Guus Beumer zoekt een model voor Nederland op de Biënnale

Ik mag ‘t maar één keer doen

Volgend jaar zijn weer de ‘Wereldkampioenschappen Kunst’: de Biënnale van Venetië. Guus Beumer stelt de inzending voor het Nederlands Paviljoen samen. ‘Je moet elke keer je eigen identiteit ter discussie stellen.’

GUUS BEUMER is benoemd tot curator van de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië, die in 2011 zal plaatsvinden. De Mondriaan Stichting is verantwoordelijk voor de benoeming, maar de curator selecteert zelf de kunstenaars die het Nederlands Paviljoen zullen vullen. Sinds 2005 is Beumer (1955) directeur van Marres, een centrum voor contemporaine cultuur in Maastricht, iets wat hij zelf een ‘representatie-instelling’ noemt - niet een museum, dus. Beumer werd in de jaren negentig bekend als initiator en artdirector van de modelabels Orson + Bodil en SO met Alexander van Slobbe. Hij is een spraakwaterval, een bonk enthousiasme; hij beziet de wereld van de kunsten met tegelijk grote inhoudelijke kennis én rinse ironie. Hij is goedlachs, en vol zelfspot, maar laconiek is hij bepaald niet. Want de Biënnale van Venetië, dat is geen kleinigheid. Dat zijn de Wereldkampioenschappen Kunst. Dan moet je iets bedenken.

U bent nu iemand die voor een groot publiek een uitspraak mag doen over 'onze’ cultuur.

'Ja, en ik wil dat ook heel serieus nemen. Ik wil niet mezelf laten zien als een soort trendspotter die de laatste ultieme kunstenaar kan aanwijzen. Met alle respect voor de mensen die dat wel kunnen, ik kan dat niet. Ik moet toch terug naar mijn eigen werkwijze. Ik ga mensen uitnodigen. Als ze niet willen, dan willen ze niet, zo simpel is het ook nog es een keer.’

Heeft u de vorige Biënnales gezien?

Hij grijnst schuldig: 'Ja. Een paar. Ik begrijp ze, als fenomeen. Ik lees al die achterliggende posities: we nemen het ambachtelijke, nee, we nemen de pure abstractie, of juist het puur discursieve, of we houden het leeg, we maken het politiek… Het leek me mooi om te pogen aan dat soort standpunten te ontsnappen. Je ziet dan dat in die projecten de klassieke codering van de kunst terugkeert. Als je mensen uit de museale wereld kiest krijg je een groepstentoonstelling, of een solo; als je iemand uit de wereld van de presentatie-instellingen kiest, dan wordt het meer discursief, dan komen er eindeloze lezingenreeksen en boeken… Dat zijn een beetje de twee teneuren in de kunst. Oké, die begrijp ik, daar ontsnap je ook voor een deel niet aan, maar het leek me toch interessant om even met het “hoe” bezig te zijn en niet met het “wat”. Kun je juist dit soort gelegenheden voor iets anders gebruiken dan voor een soort markthiërarchie?
Venetië gaat natuurlijk heel uitdrukkelijk over hiërarchie, het is een statelijke representatie, waarbij je een “Nieuwe Toekomst” in de kunsten moet formuleren. Eigenlijk vind ik het leuk om dat een beetje te herdefiniëren. Sommige landen kiezen ervoor een soort continu beeld te suggereren, waaraan almaar gerefereerd kan worden, in tegenstelling tot de keuze van Nederland om iedere keer voor “het andere” te kiezen, voor “breuken”, per keer een ander statement.’

Wordt Nederland dus elke twee jaar opnieuw gedefinieerd? Is er geen continuïteit?

Op de architectuurbiënnale had OMA/AMO/Rem Koolhaas een opstelling over 'preservation’, opgebouwd uit een paar ouwe stoelen, en op de muur een briljant statement die al die krakeresthetiek bijeen bracht. Sommige mensen hebben zó'n specifieke sterstatus, die zijn altijd en overal en in alle veelzijdigheid aanwezig, zelfs in de gedaante van een startend architectenbureau, zonder geld, gehuld in een krakerslook. Terwijl ik maar één keer op de Biënnale ben voor een soort ultieme geste waar ik op word afgerekend, kan Koolhaas zich wérkelijk alles permitteren. Koolhaas kan identiteit in diversiteit en fragmentatie aan de orde stellen, en toch een soort continuïteit projecteren.

Ik dacht: 'Goh, één van de dingen die je misschien als Nederlands Paviljoen zou moeten beseffen is dat sterren als Koolhaas vandaag de dag die overkoepelende positie innemen die landen zelf niet meer durven in te nemen. De ster als staat. Landen durven juist niks te suggereren vanuit hun merkidentiteit of wat dan ook - dat wordt gezien als de ultieme vorm van nationalisme, of fascisme - dus moet je elke keer je eigen identiteit ter discussie stellen.’

ZOALS DUITSLAND, dat vorige keer voor een Britse beeldhouwer koos.
'Als je de Biënnale-inzending als representatieve vorm van “de natie” of “de staat” ziet, worden mensen al snel erg zenuwachtig. Dus ik dacht: daar moet ik dus vandaan blijven. (Met drama:) En Dat Kan Alleen Maar op basis van een notie over gemeenschappelijkheid. Zo.’

Maar hoe toon je die gemeenschappelijkheid?
'Ik dacht: als we op zoek moeten naar de Nederlandse specificiteit, laten we dat dan niet meteen afdekken met metaforen als de Nederlandse Vlag, maar eens kijken naar een werkwijze. Dan blijkt die culturele infrastructuur in Nederland een unieke propositie te zijn ten opzichte van ál die anderen. Het feit dat je een Mondriaanstichting hebt, én een Fonds Podiumkunsten, én een Fonds voor de Beeldende Kunsten, én een SKOR, enzovoort. Wij hébben zoiets als een publieke ruimte geformuleerd, weliswaar met maar een half procent van de begroting, en vanuit díe notie van collectiviteit kun je starten.’
Heel democratisch.
'Een heel democratisch project! Vervolgens leidt dat tot een democratische werkwijze, wat mij betreft - niet één kunstenaar, maar verscheidene. En toen dacht ik: goh, met wat voor mensen zou ik willen werken?’

Wie zijn dat geworden?

Mensen die allemaal worstelen met het vraagstuk van representatie. Johannes Schwartz, een fotograaf. Dat medium is meteen een probleem, dat geldt voor elke fotograaf, dat wordt altijd maar opnieuw gevraagd: “Ben je kunstenaar?” Hij gebruikt een heel formele taal, het landschap, misschien wel de oudste picturale traditie, na het portret.
Dan Barbara Visser, een echte kunstenaar, maar alles wat ze doet begint met de vraag: “Wie ben ik?” en: “Wat ben ik dan voor kunstenaar?” Dat kán dan leiden tot een onderzoek naar de gecodeerde werkelijkheid van de journalistieke foto, of zoiets, maar dat is vers twee.

Joke Robaard ken ik al vrij lang. Zij behoort eigenlijk tot een generatie kunstenaars uit de jaren tachtig, die toentertijd hebben besloten de weerbarstige werkelijkheid op een andere manier aan te gaan dan onder de noemer “kunstenaar”. Joke is iemand die echt ook altijd worstelt met haar rol als kunstenaar, en voor heel veel mensen misschien ook al tien jaar lang geen kunstenaar meer ís. Zij is iemand die meteen “nee!” zei, toen ik haar vroeg. Maar ik heb het toch aan haar gevraagd, omdat juist dat “nee” wat mij betreft een heel interessante notie is. Omdat haar kunstenaarsopvatting begint bij dat 'nee’.

En voor de rest heb ik twee oudgedienden waarmee ik vaak en graag werk, Maureen Mooren, grafisch vormgever van Marres, en Event Architectuur, Herman Verkerk en Paul Kuipers. Voor mij ligt een deel van het antwoord in het tentoonstellingsmodel, dus dan vind ik het extra leuk om zo iemand mee te slepen. Deze vijf zie ik dus als een soort basisconstructie voor een aantal vragen. Daar kan uiteindelijk ook nog een componist bij, of een schrijver, maar die worden dan door hén uitgenodigd, niet door mij.’

DUS TOCH EEN groepstentoonstelling?

(bozig:) 'Nee! Alleen maar wat mensen bij elkaar te zetten, dat levert niets op. Je moet een soort mentale kracht hebben, als genodigde. Je komt wél op de Biënnale van Venetië te staan, toch dé plek om jezelf in de markt te zetten. Ben je bereid op die plek alle noties ter discussie te stellen? Kijk, ik ben natuurlijk niet debiel, het zijn allemaal mensen die sowieso die vragen met zichzelf mee dragen. Het zijn niet zozeer mijn vragen, het zijn op z'n minst gedeelde vragen.
Het is heel uitdrukkelijk mijn eigen agenda om te pogen die drie “auteurs” in te bedden in wat ik “het representatievraagstuk” vind, dat je niet alleen maar die witte ruimte benut en celebreert, maar dat je echt met elkaar op zoek gaat naar een tentoonstellingsmodel. Hoe kunnen we daar een beetje aan wrikken? Eigenlijk zou ik het erg leuk vinden als we mekaar gaan ontmoeten in plaats van dat we mekaar alleen maar tegenkomen.

Dat is een groot verschil. Ik wil de potentie van de culturele infrastructuur aanspreken, ik wil ook samenwerken met het Fonds Podiumkunsten of het Letterenfonds, met musea, andere kunstenaars en ontwerpers. Als je zo'n stapeling wil, dan kom je toch heel snel op een begrip als Gesamtkunstwerk uitkomt. Daar heeft iedereen heel erg moeite mee.’

Zullen we dat dan maar vermijden?

'Ja! Dus ik zei: laat het begrip vallen, we gaan op zoek naar een ander, maar laten we er nou toch gewoon eens even naar kijken. Er zijn altijd drie klassieke archetypen: het interieur, de tuin en de opera. Nou blijk ik me vaak met de tuin en het interieur te hebben beziggehouden…’

Dus het wordt een opera?
'Je moet me echt helpen te ontsnappen aan dat soort begrippen…’

Hm. Een Bonte Avond?
'Elk begrip is meteen fout. Opera… is meer het soort startpunt voor een tentoonstellingsmodel, dat suggereert dat je in termen van “tijd” kunt denken, in termen van “wisseling”, in termen van “stapeling”, in termen van “scène”. Een opera heeft een voor- en een achterkant. Je kunt alles daarin kwijt! Je kunt alles terugbrengen tot een systeempje, tot het individu en het groepsproces, het onderzoek en het resultaat. Het levert allerlei aardige dingen op. Een suppoost wordt opeens een toneelmeester, een receptie wordt opeens een première, je kunt iets als een pauze introduceren. Het interessante is ook mijn rol, dat ik niet langer “De Curator” ben. Dat is het tragische aan de kunst: die auteursrol, dat is een soort zwart gat, iedereen wordt daarin gezoooogen. Een opera kent een scenograaf, én een dramaturg, én een intendant, náást die regisseur, dat is veel gedifferentieerder. Ik zou het heel leuk vinden om dramaturg te zijn, en hen te voorzien van allerlei materialen. Maar goed, dan moet je nog een soort aanleiding tot een libretto hebben. Dus dacht ik: de Tulpenmanie. Niet zozeer de tulp, voor de duidelijkheid, maar de manie. Dat is heel contemporain, want je kunt er allerlei dingen over de economische crisis en identiteit enzovoort aan hangen.’

Is dat niet flauw? De Nederlanders doen iets met tulpen?

De eeuwige angst, voorspelbaar te zijn daar moeten wij eens van af! Zie het als een poging leesbaar te zijn. De wereld presenteert zich toch in clichés, en als je daaraan probeert te ontsnappen dan worden ze meestal nog groter. Natuurlijk loop je dat risico, maar gelukkig omring ik me met intelligente mensen. Ja zeg, ik mag ’t ook maar één keer doen, mag ik dan eens een keer een gesprek voeren? Dat gesprek begint nu.