Toneel: ‹Het leven van Galileï›

«Ik moet het weten»

Misschien is ‹Het leven van Galileï› wel het meest autobiografische stuk van Bertolt Brecht. Het is in elk geval een vertelling waar de schrijver nooit over uitgedacht raakte.

Het scherpst etste regisseur Ger Thijs zijn handtekening in de zogenaamde herroepingsscène van Brechts Het leven van Galileï. Galileï’s leerlingen en medewerkers wachten in het paleis van de Florentijnse gezant in Rome op de uitkomst van het ultieme verhoor waaraan de pauselijke inquisitie de beroemde geleerde onderwerpt. Ze bieden tegen elkaar op over de uitslag, met als voor hen meest wenselijke uitkomst dat Galileï zijn bevindingen over de sterrenbewegingen in het heelal níet herroept. Zijn dochter Virginia smeekt biddend het omgekeerde af, wat uiteindelijk ook gebeurt: Galileï herroept alles. Men hoefde hem alleen maar de folterinstrumenten te laten zien (Kardinaal-Inquisiteur: «Dat zal voldoende zijn. Meneer Galileï heeft verstand van instru menten.») In de meeste opvoeringen die ik heb gezien, kwam Galileï na zijn herroeping op als een ge broken man, die gelaten het gescheld van zijn medewerkers over zich heen laat komen.

In de versie van het Nationale Toneel gaat dat heel anders. Ger Thijs vertelde in een interview dat zijn acteurs en hij zich verbaasden over de felheid van de leerlingen in deze scène: ze willen in feite dat Galileï doodgaat — immers de ultieme consequentie van verzet tegen de wil van de inquisitie. Hier be treedt Galileï na afloop van het verhoor het speelvlak met een jongensachtige flair: armen wijd en brede glimlach — jongens, ik heb het hem gelapt! Het maakt de verbijstering van de leerlingen — Andrea Sarti, die van kindsbeen af bij Galileï in de leer was, gaat bijna over zijn nek — des te schrijnender. Tegenover hen staat een overlever, die op de bittere tekst van Andrea, «Ongelukkig het land dat geen helden heeft», alsnog het betere laatste woord heeft: «Ongelukkig het land dat helden nodig heeft.»

Bertolt Brecht schreef zijn grote vertelling over de Italiaanse natuurkundige Galileo Galileï in feite drie keer. In 1938, als balling op de vlucht voor Hitler woonachtig in Denemarken, concipieert hij de meest idealistische versie. In het jaar van de Kristallnacht in nazi-Duitsland en de Anschluss met Oostenrijk zoekt hij in Galileï een theatraal «model» om zowel zijn woede over intellectuelen die compromissen zoeken met het fascisme, als ook de zelftwijfel over zijn eigen opportunisme van zich af te schrijven. In het verlengde van zijn essay Vijf moeilijkheden bij het schrijven van de waarheid, dat in dezelfde tijd ontstaat, is zijn protagonist een geleerde die de bouwstenen voor nieuwe tijden metselt, en tegelijkertijd een tactische verhouding aangaat met de oude en nieuwe machthebbers ten tijde van de Italiaanse Renaissance, het Vaticaan en de opkomende handelshuizen. Met de een delibereert hij over een ander universum dan dat van Aristoteles en Ptolemeus, voor de anderen ontwerpt hij nuttige instrumenten. Zijn voornaamste wapen is de slimheid: Galileï jongleert met list, zowel zijn ontdekkingen (weliswaar in het geniep), als hijzelf in de persoon van de eeuwige overlever (weliswaar als gevangene van de inquisitie), houden stand. De held als anti-held.

In de tweede helft van de jaren veertig is Brecht, ondertussen als balling in de slagschaduw van Hollywood levend, maar door de filmproductiemaatschappijen niet bepaald hartelijk omarmd, een stuk sadder and wiser geworden. Het atoom heeft een bom gebaard die ook is gebruikt, de bruinzwarte vijand is weliswaar overwonnen maar de overtuigde marxist Brecht wordt zelf in de tang genomen door de inquisitie van de «vrije wereld», het anti-communisme à la McCarthy. Hij ontmoet in 1944 de filmacteur Charles Laughton (wiens carrière sinds het wereldsucces van The Hunchback of Notre-Dame in het slop zit en die een comeback-rol voor het toneel zoekt) en schrijft met hem aan een nieuwe versie van Das Leben des Galilei. Die is losser van structuur en bitterder van toon. In zijn notities over het werk met Laughton (in 1962 verschenen, zes jaar na Brechts dood) signaleert de schrijver dat Laughton als wellustige levensgenieter de ideale vertolker is voor de koppige geleerde («Ik moet het weten») en dat hij nieuwe ingangen voor de rol vindt: na Galileï’s herroeping krijgt hij van de acteur een wezenlijk andere houding, «de grijns van een infantiele bedplasser, een zelfbevrijding op het laagste niveau, alsof er teugels worden afgeworpen die ooit nodig waren, maar nu niet meer», noteert Brecht.

In de voorlaatste scène van het stuk laat Brecht de geleerde in deze tweede versie zeggen: «Als ik stand had gehouden tegen de inquisitie, dan hadden wetenschappers zoiets kunnen ontwikkelen als de hippocratische eed bij artsen, de belofte hun vindingen alleen in dienst te stellen van het welzijn van de mensen. Zoals de zaak er nu bij staat is het hoogste waar men op kan hopen een geslacht van vindingrijke dwergen, die voor álles kunnen worden ingehuurd.» Die versie wordt de basis voor de derde, die in de jaren vijftig in de DDR ontstaat, waar Brecht intussen het met een Stalin-vredesprijs gelauwerde boegbeeld van een staatssocialistisch regime is geworden.

De toon is nu ronduit zwart gallig geworden, Galileï’s zelfbeschuldigingen aan het eind van het stuk zijn weinig vleiend voor het zelfbeeld van een wetenschapper. Laat staan voor dat van een kunstenaar.

Ger Thijs heeft voor zijn voorstelling bij het Nationale Toneel de drie versies, vooral de laatste twee, in elkaar geschoven, het stuk zijn strenge episodisch-epische structuur ontnomen, het plechtige en statige karakter van de vertelling losser gemaakt, in een script waarin de scènes soepel, bijna filmisch in elkaar overvloeien. Dat is winst, in elk geval tijdwinst — de meeste Galileï-voorstellingen duurden drie uur, deze enscenering staat in een uur en drie kwartier (zonder pauze) als een huis. Het is ook de winst van een vrije omgang met de door het vooroordeel van logheid achtervolgde toneeldichter Brecht. Met als nominaal resultaat een voorstelling die vooral wordt gekenmerkt door gretigheid, de gretigheid waarmee Brecht zich in zijn eerste versie ook op de stof stortte. Gretigheid lijkt ook een leidend motief voor het personage van Galileï, over wie door kardinaal Barberini, de latere paus Urbanus VIII (een collega-natuurkundige) in het stuk wordt gezegd: «Het is een genieter. Zelfs zijn denken is zinnelijk. Hij kan geen nee zeggen tegen een oude wijn of een nieuwe gedachte.»

Voor de titelrol had Thijs ook een joyeuze acteur bedacht, Gees Linnebank. Maar die werd enkele weken voor de première door een ernstige ziekte geveld. Thijs besloot de rol toen zelf te spelen, en hij doet dat met een aanstekelijke schwung en met plezier, vol prettwinkelingen in zijn ogen elke keer als hij een nieuwe gedachte (of een oude wijn) proeft. Dat gebeurt meteen in de openingsmonoloog voor het doek, die Thijs heeft ontleend aan de eerste versie: «Er is een onbedwingbare lust ontstaan om de oorzaken van alle dingen op te speuren: waarom de steen valt als je hem loslaat, waarom hij door de lucht buitelt als je hem omhoog gooit.»

De gretigheid van het titelpersonage geldt ook voor het ensemble om hem heen, dat zichtbaar geniet van de noodzaak om dit verhaal nu zo helder mogelijk te vertellen, daarbij geholpen door een werkelijk prachtige mise-en-scène, de afwisseling van kleine ontmoetingen en grote groepsscènes van de zestien acteurs. Het verder kale speelvlak verandert voortdurend van aanzicht door een ingenieus changement van een serie poorten, waarmee even gemakkelijk de benauwenis van een gangencomplex in het Vaticaan als de open ruimte voor een groots Romeins maskerfeest wordt gesuggereerd.

De echte slotscène (Andrea Sarti smokkelt een clandestien door Galileï zelf gekopieerd manuscript over de grens van Italië) is geschrapt, zodat het eind van de voorstelling de grote confrontatie is tussen de rancuneuze ex-leerling en de oud geworden geleerde. Die heeft in de lange dagen van zijn gevangenschap genoeg over zijn positie kunnen nadenken om de leerling nog een lesje te kunnen leren.

Galileï: «Ik had als wetenschapper een kans die enig in zijn soort was. In mijn tijd bereikte de astronomie de marktpleinen. Onder die zeer bijzondere omstandigheid had de standvastigheid van één man grote schokken teweeg kunnen brengen. Maar ik heb gelogen. Terwijl ik ben gaan geloven dat ik nooit echt gevaar heb gelopen. Ik leverde mijn kennis uit aan de machtigen, om die te gebruiken zoals het in hun kraam te pas kwam. Ik heb mijn beroep verraden. Een man die gedaan heeft wat ik gedaan heb, kan in de rijen van de wetenschap niet geduld worden.»

De man die zijn hand hopeloos overspeelde, slaat zichzelf aan het slot met gruwelijke zelfvernedering. Wat blijft, waar hij nooit voor kon weglopen en wat hem altijd fascineerde, is die ene simpele vraag en dat ene simpele antwoord: «Hoe is de nacht?» «Helder.»

Mooi stuk toch. En een gedenkwaardige voorstelling.

Het leven van Galileï is nog tot en met 19 mei te zien in onder meer Groningen, Haarlem, Nijmegen, Utrecht, Breda, Den Bosch en Arnhem.

Inlichtingen en speellijsten: 070-3181444 of www.nationaletoneel.nl.