De eeuw van Jérôme Heldring (1917-2013)

‘Ik moest iets afstoten’

Op zijn 94ste, na een journalistiek leven dat tot de Tweede Wereldoorlog teruggaat, is NRC-columnist Jérôme Heldring dan toch gestopt. Hij draagt een schat aan journalistieke kennis en ervaring met zich mee. Een testament van de chroniqueur van de ‘gedaantewisseling van de chaos’

Medium hh 02450631
Medium 120516heldring074

In de hal van het gebouw waar de Haagse redactie van NRC Handelsblad is gevestigd staat nog steeds, zichtbaar vanaf de straat, het rode bureaustoeltje dat de redactiesecretaresse voor Jérôme Heldring heeft neergezet. Daarop kon de oude scribent ’s ochtends in alle vroegte op de ochtendkranten wachten, wanneer hij er eerder was dan de bezorgers. Dat was op zaterdagochtend steevast het geval. Daar zat hij dan, in het zicht van een gemengd publiek van vroege joggers en kroeglopers die op het naburige Plein een nachtje hadden doorgehaald.

Het stoeltje heeft zijn functie verloren, nu Heldring op 5 april van dit jaar de laatste aflevering van Dezer dagen schreef, de column die hij in januari 1960 in de Nieuwe Rotterdamse Courant begon. Na de fusie van de NRC met het Algemeen Handelsblad in 1970 behield de rubriek zijn plek, twee keer per week op de opiniepagina. Op zijn zeventigste, nu bijna een kwart eeuw geleden, vroeg hij de hoofdredactie al of hij niet eens moest stoppen. ‘Je weet van jezelf niet wanneer je seniel wordt, dus ik hoop dat de hoofdredactie mij dan redt door in te grijpen’, zei hij later over dat verzoek. Op zijn tachtigste meldde hij zijn lezers droogjes, bij wijze van feitelijke constatering, dat het ‘aftakelingsproces waaraan ieder na zijn dertigste onderhevig is’ in zijn geval wellicht een ‘kritieke fase’ naderde. Nu, op zijn 94ste, is hij dan toch gestopt, niet omdat de hoofdredactie het zo wel genoeg vond maar uit eigen beweging: ‘Aangezien ik niet in herhaling van uitgekauwde thema’s wil vervallen, lijkt het me beter een einde te maken aan mijn rubriek’, schreef hij aan de hoofdredactie.

Zijn afscheid doet zich voelen als een gemis. Heldring, als journalist werkzaam sinds 1 augustus 1945, maakt prominent deel uit van bijna zeventig jaar persgeschiedenis. Zijn journalistieke geheugen gaat nog verder terug en omvat herinneringen aan collega’s die al ver vóór de Tweede Wereldoorlog actief waren. Zijn stijl, trefzeker en concies, kan nog steeds een voorbeeld zijn voor vakgenoten. In een tekst van Heldring staat geen woord te veel. Hij is wars van loze opsmuk, hecht aan precisie in zijn woordkeuze, zorgvuldigheid in zijn betoog en kennis van zaken. Taalfouten komen volgens hem net als betekenisloze woorden meestal voort uit onhelder denken, of zelfs uit gedachteloosheid.

De inhoud van de redenering gaat bij Heldring voor de esthetiek van de formulering. Met hem hoefde je het niet eens te zijn om ’m toch te waarderen, dankzij de kracht van de logica in zijn argumentatie. Daarmee staat hij model voor tijdloze journalistieke waarden, zowel in professionele als morele zin. De kern van zijn beroepsstandaard is dat waarheidstrouw de drijfveer van de journalist moet zijn, veeleer dan het morele oordeel. Dat is ook zijn beroepsopvatting als columnist. ‘Ik wil moraal en analyse gescheiden houden’, zegt hij in een van de gesprekken in het appartement dat Heldring en zijn vrouw in Den Haag bewonen. ‘Het brengt ons niet verder om in de analyse een morele categorie als het goede of het kwade te betrekken. Dat werkt eerder verstorend. Ik laat waarde-oordelen liever aan de lezer over. Daarbij komt: er zijn zoveel problemen waarover ik geen afgeronde mening heb. Moet ik daarom zwijgen?’

In zijn rubriek wilde hij trouw zijn aan het motto dat hij de eerste bundeling van zijn artikelen, Het verschil met anderen uit 1975, meegaf: l’essentiel est de faire réfléchir. Zijn doel als columnist was met zijn gedachtegang anderen, de lezers, aan het denken te zetten. Mede daarom hechtte hij aan een strikte scheiding tussen ratio en emotie, feiten en oordelen.

Dat hij liever schreef over wat is dan over wat moet, staat niet los van zijn zienswijze op het menselijk tekort. Mensen verlangen ernaar zich te verlossen van de onvoorspelbaarheid van het leven en zoeken daarom zekerheid, het liefst in een alomvattende theorie van het bestaan. Dat verlangen is even begrijpelijk als onvervulbaar. De loop van de geschiedenis is onvoorspelbaar en komt volgens Heldring neer op een permanente ‘gedaantewisseling van de chaos’, in de woorden van historicus Wim Roobol. Heldring: ‘Daarom is het misschien verstandiger zonder theorie door het leven te gaan, zei Roobol. Er is immers al chaos genoeg. Dat ben ik met hem eens. Ik ben bang voor de chaos. Zelfs in mijn persoonlijk leven herken ik gedrag dat daartoe te herleiden is. In veel opzichten ben ik vrij netjes en dat is gewoon doordat ik de chaos vrees. Ik beantwoord brieven onmiddellijk, niet alleen uit fatsoen, maar ook uit eigen belang, want ik wil geen rotzooi op mijn bureau waarin ik geen weg weet. Over Blaise Pascal ging het gerucht dat hij altijd een stoel aan zijn linkerhand neerzette om de afgrond die hij daar zag aan het oog te onttrekken. Hoe irrationeel ook, ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Mijn journalistieke voorkeur voor de analyse heeft zeker iets te maken met de behoefte enige ordening in de chaos aan te brengen. Hem overwinnen, dat kunnen we niet, maar we kunnen de chaos misschien wel tijdelijk reguleren. Daarin kan de analyse behulpzaam zijn.’

In het besef dat de chaos op z’n best tijdelijk in goede banen kan worden geleid, is het volgens Heldring een illusie dat het bestaan kan worden vervat in een theorie of een ideologie die alles verklaart. Dat stempelt hem tot een conservatief. ‘Alexis de Tocqueville schrijft: het leven is een stroom en gaat aan een stuk door. Mensen moeten zich niet vastklampen aan de wrakstukken die ze aan de oever aantreffen. Ze moeten proberen die stroom te volgen en enigszins te reguleren. Indammen kan niet, althans niet volgens mijn filosofie, die ik bij gebrek aan beter conservatisme noem. Een goede conservatief kent zijn geschiedenis en weet dat het niet verstandig is de eeuwigdurende verandering nog eens een zet in de gewenste richting te geven. De politieke bewegingen die dat nastreven veranderen de stroom in een vloedgolf. Daarvan schrikt de burgerman die in ons allen schuilt, met alle risico’s van dien. Door abrupte veranderingen kunnen mensen hun toevlucht zoeken bij schijnheilanden en extreme heilsleren of, erger nog, bij fascisme.’

Het is dus onjuist, zegt Heldring, conservatisme synoniem te verklaren met behoudzucht. ‘De conservatief is niet tegen verandering, hij is tegen radicale en abrupte verandering. Het gaat om behoedzame vooruitgang, zei de Amerikaanse journalist Robert Kaplan, in het voortdurende besef dat tragedie en ironie de eigenlijke kern van de geschiedenis uitmaken. Daar heeft hij gelijk in, volgens mij. Toen in Duitsland in de jaren twintig die alles ontwrichtende hyperinflatie voorbij was, volgde er gedurende een jaar of vijf, zes een periode van bloei. Berlijn was weer een centrum van cultuur, tot 1933. Toen kwam de wereldcrisis, de terugval, en dat is altijd het kritieke punt in revolutionaire tijden. Een tijdlang gaat het goed en is het licht aan het einde van de tunnel zichtbaar, tot het plotseling donker wordt. Dan krijg je het revolutionaire momentum. Dat deed zich in 1933 voor, een jaar nadat de nsdap van Hitler in één klap de grootste partij was geworden. In essentie ligt dat gevaar in elke democratie op de loer. Het fascisme is het bastaardkind van de democratie. Ik zal Wilders niet ontzeggen dat hij democraat is. Hij is geen Hitler, zeker niet, maar het verschijnsel waarop Wilders gedijt is hetzelfde. Mensen klampen zich vast aan de schijnzekerheid die hij biedt, omdat het licht aan de tunnel plotsklaps niet meer zichtbaar is.’

Medium 120516heldring111

Sinds de opkomst van het populisme onderwierp Heldring de democratie zelf aan kritische vragen, niet uit verlangen naar een vorm van autocratie maar vanwege de zwakheden in de democratische staatsvorm. Een van die inherente zwakheden is dat de democratie niet uitsluitend door de rede wordt geregeerd, schreef hij bij het vijftigjarig jubileum van Dezer dagen in januari 2010. ‘Uit de democratie zijn bewegingen voortgekomen die de verzamelnaam populisme dragen. Van dat populisme kan moeilijk gezegd worden dat het ondemocratisch is, maar het belijdt wel een soort democratie die de democratie zoals wij die nu kennen bedreigt’, noteerde hij. Optimistisch is hij niet. ‘Misschien beleven we thans een herfsttij van de Verlichting en van de democratie, haar gezellin’, schreef hij in zijn column van 17 november vorig jaar. Daarin stelde hij zichzelf de vraag of de Verlichting, waarvan hij naar eigen zeggen een kind was, niet op een grote vergissing berust. ‘Wat heeft de emancipatie van de mens van hogere krachten opgeleverd? Heeft de twintigste eeuw niet aangetoond dat de mens die zich van God bevrijd heeft, verleidbaar is gebleken voor andere, demonische krachten, valse goden?’ schreef hij. ‘De mens is dus, anders dan de Verlichting wil, niet sterk maar zwak. Het christendom heeft er een woord voor: de mens is zondig.’ Zijn voorlopige conclusie luidde: ‘In beginsel is het mensbegrip van het christendom realistischer dan dat van de Verlichting. Je hoeft zelf niet godgelovig te zijn om daarvan overtuigd te zijn.’

Democratie, christendom, Verlichting waren de laatste jaren telkens terugkerende onderwerpen in zijn columns. In de aflevering van 17 november 2010 bracht hij deze thema’s bijeen in een gedachtegang die hij als ‘een soort testament’ typeerde. In het journalistieke geruchtencircuit dook direct het bericht op dat Heldring zijn laatste column had geschreven. Helemaal zonder grond was dat vermoeden niet. Heldring onderging in die dagen een zware operatie en moest voor het eerst in het bestaan van zijn rubriek een week wegens ziekte verstek laten gaan. In het verzorgingshuis Oldeslo, waar hij herstelde, vroeg hij in die week evenwel al weer om zijn typemachine. Er zouden nog twintig afleveringen van Dezer dagen volgen.

Heldring: ‘Na die operatie in het najaar had ik nog een enorme schrijfdrang. De kraan stond nog open en ik had zelf het idee dat er genoeg uit kwam. De kranten werden mij toegestuurd en ik had in Oldeslo een fijne, grote kamer. Ik kon daar veel lezen en prettig werken, ook al liep ik nog rond met een katheter. Ik ben nu redelijk hersteld. Er zijn eigenlijk geen ernstige klachten meer, behalve dan de gebruikelijke die met de ouderdom samenhangen. Toch vermoed ik dat die schrijfdrang die eerste weken me op een vals spoor heeft gezet, want sindsdien is de motivatie geslonken. Dat is, vermoed ik, een symptoom van de druk waar ik onder sta door de beslommeringen hier thuis en de afnemende gezondheid. Dat uitte zich in een gebrek aan inspiratie. Ik achtte het daarom wijs één last van me af te nemen. Ik moest iets afstoten, en daar dat niet kan met het eigen huis of de eigen gezondheidstoestand besloot ik mijn rubriek te beëindigen.’

Heldring werd al wat langer geplaagd door de gedachte dat hij inteerde op zijn intellectuele kapitaal. ‘Telkens weer onderwerpen als de Verlichting, de democratie, Europa ook. Op een gegeven ogenblik houdt dat op. Ik had niet het idee dat ik nog echt nieuws bracht, hoewel dat veel lezers klaarblijkelijk niet is opgevallen. Ik kreeg althans een grote stapel brieven waarin zij mij hun treurnis over mijn besluit betuigden. Maar goed, het is natuurlijk geen drama. Ik ben 94. Ik geloof niet dat er veel voorbeelden zijn van vakgenoten die met 94 nog actief zijn. Ik klaag dan ook helemaal niet. Het is alleen: ik moet me aanpassen, hè? En dat is wel een beetje moeilijk. Ik moet misschien maar een nieuwe hobby zoeken, voorzover mij daarvoor de tijd nog is gegeven. Ik heb in ieder geval weer wat meer tijd om bellettrie te lezen.’

De persgeschiedenis waarvan Heldring kan vertellen is ook een geschiedenis van de gedaantewisseling van de journalistiek en het medium krant. Wat het vak met marketingtechnieken en manegementstructuren heeft gewonnen aan professionaliteit heeft het verloren aan vrijheid, romantiek en individualiteit. De journalistieke veteraan Charles Scott, meer dan vijftig jaar een beeldbepalende journalist van The Manchester Guardian, voorzag al vóór de oorlog het effect van dat proces. In een klassiek geworden essay over het wezen van de journalistiek betoogde hij dat een krant een eigen ziel nodig heeft, een eigen persoonlijkheid, die evenwel onvermijdelijk zal vervagen als de uniformerende wetten van de markt hun werk doen. Naar de maat­staven van de krantenuitgever wint de pers daarmee wellicht in commerciële kwaliteit, maar de kranten verliezen ook kleur, eigenzinnigheid, de charme van het onverwachte. Dat zijn kwaliteiten die van de pers behalve een commercieel ook een cultuurproduct maken.

Ook voor Heldring is het essay, negentig jaar nadat Scott zijn tekst schreef, nog altijd een journalistieke beginselverklaring. Hij eindigde het artikel waarmee hij in NRC Handelsblad afscheid van de lezers nam dan ook met het motto van zijn Britse collega: Comment is free, facts are sacred. Voor Heldring ligt daarin de boodschap besloten dat het zo onversneden mogelijk weergeven en duiden van de nieuwsfeiten de kerntaak van de journalistiek is. Van niet minder belang beoordeelt Heldring Scotts betoog over de noodzaak dat elke krant zijn eigen ziel koestert.

De ziel van de Nieuwe Rotterdamse Courant was een liberale, net als die van de geestverwante kranten uit Amsterdam en Den Haag, het Algemeen Handelsblad en Het Vaderland. Hoewel het cultuurverschil tussen de drie steden zijn stempel drukte op het liberalisme dat deze kranten belichaamden, waren ze alle drie doortrokken van hetzelfde vrijheidsethos. De verhoudingen op de redacties kenden weinig hiërarchie en redacteuren genoten een grote vrijheid, zij het dat de nieuwsverslaggeving gevrijwaard moest zijn van hun eigen mening. Onder die voorwaarde was het ook niet bezwaarlijk dat een geharde stalinist bureauredacteur buitenland bij de NRC was of een gekende anarchist chef buitenland van het Handelsblad.

Die vrijheidsgeest komt tot uitdrukking in de verhalen over markante redacteuren, journalisten als Anton Koolhaas en Jérôme Heldring bij de NRC, Menno ter Braak en Simon Carmiggelt bij Het Vaderland, Jan Blokker en Henk Hofland bij het Handelsblad. Heldring vertelt zijn verhaal eveneens aan de hand van beeldbepalende redacteuren, zoals Gerard van Huet, een even wereldvreemde als erudiete collega, die in de vrijheid die de NRC hem bood goed kon gedijen. Van de wereldvreemdheid van Van Huet getuigt de anekdote dat hij op de dag waarop zijn vrouw van hun eerste kind beviel al uren boodschappen had gedaan en toen de dokter van boven hoorde roepen: ‘Vier centimeter ontsluiting!’ Hij hield die mededeling voor een bestelling en riep vertwijfeld uit: ‘Waar haal ik dat nou weer vandaan!’ Heldring leerde Van Huets erudiete kant kennen: ‘Naast zijn werk bij de NRC schreef hij voor De Groene Amsterdammer de literaire kroniekenrubriek Het Inktpotje. Daar stopte hij mee omdat het weekblad zich naar zijn zin ontpopte als een fellow traveler van de Sovjet-Unie. Bij de krant was hij redacteur buitenland, in de nacht. Dat interesseerde hem eigenlijk helemaal niet, het buitenland, maar hij deed zijn werk toch bijzonder consciëntieus. Hij was een ongelooflijk belezen man. In zijn rubriek in De Groene getuigde hij daarvan in essays, waarin hij de lezer liet delen in de sensatie die het herlezen van oudere boeken wekt. Dat konden klassieke, algemeen bekende meesterwerken zijn, maar ook boeken van auteurs met zulke onbekende namen als Gerhard Nybel, Eyvind Johnson of Percy Lubbock. Ik heb nadat hij zijn werk voor De Groene staakte tegen mijn hoofdredacteur, Maarten Rooij, gezegd dat hij Van Huet weer zijn beschouwingen moest laten schrijven. Het Inktpotje werd toen in de NRC voortgezet als De Zandloper. Die stukken zijn nog altijd het lezen waard. Ze zijn tijdloos.’

Van Huet, aan wiens journalistieke nagedachtenis Heldring op 10 oktober vorig jaar onder de kop De boekenman zijn rubriek wijdde, overleed in 1975 aan de gevolgen van een ongeluk. Heldring: ‘Ik vind het nog steeds een eer dat ik met hem bevriend was. Hij werkte altijd in de nacht. De anderen rouleerden, hij niet. Eén of twee keer in de maand had ik ook nachtdienst en dan voerde ik eindeloze gesprekken met Van Huet. Ik koester die herinnering.’

Het was volgens Heldring typerend voor Maarten Rooijs soepele stijl van leiding geven om, op advies van een van diens collega’s, een redacteur buitenland ook een rubriek te laten verzorgen met literaire beschouwingen. Hoofdredacteur Rooij was dominant maar nooit autoritair, hij liet zijn redacteuren veel vrijheid en respecteerde hun journalistieke inbreng. Rooij, sinds 1932 aan de krant verbonden, was na de oorlog opnieuw tot hoofdredacteur benoemd. Ook in 1939-’40 was hij dat al geweest. Hij vroeg spoedig na de inval van de Duitsers zijn ontslag, uit weerzin tegen de nieuwe orde, maar niet dan nadat hij redacteur buitenland Johan Huijts als zijn opvolger had voorgedragen. Huijts voerde een journalistieke tactiek op het scherp van de snede, met pro-Duitse commentaren om voor de bezetter minder gunstige berichtgeving in de NRC te camoufleren.

Heldring: ‘Voorzover ik weet, vonden zijn toenmalige collega’s wel dat hij de krant op verdienstelijke wijze door de oorlog had geloodst. Huijts hielp de vrouwen van gedetineerde redacteuren door de hongerwinter en wist de resterende joodse collega’s te beschermen. Dankzij Huijts kon Arnold Jan Tammes tot het einde van de bezettingstijd in de rubriek De Toestand zijn buitenlandbeschouwingen schrijven. Tammes, in een vorig leven bekend als de dichter J.C. Noordstar, slaagde erin met spitsvondige analyses de oplettende lezers op de hoogte te houden van internationale ontwikkelingen die de rest van de gelijkgeschakelde pers hun onthield. Huijts stond voor zijn mensen. Hoewel allesbehalve een nsb’er schreef hij niet tegen de Duitsers. Het was vooral cryptisch wat hij schreef. Desondanks heeft hij er met een internering na de oorlog toch voor moeten boeten.’ Heldring kende hem niet persoonlijk. In de loop van de tijd, midden in de Koude Oorlog, begon Huijts hem opeens te schrijven over de Sovjet-Unie. ‘Hij had al voor de oorlog een heel dik boek over dat land geschreven. De oud-hoofdredacteur van de NRC bleek een hartstochtelijk communist te zijn, een stalinist zelfs. Een hardliner. Volgens hem was Chroesjtsjov met zijn destalinisatie­progam de doodgraver van het communisme. Hij moest niets van hem hebben, van die Chroesjtsjov die het eigen initiatief weer een beetje ruimte bood. Huijts schreef mij lange brieven waaruit een grote kennis van zaken van de Sovjet-Unie bleek. Ik heb daar veel profijt van gehad. Ik heb in Dezer dagen geregeld uit die brieven geciteerd, zonder Huijts overigens bij naam te noemen. De lezers kenden hem als mijn marxistische vriend. Zo noemde ik hem.’

Een marxist kon zonder mankeren redacteur van de NRC worden, verzekert Heldring, een vrijzinnige traditie die later de benoeming van Elsbeth Etty, oud-hoofdredacteur van de cpn-krant De Waarheid, bij NRC Handelsblad mogelijk maakte. Ook het Handelsblad had zo’n traditie, getuige het langdurige redacteurschap (1945-’64) van de anarchist Anton Constandse. Tegenover intimi verdedigde Constandse zijn dienstbetrekking doorgaans met de opmerking dat het liberalisme een specifieke vorm van het anarchisme was. Heldring: ‘Ik kende Constandse van gezamenlijke journalistieke reizen. Ik kon altijd heel goed met hem opschieten, hoe zeer onze politieke ideeën ook verschilden. Hij had veel te vertellen over zijn verleden als actief anarchist, waarvoor hij ooit twee maanden moest brommen, en over het gijzelaarskamp van de Duitsers in Sint-Michielsgestel. Ik heb aan zijn lippen gehangen. Een heel aardige man! Johan Huijts is bij de NRC gehaald door Govert George van der Hoeven, tot 1936 hoofdredacteur. Het kon Van der Hoeven niets schelen welke politieke overtuiging zijn mensen waren toegedaan, zolang ze maar loyaal waren en in de krant geen blijk gaven van hun ideologische voorkeuren of antipathieën. Ik denk dat hij dat stalinisme van Huijts voor kennisgeving heeft aangenomen. Mij bleek pas in die brieven die hij aan mij schreef dat Huijts de daden van Stalin goedkeurde. Uit mijn jaren bij de NRC herinner ik me ook nog een buitengewoon rechtzinnig protestant, Ernst Kuijper. Hoofdredacteur Alexander Stempels, de opvolger van Rooij, doelde mede op hem toen hij me toevertrouwde bij voorkeur mensen van christelijke huize als bureauredacteur aan te stellen. Die waren volgens hem consciëntieus en betrouwbaar. Daar had hij volgens mij overigens wel gelijk in, zeg ik uit eigen ervaring.’

De vrijheidsgeest op de NRC floreerde mede dankzij de strikte scheiding tussen commerciële en journalistieke belangen. De Nieuwe Rotterdamse Courant was de eerste krant in Nederland die, in 1908, een redactiestatuut kreeg. Daarin garandeerde de uitgever de redactionele onafhankelijkheid.

Heldring: ‘Het Handelsblad had dat niet. Bij die krant had de directeur nota bene het recht het hoofdredactioneel commentaar te schrijven. In notulen van het Handelsblad uit de jaren dertig las ik dat directeur Alexander Heldring, een oom van mij, zijn commentaar over de verkiezingen vóór publicatie zelfs aan de commissarissen had voorgelegd. Ik wist niet wat ik las! Voor een NRC-_man was dat vloeken in de kerk! Bij de _NRC gaf die redactionele onafhankelijkheid rust, een gevoel van vrijheid. Dat is wel prettig werken, natuurlijk, zeker als de directeur ook zelf de waarde van het redactiestatuut erkent. In mijn tijd als hoofdredacteur, van 1968 tot 1972, had ik te maken met Willem Pluygers. Echt een Rotterdammer. Een kleine man die flink van zich af beet, een bek op poten. Ik waardeerde hem zeer. Pluygers, 97 is hij inmiddels, was zeker niet altijd even vrolijk over de politieke lijn van de krant, maar zodra een commissaris daarover begon hamerde hij hem af. Hij stond voor het statuut.’

In zijn tijd als adjunct-hoofdredacteur (1958-1968) kon Heldring zich wel eens verbazen over de vrijheid die zijn meerdere, Stempels, hem bood. ‘Stempels was een gelovige Europeaan. Ik was dat minder en bracht dat ook tot uitdrukking in Dezer dagen. Hoewel ik ervan profiteerde, vond ik het een beetje merkwaardig dat Stempels mij die ruimte bood. Ik was al euroscepticus toen ik mijn rubriek in 1960 begon. Die twijfel gold niet de economische eenwording, wel de politieke. Daartoe ontbreekt de noodzakelijke voorwaarde van een eenheid van cultuur in Europa. Een Europese cultuur bestaat niet, er bestaat een veelheid aan uiteenlopende Europese culturen. Eerlijk gezegd denk ik dat de Noorse en ook de Nederlandse cultuur dichter bij de Amerikaanse staan dan bij de Siciliaanse. Daarmee ontbrak mij vanaf het begin het Europese enthousiasme. Stempels zal dat zeker niet met plezier hebben vastgesteld en toch liet hij me begaan in mijn rubriek. Ik vraag me nog steeds af of dat juist beleid was. Een hoofdredacteur die een ander lid van de hoofdredactie toestaat in een belangrijke kwestie als deze openlijk, voor elke lezer zichtbaar, een andere lijn te volgen, miskent naar mijn idee zijn verantwoordelijkheid voor de eenheid van het hoofdredactionele beleid. Vrijheid kan ook ontaarden in stuurloosheid.’

Heldring trad in 1968 naast Stempels aan als hoofdredacteur, met de taak dagelijks leiding aan de krant te geven. Het is niet verwonderlijk dat een van zijn eerste maatregelen een lichte aanscherping van journalistieke discipline behelsde. ‘De onafhankelijkheid van de afzonderlijke redacteuren was tot dan toe een geloofsartikel bij de NRC. Ik vond het noodzakelijk dat heilige huisje neer te halen. Een straffer beleid, dat was nieuw! Voor het eerst kregen de deelredacties toen een chef, vooral om wille van de besluitvorming. Voor de snelheid van beslissingen was het wel bevorderlijk dat te doen. Stempels hield ervan veel te praten en weinig te doen. Hij was een weinig besluitvaardige man, van wie ook weinig uitging. Er gingen weken voorbij dat de krant geen hoofdartikel had, domweg omdat hij ze niet schreef. Op ochtendvergaderingen kon hij opmerkingen maken die dodelijk waren voor de motivatie. Nieuws is alleen nieuws als het in de NRC staat, dat soort gekkigheden.’

Stempels haakte af bij de fusie van de NRC en het Algemeen Handelsblad op 1 oktober 1970. Heldring kwam in de hoofdredactie van de nieuwe krant in gezelschap van twee mannen van het Handelsblad, André Spoor en Henk Hofland. Ondanks de gedeelde liberale wortel was het samengaan van de Amsterdamse en de Rotterdamse krant een cultuurschok. Hoewel commercieel onvermijdelijk stuitte de fusie daarom bij redacteuren van beide kranten op tegenzin. Het Handelsblad, gevestigd in hartje Amsterdam, wilde vooral verslag doen van de maatschappelijke en culturele woelingen van de jaren zestig, de NRC oriënteerde zich meer op politiek en economie. Heldring: ‘De NRC was minder een Rotterdamse krant dan het Handelsblad een Amsterdamse. De weerstand tegen de Amsterdammers werd bij mijn collega’s gevoed door de gedachte dat het daar, bij dat Handelsblad, met dat langharig tuig wel een losgeslagen bende zou zijn. De jongens van het Handelsblad neigden er ook wel toe de burger tegen de schenen te schoppen. Op zichzelf is dat niet verkeerd, alleen stoot je er abonnees mee af en dat kon de nieuwe krant zich niet echt permitteren. Dus daar schrok ik wel een beetje van. Ik werd wel eens verrast door wat er in de krant stond, waarvoor ik uiteindelijk toch verantwoordelijk was. Hoe moest ik dat dan verdedigen tegenover lezers die bezwaar maakten?’

Hoewel van huis uit Rotterdammer droeg Henk Hofland in belangrijke mate bij aan het verschil in journalistieke cultuur tussen zijn krant en de NRC. ‘Misschien probeerde hij zo een beetje te maskeren dat hij in Rotterdam was opgegroeid, hoewel hij ook nu nog steeds heel aardig schrijft over zijn jeugd in die stad. De revolutionaire jaren zestig deden zich meer voelen in Amsterdam dan in Rotterdam. En dat was uiteraard zichtbaar in de cultuurverschillen op de twee redacties, hoewel ook bij de NRC redacteuren wel gecharmeerd waren van de Culturele Revolutie in China, niet wetende wat die in werkelijkheid inhield. NRC ja, in die tijd was zelfs G.B.J. Hiltermann onder de indruk van die Revolutie. In de NRC hebben we in 1970 ook wel uitgebreid verslag gedaan van het popfestival in Kralingen. Ik voelde daar niet veel voor, maar ja, het was wel een evenement, hè, dat bovendien in Rotterdam plaatsvond. Dat kon de NRC niet negeren.’

Twee jaar na de fusie van NRC en Handelsblad vertrok Heldring naar het Genootschap voor Internationale Zaken in Den Haag. Op verzoek van André Spoor zette hij Dezer dagen voort. Hofland had al eerder moeten vertrekken, nadat een journalist van De Telegraaf hem op een feestje van collega Willem Oltmans in het geniep had gefotografeerd in het gezelschap van sovjetdiplomaten. Volgens de directie was dat een compromitterend gezelschap, waarin een hoofdredacteur van NRC Handelsblad niet behoorde te worden gezien. Heldring: ‘Na mijn vertrek op 1 augustus 1972 was André Spoor de enige hoofdredacteur. Ik moet zeggen, dankzij zijn gezag en zijn rustige en bedaarde, altijd vriendelijke en nooit nerveuze optreden is die fusie toch een succes geworden. Hofland en ik voelden ons hoe dan ook niet zo senang in dat driemanschap. Hofland zei dat hij zich de conducteur van de bijwagen voelde, op wiens bellen niemand lette. Tot mijn grote verbazing, moet ik zeggen, schijnt de opheffing van het katholieke dagblad De Tijd in 1974 veel abonnees naar NRC Handelsblad te hebben gebracht. Ik zou hebben gedacht dat de katholieken liberalen eigenlijk maar koude kikkers vonden, niet warm, niet gezellig. Maar goed, er was in die tijd in de katholieke kerk ook veel gaande.’

Na zijn vertrek als hoofdredacteur is Jérôme Heldring alleen nog als auteur, niet meer als beleidsbepalende redacteur bij de krant betrokken geweest. Hij vindt dat hem daarom terughoudendheid past in zijn oordeel over de ontwikkeling van de journalistiek sedertdien. Voor de goede verstaander schuilt er niettemin wel een impliciete boodschap in de rest van zijn verhaal. Het is in dat licht niet zonder betekenis dat hij in het slot van zijn afscheidsartikel C.P. Scotts motto Comment is free, facts are sacred aanhaalt. Heldring: ‘Op zichzelf is het noodzakelijk dat een krant commentaar geeft. Het commentaar geeft de krant gezicht. De lezer weet dankzij het commentaar voor welke waarden de krant staat en welke filosofie de grondslag vormt. Hoofd­artikelen horen daarom ook ongesigneerd te zijn, want het is de krant die spreekt. Le Journal est un monsieur. Dat is een goede typering: de krant is een meneer die aan het woord is. Daarom vind ik het niet goed dat de Volkskrant en het Nederlands Dagblad de hoofdartikelen signeren. Het ongesigneerde commentaar schept natuurlijk een mythe, alsof de hele redactie bijeenkomt en het commentaar schrijft, maar het is wel een nuttige mythe die gehandhaafd moet blijven, om wille van de identiteit van de krant. Om wille van haar ziel, wat u zegt.’

In 1844 verscheen de eerste Nieuwe Rotterdamse Courant, met een hoofdartikel onder de kop: Onze beginselen. Het eerste commentaar van NRC Handelsblad op 1 oktober 1970, van de hand van Heldring, had dezelfde titel. Nog steeds herkent de auteur Scotts motto in de passage over de positie die de krant tegenover de lezers kiest: ‘Wij respecteren onze lezers te zeer dan dat wij hen als onvolwassenen willen behandelen. Daarom zullen wij hun ook geen meningen opdringen. Het is ons doel hun in de eerste plaats de ruimst mogelijke informatie te geven, op grond waarvan zij dan zelf hun eigen mening kunnen vormen. Willen zij daarnaast nog kennis nemen van onze mening, die gescheiden van die informatie gegeven wordt, dan is dat meegenomen. En zelfs dan zullen wij hen wel eens met wat vraagtekens confronteren, die hen, hopen we, tot nadenken zullen prikkelen. Want op alwetendheid maken wij geen aanspraak.’

Heldring: ‘Ik geloof nog altijd dat de lezers de krant vooral lezen om het nieuws. Nu zij dat eerder dan ooit krijgen, dankzij alle nieuwe communicatietechnieken, verschuift het belang van de krant naar de duiding van het nieuws, de analyse. Voor de lezers is de duiding van al dat nieuws uit die onmetelijke stroom belangrijker dan het commentaar. Daarmee komen we op het columnistendom. Ik heb ooit mijn eigen bestaanszekerheid ondermijnd, door te zeggen dat er te veel columnisten zijn. Ik meende dat niettemin ten zeerste. De lezer wordt er niet wijzer van. Hij leest van de ene auteur dit, van de andere dat, maar wat moet hij nu geloven? Is het werkelijk zo dat de lezers al die meningen lezen en er dan nog wijs uit kunnen? Ik betwijfel dat. Het is nu eenmaal een menselijke zwakte dat de meesten van ons een tekst prefereren die onze mening verwoordt, beter dan wij kunnen. Wat schrijft die goed! zeggen we dan. We willen worden bevestigd in onze mening. Ik vind dat dunnetjes, hoor, zo’n baaierd aan meningen in de krant. Ook in de NRC, ja.’

The Financial Times is de krant die dat ideaal volgens Heldring het meest benadert: ‘Een krant met voortreffelijke analisten, geen columnisten. Zij zijn ook in dienst van die krant, dus geen buitenstaanders met de een of andere mening. De beknoptheid waarmee dat alles wordt weergegeven is een verademing. De ideale krant, bijna. Veel collega’s zweren bij de International Herald Tribune. Een voortreffelijke krant, zeker, maar je kunt nog altijd eraan aflezen dat het de oorspronkelijke functie van de IHT is om Amerikanen overzee te informeren over Amerika. De Frankfurter Allgemeine? Ook uitstekend, maar wat hebben ze veel woorden nodig! Le Monde? Idem.’

Nog steeds worden deze kranten elke dag bezorgd aan het Spui in Den Haag. Maar sinds 5 april is er geen Heldring meer om ze op te wachten. Zijn stoeltje is leeg, al wordt het soms nog gebruikt door een collega van de Volkskrant om er zijn sigaretje te roken.


Rotterdam, 1968. Als hoofdredacteur van de NRC in zijn werkkamer in de Witte de Withstraat. Beeld: Vincent Mentzel / HH.