Ik moet cijferen

Er zijn een paar momenten in mijn leven geweest waar ik ouderwets moest rekenen.
Toen ik op kamers ging wonen en ik niet alleen de huur wilde betalen, maar ook in de kroeg wilde hangen.
Toen ik verliefd was geworden op een ander en ik mijn vrouw en kind ging verlaten en ik geen werk had.

Medium opheffer 10 12 risico

Toen ik een huis ging kopen.
Die rekenmomenten, dat cijferen met altijd te kleine getallen, vonden - achteraf gezien - altijd plaats op momenten dat ik politiek andere inzichten kreeg.
De jonge marxist die ik was, had het café nodig om zijn eigenwijze marxistische visie te uiten en te drinken. Door mijn gecijfer kwam ik erachter dat ik geld moest zien te lenen. Vooral bij mijn rechtse ouders, daarna bij oma, en anders bij mijn vrienden. Mijn verjaardag en Kerstmis (‘Ik kan wel een zakcentje extra gebruiken, pap’) zorgden ervoor dat ik mijn schulden aan iedereen behalve mijn ouders en oma kon aflossen.
Toen ik, inmiddels vader geworden, mijn vrouw wilde verlaten voor een andere, moest ik een verschrikkelijke beslissing nemen: ga ik het onderwijs in of niet. Met andere woorden: ga ik een burgerlijk bestaan leiden als onderwijzer terwijl ik een ander burgerlijk bestaan, namelijk mijn huwelijk, wilde verlaten.
Ik ging, als onderwijzer, in de comfortabele hangmat van de sociaal-democratie liggen, dromend van een links paradijs.
Het waren de dagen dat ik veel over politiek las, maar het waren ook de dagen dat ik gek werd van onzekerheid. Onzekerheid over alles: over mijn talent, mijn werk, mijn eigenlijke roeping, mijn verhouding. Een socialistisch wereldbeeld, hoe klein ook, gaf me zekerheid: je huurde een huis, je werkte bij een baas, je dwong een salarisverhoging af met de bond. Socialisme gaf me sociale zekerheid. Maar waar ik altijd tegen streed en strijd, overviel me: het rancuneuze kleyne luyden-gedrag had me weer vastgeketend en ik voelde me benauwd worden.
Toen waren opeens mijn beide ouders dood. Ik zette een raam in mijn ouderlijk huis open en het laatste restje oorlog verdween; ik merkte hoe de inrichting van mijn eigen leven een van de middelen was geweest om hun naoorlogse angst te genezen; tot het moment van hun dood bleef de oorlog namelijk in hun bestaan aanwezig.
Kinderen leven trouwens te vaak het leven van hun ouders na.
Ik was een wees en wilde wees zijn. Ik wilde vrijheid. Zelfstandig zijn. Ik kon een huis kopen. Het huis van mijn ouders. Dan moest ik wel mijn broer en zus uitkopen.
'Bezit deugt niet. Het corrumpeert. Door bezit verlies je je sociale rol. Bezit doet je empathie met zwakkeren afnemen, want je wordt een egoïst.’
Ik kende de formules. Maar ik had ontzettend veel zin in egoïsme! Ik had zin om zelf orde op zaken te stellen. Mijn empathie was niet oprecht, maar aangeleerd.
Ik sprak nog steeds veel over politiek. Dat hoorde bij het leven. Ik werd ook ouder en zag de eb en vloed van de politiek. De bordjes 'verboden te betreden’ die ik weg wilde hebben, worden nu weer teruggezet, tot iemand ze weer weghaalt.
Dat in het café zitten doe ik nu nog. Hoewel, meestal is nu het café een huiskamer bij een vriend. We zijn de links-rechts-discussie voorbij, maar we merkten dat die bij politici nog leeft.
Door de crisis moet ik weer gaan cijferen. De winter van mijn leven kondigt zich aan, vermoed ik, want je merkt dat je sommige ambities beter kunt weggooien.
Waarom was ik vroeger toch zo verguld van Marx, denk ik wel eens. Omdat ik geen verantwoordelijkheid durfde te nemen. Hoe liberaler je wordt, hoe meer je van vrijheid houdt, hoe meer verantwoordelijkheid je neemt; wie vrijheid liefheeft, houdt van de risico’s die daaraan vastzitten.