Ik mis je, sal

De jaren zestig en zeventig. Waarom was die popmuziek zo belangrijk? Simpel: we kregen er persoonlijkheid mee; ‘t gaf ons de mogelijkheid ons te onderscheiden. Iedereen werd anders - iedereen was op zijn eigen manier weird, gek, strange… Daar is het ik-tijdperk uit voortgekomen; doorgeslagen individualisme; extreme aandacht voor jezelf.

En nu? Het is de tijd van de Gelijkvormigheid. Van De Grote Overeenstemming. Op het gebied van de politiek en de cultuur zijn we het Allemaal Met Elkaar Eens.
Iedereen vindt het heel normaal dat je je voor een topfunctie behoorlijk kleedt: ‘Als je geld wilt verdienen, trek je een net pak aan.’
Iedereen vindt het heel normaal om te werken voor je geld.
Iedereen die werkt, vindt het normaal om belasting te betalen voor werklozen.
Er zijn heel weinig Nederlanders te vinden die vinden dat er op gezondheidszorg bezuinigd moet worden.
Cultuur idem dito.
Ik lees meer van en over Rudi Fuchs, de directeur van het Stedelijk, in de krant, dan van de kunstenaar. (Fuchs adverteert ook - zoals we op het kunstRai-affiche konden zien - voor zichzelf…) De macht van de directeur is belangrijker dan de macht van de kunstenaar. Ik lees meer over het Concertgebouw dan over kleine groepen. Ik lees meer over schrijvers die al bekend zijn dan over onbekende schrijvers. (Er zijn dan ook de laatste jaren geen nieuwe literaire bladen gekomen.)
In de journalistiek zit geen vernieuwing, in de radio niet, in de televisie niet… Nergens.
In de filmwereld is het al helemaal erg: op het moment dat er een nieuw scenario van Alex van Warmerdam bij het Filmfonds in de bus ploft, heeft men de subsidie al op zijn rekening gestort.
Want we vinden allemaal Alex tof.
Geeft niet. Maar de teerling is geworpen; we vinden allemaal hetzelfde Mooi en Interessant. Met de voorspelbaarheid der dingen hebben we al genoegen genomen; we proberen nog slechts te genieten van de variatie op het thema van de Grote Gelijkgestemdheid.
Zelf heb ik daarom een diep verlangen naar crisis gekregen - hoe moeilijk die ook zal zijn en al zal ik er zelf wellicht het slachtoffer van worden. Maar een fijne crisis, met armoede, moord en doodslag, klassestrijd zou ik onder uw bijzondere aandacht willen brengen. Ik zeg eerlijk dat ik zoiets reinigend zou vinden. Kranten die opgeheven worden, beurskrachs, rellen in Amsterdam van alle allochtone jongeren met doden, executies op de Dam, huiszoekingen door de Amsterdamse politie, ziekenhuizen die op noodgeneratoren moeten werken… Ik verlang er naar.
Dat de huizenmarkt mag instorten, dat Philips in de uitverkoop moet, dat het koningshuis verjaagd wordt, dat de banken hun deuren moeten sluiten en er bestormingen plaatsvinden van rekeninghouders.
Ik wil groepen mensen van de Optiebeurs zien afspringen, ik wil met buurtraden vergaderen, ik wil krantjes stencillen en het gebouw van de Volkskrant bezetten; er moet verder eerst een wat dubieuze man komen die de boel gaat leiden: Theo Heufft bijvoorbeeld, directeur van Yab Yum.
Dat blijkt dan geen goed idee en dan kiezen we Michael van Praag, die we eigenlijk zeer verdacht vinden omdat hij uit een wereld komt die steeds vaker ondergronds vertoeft, lijkt het wel.
Ik wil slobbertruien zien, gympies, spijkerbroeken, fluwelen jasjes met sterren, lang haar, ik wil de rinkelbom horen in het Vondelpark, elektrische gitaarmuziek, ik wil een meiboom. Ik wil armoede, maar net genoeg voor iedereen. Puinhopen. Onderwijzers en leraren die verjaagd worden. Er moet op straat brood, wijn en joints uitgedeeld worden.
En van daaruit iets nieuws beginnen.
Ik mis je, Sal Santen. Dag.