Lieshout

‘Ik mag altijd alles niet’

Erik van Lieshout maakt van alles kunst, maar dan wel op zijn eigen, weinig subtiele manier. Onvermoeibaar stort hij zich in onbekende werelden om te prikken en prikkelen. ‘Ik denk altijd dat alles mislukt en daarom blijf ik maar aan de gang.’

‘Lust je een alcoholvrij biertje?’ We zijn nauwelijks gaan zitten, in zijn appartement in Rotterdam, of Erik van Lieshout (Deurne, 1968) haalt twee blikjes bier te voorschijn. Geen alcohol, daar is hij al acht jaar geleden mee gestopt. Wel Heineken, natuurlijk.

Erik van Lieshout zoekt de mensen graag op, liefst een beetje de verschoppelingen, mensen uit ­achterstandswijken, verslaafden, zwervers, ­extreem-rechts- of linksgezinden © Jussi Puikkonen / KNAW

We spraken hier af en niet in zijn studio, omdat hij thuis aan iets nieuws werkt. De sporen daarvan zijn her en der zichtbaar: op een muur staat in grote zwarte plakletters REIKI, op een keukenkastje de naam FREDDY, er zijn stukken uit een wand gebroken en achter de knalgroene bank is een grote ster in de muur gezaagd. Van Lieshout: ‘Ik ben een nieuw soort state of mind-film aan het maken. Gewoon in mijn huis. Ik ben aan het uitzoeken wat voor invloed het winnen van die prijs op mij heeft. En wat voor concern Heineken eigenlijk is. Want die doen het natuurlijk ook fout op het moment, met die Afrika-meisjes, heb je dat gelezen in de krant?’

Eerder dit jaar publiceerde NRC Handelsblad over de onthulling van Olivier van Beemen dat Heineken in Afrika promotiemeisjes inzet om de verkoop te stimuleren. Een deel van hen wordt lastiggevallen onder werktijd, moet naar bed met leidinggevenden en prostitueert zich aan klanten, schreef Van Beemen, die vijf jaar onderzoek deed naar de activiteiten van Heineken in Afrika en daar een boek over publiceerde. Heineken heeft de zaak inmiddels ook zelf onderzocht. ‘Ik ken die mensen van de Heinekenprijs natuurlijk goed’, zegt Van Lieshout, ‘dus daar zit ik dan een beetje mee. Kun je daar kritisch mee omgaan? Aan de andere kant is het misschien helemaal niet zo interessant om daar iets mee te doen. Maar ik vraag me dat wel af.’

Typisch Van Lieshout: ontwapenend eerlijk, op het naïeve af, en voortdurend met zichzelf en de wereld in de knoop. Provoceren is van meet af aan zijn grootste hobby. Begin jaren negentig zat hij op het prestigieuze opleidingsinstituut De Ateliers, waar hij les kreeg van grote meneren als Jan Dibbets, Nederlandse nestor van de conceptuele kunst, en Chris Dercon, die later directeur zou worden van onder meer Tate Modern en de Volksbühne Berlin. Van Lieshout vond het maar saai wat er om hem heen werd gemaakt. Zijn helden waren Neue Wilden als Jörg Immendorff, Albert Oehlen en vooral Martin Kippenberger, zelfverklaard genie die een schilderij van Gerhard Richter als koffietafeltje gebruikte. Van Lieshout luisterde naar gangsterrap en maakte totaal tegen de correcte tijdgeest in grote schilderijen van zwarte mensen aan het spit, vagina’s en achterwerken, van borsten die tussen liftdeuren geklemd zitten (Zonder tieten, 1993), en van bijvoorbeeld een vliegend tapijt met een gat erin (Zonder Turk, 1994). De kunstwereld, masochistisch als zij is, smulde ervan, van zoveel rauwe schilderdrift, zoveel onverschrokkenheid en zoveel, ja, wansmaak.

In 1999 werd hij tweede bij de Prix de Rome in de categorie schilderen, maar dat medium was hem toen eigenlijk al ‘te beperkt’ geworden. In Berlijn, waar hij een periode verbleef om zich te laten inspireren door de grootstedelijke energie, maakte hij zijn eerste videowerk emmdm (1999), oftewel ‘Erik and Maarten Making Deutsche Marke’. Hierin zien we Van Lieshout en een vriend, tamelijk shabby gekleed en met dozen op hun hoofd, door Berlijn rijden in een oude Mercedes. Begeleid door een stevige hiphopbeat. Als ze een splinternieuwe Mercedes voorbij zien komen, rijden ze die klem, en slaan de twee zwarte jongens die erin zitten in elkaar. Ze trekken de kleren van die jongens aan (‘Fubu, van dat glossy spul’) en halen de dozen van hun hoofd. Twee zwart geschminkte gezichten met Afro-pruiken komen te voorschijn. De twee gangster-Pieten stappen in de nieuwe Mercedes, om hem vervolgens grijnzend te pletter te rijden tegen een muur.

Je vraagt je af of Van Lieshout in het huidige tijdsgewricht nog weg zou komen met dit soort werken. ‘Denk het niet’

Drie minuten duurt deze verknipte rollercoaster, even shocking als hilarisch, regelmatig op zaal te zien in Museum Boijmans Van Beuningen. Je vraagt je af of Van Lieshout in het huidige tijdsgewricht nog weg zou komen met dit soort werken. ‘Of zo’n neger aan het spit nu ook nog zou kunnen? Denk het niet nee.’ Maar op de vraag of hij er iets van merkt dat de huidige tijd nieuwe gevoeligheden met zich meebrengt en nieuwe stemmen zich roeren: ‘Neuh, ik trek me daar niet zoveel van aan. Ik heb altijd te maken met censuur. Ik mag altijd alles niet.’

Sinds begin deze eeuw bestaat zijn werk uit zowat alles wat je maar bedenken kunt, schilderijen, tekeningen, collages, foto’s, animaties en videowerken, die hij vaak met elkaar combineert in ruimtevullende installaties van een hoog houtje-touwtjegehalte. Van Lieshout kan van alles kunst maken, bleek ook op zijn eerste overzichtstentoonstelling in 2001 in het Groninger Museum, Naughty by Nature, naar de gelijknamige Amerikaanse hiphopformatie. Een van de hoogtepunten van die show was een enorme witte doos gemaakt van aan elkaar getapete losse dozen, een wankele bouwval die een pillendoos moest voorstellen van het malariamedicijn Lariam. Daar kon je op eigen risico inkruipen om de video Lariam (2001) te bekijken, Van Lieshouts hilarische zoektocht naar de roots van hiphop in Ghana, postkolonialisme, en de vraag waarom witte middenklassejongeren zich toch zo graag de zwarte cultuur toe-eigenen. Van Lieshout zelf krijgt een cursus rappen, waarna hij van de Lariam-bijsluitertekst een aanstekelijke rapsong maakt.

Zich vol overgave storten in een wereld die niet de zijne is, om als buitenstaander de boel op scherp te stellen, is iets wat Van Lieshout alsmaar meer is gaan doen. Hij zoekt de mensen graag op, liefst een beetje de verschoppelingen, mensen uit achterstandswijken, verslaafden, zwervers, extreem-rechts- of linksgezinden. Een tijd lang was zijn thuisstad Rotterdam zijn favoriete onderwerp, de achterstandswijken, over Pim Fortuyn maakte hij meerdere tekeningenseries. In 2010 runde hij een tijdje een winkel vol schroefjes, moertjes, boutjes, glazen platen, metalen buizen, dennenappels, bloemen, thermometers, telefoons, magnetrons – werkelijk van alles – in het Rotterdamse winkelcentrum Zuidplein, om de hoek van zijn atelier. Op de glazen pui: ‘ERIK MAAKT GELUKKIG’. Daarboven: ‘Echte luxe is niets kopen’. Hij ging er op zoek naar de mens achter de achterstandswijkbewoner en naar wat er over is van Winkelcentrum Zuidplein, ooit gelanceerd als toonbeeld van grootstedelijke harmonie. Een sociologisch experiment, maar dan op z’n Van Lieshouts: allesbehalve subtiel, recht op zijn doel af, altijd op zoek naar de confrontatie en geen precaire situatie schuwend.

Zijn status is ondertussen al lang internationaal – zijn werk wordt voor on-Hollandse prijzen verkocht bij Annet Gelink Gallery in Amsterdam, maar ook door galeries in Berlijn, Wenen, Londen en New York. Overal reageren ze net even anders op wat hij maakt. Van Lieshout: ‘In Engeland pikken ze mijn werk alleen maar op vanwege de humor, omdat ze daar een traditie in hebben. In Duitsland nemen ze mijn werk veel serieuzer. De humor komt daar anders over. Ze waarderen vooral de betrokkenheid met de maatschappij en het provocatieve. Het sluit aan bij wat ze kennen van mensen als Kippenberger en Christoph Schlingensief.’

In Duitsland vergelijken ze Van Lieshout met Tijl Uilenspiegel, de folkloristische deugniet, zo vrij als een vogel, die zich telkens kort ergens vestigt en een maaltijd bij elkaar probeert te verdienen door mensen te verleiden hun ware aard te tonen. Die alles doet om mensen hun trotse verlangen om deugdzaam en competent over te komen te ontnemen – inclusief dat van zichzelf. Daar zit wel iets in, want geen andere kunstenaar houdt zo zijn eigen tekortkomingen als mens en als kunstenaar tegen het licht als Van Lieshout. Daarbij laat hij ons erg dichtbij komen, zo dichtbij dat het regelmatig ongemakkelijk wordt.

Erik van Lieshout, Zonder titel, 2018. Collage, 29,7 x 21 cm © courtesy Erik van Lieshout en Annet Gelink Gallery

In Sex is Sentimental (2009) etaleert hij bijvoorbeeld zijn verwarring, nadat hij verliefd is geworden op zijn assistente. De verliefdheid zit hem behoorlijk in de weg: ‘Wil ze wéér langskomen. Ik wil gewoon kunst maken!’ Tegelijk is hij door het dolle heen en blijft hij maar zeggen hoeveel seks ze wel niet hebben – op een toon van ‘dat is toch niet normáál?’ Maar de verliefdheid raakt bij hem ook een diepere snaar: hij vraagt zich af of hij evenveel van een mens kan houden als van kunst.

‘Ik vind het altijd interessant als dingen niet mogen. In veel landen, zoals Rusland, mag niks, dat vind ik het leukst’

Op een gegeven moment ligt hij hierover naakt in het gras te mijmeren: ‘Weet ik wel wat houden van is? Ja, ik hou van kunst. Het impressionisme, goh wat hou ik daarvan. Monet, Cézanne, geweldig. Maar hou ik ook van de liefde? Nee, ik hou niet zo van mensen.’ De beelden van hemzelf en zijn atelier worden zoals vaker in zijn video’s afgewisseld met animaties op basis van tekeningen, handgeschreven teksten en krantenknipsels. Hoe persoonlijk en intiem ook, uiteindelijk is Sex is Sentimental een zoektocht naar de vraag hoe de liefde een onderwerp van kunst kan zijn.

Eigenlijk is al zijn werk persoonlijk, legt Van Lieshout uit: ‘Het begint altijd hyperpersoonlijk en uiteindelijk wordt het groter dan mijzelf. Bijvoorbeeld dat werk over Zuidplein, toen woonde ik in Keulen maar ik had geen zin meer. Ik had gewoon heimwee, naar Rotterdam. Het moet mezelf prikkelen, dat is het belangrijkste. Ik gebruik ook volop therapieën in mijn kunst. Ook nu heb ik weer continu op die Heineken-bank hier gezeten met een therapeut. Voor de film die ik maak is het niet zo interessant. Maar goed, toch weer nieuwe inzichten.’

In 2003 wordt hij geselecteerd voor de Nederlandse inzending van de Biënnale in Venetië. In 2011 schopt hij het tot een van de meest ontregelende vpro-Zomergasten ooit. Hij toonde fragmenten van onder anderen Klaus Kinski die als Jezus Christus optreedt, Joseph Beuys die een anti-Reagan-protestlied zingt op de Duitse televisie, en het Ausländer raus!-project van Christoph Schlingensief in Wenen. Allemaal beroepsprovocateurs die hij bewondert. Hij vertelde, openhartig als altijd en met zijn typische hoge stem en Brabantse tongval, over het links-activistisch nest waar hij uit komt, hoe hij na zijn protest tegen kruisraketten begon met borduren, niet naar de kappersschool mocht van zijn ouders en toen op de kunstacademie belandde. Een grap, dachten veel kijkers, maar aan Van Lieshout, en aan alles wat hij doet trouwens, is altijd alles echt.

En toch lijkt men vaak geen idee te hebben wie ze in huis hebben gehaald, als hij weer eens is uitgenodigd voor een of ander groot kunstevenement. Zoals toen hij in 2014 gevraagd was om mee te doen aan Manifesta, een van de belangrijkste tweejaarlijkse tentoonstellingen ter wereld, die toevallig in Sint Petersburg plaatsvond op het moment dat Rusland Oekraïne was binnengevallen. Een gevoelige kwestie, die Manifesta-curator Kasper König noopte om een verklaring uit te doen waarin hij aangaf dat hij geen goedkope provocaties wenste. Koren op de molen van Van Lieshout natuurlijk, die voor Manifesta de keldergang onder de Hermitage, waar vrouwelijke suppoosten een gemeenschap van circa zeventig zwerfkatten verzorgen, een make-over gaf. Dit moeizame proces van twee maanden, waarbij hij continu in aanvaring kwam met de leiding van het museum, resulteerde uiteindelijk in de wervelende film The Basement (2014), die, ondanks het verzoek van de Manifesta-organisatie, keihard gaat over Rusland onder Poetin, homorechten, de inname van de Krim, censuur en Pussy Riot. ‘I want cheap provocation!’ schrijft Van Lieshout doodleuk op tekenvellen in de film, die vertoond wordt in een lange tunnel van hout en tapijt, volgeplakt met kopieën van politiek beladen tekeningen en foto’s van de poezen in de kelder.

‘Ik vind het altijd interessant als dingen niet mogen’, zegt Van Lieshout. ‘In veel landen, zoals Rusland, mag niks, dat vind ik het leukst. Dan krijg je echt tegenwerking. Ik probeer nu maar simpel te zeggen dat je kunt proberen om zo’n hele maatschappij wat toleranter te maken, wat uit elkaar te trekken, vrijer te maken. Maar in de praktijk werkt het natuurlijk anders, komt het vaak gewoon neer op actievoeren. In het echt is het allemaal heel naïef. Dan ga ik er gewoon vol in.’ Zo ook in India, waar hij in 2016 was uitgenodigd voor de Kochi-Muziris Biënnale in Kerala. Als hij daar aankomt, heeft hij nauwelijks een idee van wat hij wil gaan doen, alleen dat hij twee geitjes wil hebben. In de film G.O.A.T. (2016) die dit opleverde, zien we dat hij na lang gesteggel met de organisatie hier toestemming voor krijgt, zolang ze maar in zijn studio blijven. Dus koopt hij twee geitjes voor het equivalent van 55 euro, Danny Boy en Lady, die vrolijk ronddartelen en elkaar constant bespringen. Ondertussen doet hij bizarre performances geïnspireerd op religieuze afbeeldingen die het makke geduld van de bezoekers tarten, zoals rondlopen met een imaginaire fakkel of een stok op zijn armen wiegen en luid ‘papa!’ schreeuwen.

Erik van Lieshout, De winkel, juni - september 2010. Tijdelijke installatie, gemengde techniek in het Rotterdamse winkelcentrum Zuidplein in opdracht van Sculpture International Rotterdam en Hart van Zuid © Jhoeko

De deels hindoestaanse biënnale-organisatie is het minst gecharmeerd van de collages van Van Lieshout, hoofden van Indiase heiligen geplakt op blote modellenlichamen uit modebladen. Op aandringen van de constant aanwezige beveiligers gaat hij er met een dikke zwarte stift overheen. Ze wijzen hem precies de aanstootgevende stukjes aan, hij krast ze weg en zet er een pijltje naast met het woord ‘censuur’. Door instructies letterlijk te nemen, verandert hij ze in absurde handelingen die de onwerkbaarheid van dergelijke religieus-politieke systemen laten zien.

Om de mensen om hem heen verder te stangen, stanst hij later in de film met een boormachine het hoofd van de godin Lakshmi uit een poster. Om daar dan zijn eigen hoofd, en dat van Lady, door te kunnen steken. Van Lieshout: ‘Het grappige is, Lakshmi is de godin van de overvloed, maar ook van het geld. En toen is na die tijd dus letterlijk mijn geld opgeraakt. Dus toen ik weer thuis was heb ik een nieuwe Lakshmi gemaakt, van fotokopieën en zo, en dat uitgezaagde hoofd er weer opgezet. En een paar keer “sorry, sorry” gezegd. En je gelooft het of niet: daarna kreeg ik de Heinekenprijs!’

Vijftig is Van Lieshout inmiddels, daar hebben we het nog helemaal niet over gehad. ‘Ja, ik ben nu vijftig joh, heftig, shit. Als je vijftig wordt, dat is echt pittig. Je bent op de helft, ik zie dat echt als een ding. Maar ik moet altijd verder, dat heb ik altijd in mijn hoofd gehad. Ik heb het geluk en het ongeluk dat ik een ontzettend slecht gevoel over mezelf heb. Een probleem met m’n eigenwaarde, hoe noem je dat. Ik denk altijd dat alles mislukt en daarom blijf ik maar aan de gang. Iedere keer denk ik weer dat het echt helemaal niks wordt, maar dan zie ik het op camera terug en dan is het hartstikke goed. Dat is een soort motor die aanblijft.’


Werk van Erik van Lieshout is samen met dat van alle vijftien eerdere laureaten te zien in de tentoonstelling 30 jaar Heinekenprijs voor de Kunst, t/m 30 september in het Van Abbemuseum, Eindhoven, vanabbemuseum.nl. Op 16 september geeft Erik van Lieshout daar een lecture en rondleiding.