Ik moet iets goeds maken

Onder de noemer ‘Het scheppingsverhaal’, een samenwerkingsverband van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam met De Groene Amsterdammer, openbaarde Tomas Lieske onlangs in De Balie de geheimen van zijn vak. Hieronder volgt een weergave van zijn verhaal.

Medium coverlieske 1

Even hardnekkig als het misverstand dat een roman de gelegenheid moet bieden aan de lezer om zich met een van de personages te identificeren, is het misverstand dat een roman beter is naarmate de stof sterker overeenkomt met de avonturen of de belevenissen van de auteur. Het zou met mijn romankunst armzalig gesteld zijn. Gelooft u mij, ik heb nooit enig avontuur beleefd dat de moeite van het navertellen waard is, uitgezonderd misschien die ene keer dat ik wegens verboden wapenbezit door de politie ’s nachts uit de trein werd gepikt. Maar juist dat avontuur is nooit literatuur geworden, ook niet in de roman over de jongen die mij dat pistool overhandigd heeft, Franklin. Verder is mijn leven onopvallend en aangenaam. Wel vol afwisseling, want poëzie maken betekent vakantie en proza schrijven is verdeeld in drie periodes: maanden piekeren, anderhalf jaar research doen en anderhalf jaar in buitenlands isolement schrijven. Die verdeling weerspiegelt de overtuiging dat de bronnen van een roman zijn: de persoonlijke gevoelens, angsten, verlangens en herinneringen; research en studie van de wereld om ons heen; de fantasie. In mijn persoonlijk leven ben ik een man zonder kinderen. Ooit voor gekozen omdat ik dat niet te combineren vond met een leven als schrijver. Nooit spijt van gehad. Dat neemt niet weg dat de gedachte ‘hoe zou het leven verlopen zijn als ik wel een kind had gehad, een dochter had gehad?’ af en toe door je hoofd speelt. Net zo goed als ik werkelijk verliefd kan raken op een romanfiguur en de kracht van mijn gevoel kan gebruiken om het personage werkelijker te maken, kan ik mij een dochter inbeelden en daar enkele jaren mee bezig zijn. Maar meer dan een uitgangspunt voor de roman mag dit niet worden. Het is een goed uitgangspunt want het is krachtig en persoonlijk, maar ik schrijf het boek niet voor mijzelf en zeker niet om mij drie jaar de illusie van een dochter te gunnen. Ik schrijf het boek voor lezers, hoe onpersoonlijk die ook zijn en ik schrijf het om het plezier dat ik beleef aan het maken van een roman en een taalkunstwerk, het plezier dat ik beleef aan het verbeelden en aan het scheppen van een kloppende wereld, met grappen, vondsten, personages en een plot. Dus is mij er alles aan gelegen het persoonlijke uitgangspunt op te tillen en te verdraaien. Ik schrijf niet om een persoonlijk trauma te verwerken. Literatuur is een wereld creëren en niet de wereld nabootsen of beschrijven.

Mijn voorkeur voor een iets andere tijd en plaats heeft ook te maken met een behoefte aan een omgeving met minder regels en meer chaos dan het keurige Nederland anno nu. Een schrijver maakt een literaire wereld waarin de werkelijke wereld weerspiegeld wordt, maar ietwat verbogen en onverwachter. In de literaire wereld bevinden we ons op drijfzand en zijn we op onszelf aangewezen. Ik probeer dat in al mijn literaire werk te verwezenlijken en daarin zie ik mijn belangrijkste taak als schrijver.

Het nut van documentatie is evident. De historisch kloppende feiten geven de lezer het idee dat hem niets op de mouw gespeld wordt. Hij laat zich makkelijker de roman binnenvoeren. Ik ga ervan uit dat de gemiddelde lezer zo veel bagage heeft dat storende fouten en slordigheden de lezer het boek doen wegleggen. Bovendien blijkt steeds vaker dat een oppervlakkige documentatie je dwingt de paar feiten die je toevallig weet in het boek op te nemen en merkwaardig genoeg geeft dat nu juist de lezer het idee dat de feiten er met de haren zijn bijgesleept. Terwijl een uitvoerige documentatie, zodat de feiten allemaal in je hoofd zitten en je zelf een beeld krijgt van tijd of van leefwijze of van een bepaald beroep, je de kans biedt om bijna achteloos een term te laten vallen, een proces te verklaren, een sfeer te beschrijven.

Waarom ga ik in Parijs of in Berlijn wonen? Vreemd appartement, niets bij de hand behalve het hoogst noodzakelijke. Juist in dat laatste schuilt de verklaring. Een vreemd appartement heeft het voordeel dat je je niet omringd weet door boeken en door voorwerpen die je dierbaar zijn en die je om hun herinneringen afleiden. In een vreemd appartement kijk je onverschillig tegen de voorwerpen en de meubels aan en zij kijken op hun beurt onaangedaan terug. Jij bent de vreemdeling. Zelf zou je nooit je kamer zo inrichten, maar het is goed zo, want wat je gaat ordenen en inrichten heeft met je roman te maken en dat gaat het komend jaar plaatsvinden in je hoofd. De ruimte en het invallend licht zijn belangrijk. Het besef ook dat je in een vreemde omgeving bent. Het huren van zo’n appartement is duur. Als Hollander heb ik ongetwijfeld een tik van de calvinistische molen gekregen, want het huren van zo’n ruimte geeft mij het besef dat er gewerkt moet worden. Ik kan niet een beetje lanterfantend rondlopen. Ik moet iets goeds maken wil ik de kosten voor mijzelf en mijn dierbaren kunnen verantwoorden.

Ik hecht meer aan ruimte dan aan spullen. Geef mij een lege, gestuukte kamer met een goede harde vloer en een tafel en verder niets en ik kan schrijven en zal tevreden zijn. Meer dan een lege ruimte is niet nodig voor het ontstaan van een roman. Materieel gezien dan. Misschien heb ik dat altijd nodig, zo’n lege ruimte. Of een gehuurde ruimte waarin ik mijn romans schrijf. Waarin de verbeelding tot zijn recht kan komen. Een ruimte die op geen enkele wijze aanwezig is of anderszins stoort. Die alleen maar de mogelijkheid biedt de verbeelding zijn werk te laten doen. Dat houdt ook in dat het mij dierbaar is wanneer alles op zijn vaste plaats ligt. Op de foto’s die ik van mijn werkruimte in Berlijn genomen heb, zie ik op de glazen tafel van honderd bij vierhonderd centimeter een glas met gewone potloden, een glas met kleurpotloden, lege papieren, een puntenslijper van Faber Castell, een doorzichtig perspex bakje met lege blaadjes, een gum, een beeldje van de god Anubis die over de dood heerst en verder niets. In de hoek een foto van mijn geliefde. Leeg, vaak en altijd schoongemaakt, alles recht geordend: een poging de uiterlijke wereld om me heen te ordenen om de chaos van verhalen los te laten komen.

Mijn dagindeling tijdens de werkelijke schrijfperiode is streng en van een kloosterachtige regelmaat. Opstaan (vroeger 7.00 uur, na mijn hartziektes gunde ik mij een half uur langer slaap, 7.30 uur dus), wandelen en boodschappen doen, vaak gepaard gaande met het optekenen van ideeën op een terras (rond 16.00 uur), koken en eten (van 18.00 tot 19.30 uur ongeveer), stoppen met schrijven (23.00 uur). Het ligt allemaal vast. Tijdens de week geen alcohol. Geen radio, geen krant. Ik besef dat ik hiermee de indruk geef van mijzelf als fanatieke en regelende malloot. Geloof me, dat valt wel mee. Maar ik ben ervan overtuigd dat het niet vanzelf gaat. Je kunt je wel voornemen die dag een briljante vondst te doen, maar dat lukt niet. Het enige wat je kunt doen is de omstandigheden ideaal maken. En dan maar hopen dat die vondst vanzelf komt.

Tegenover de lezer heb ik twee verplichtingen. De eerste is de lezer meeslepen mijn literaire wereld in. Ik moet zijn fantasie en verbeelding prikkelen, hem laten geloven in de wereld van het boek. Dat betekent dat ik een goed verhaal moet vertellen, vol spanning en vaart, opdat hij niet afhaakt. De tweede verplichting is de lezer te doordringen van het middel waarmee mijn literaire wereld gemaakt is: de taal. De taal is mijn instrument en de taal is het intermediair tussen mijn verbeelding en de verbeelding van de lezer. Geen lof te hoog voor een rijke taal. In taal mag alles en moet niets. Liever fantasie dan regels. Ik wil de taal in al zijn facetten gebruiken. Ik mag nergens voor terugschrikken.

Ik heb mijn laatste roman geschreven vanuit drie verschillende personages. Met drie zo verschillend mogelijke stemmen. Simon Krisztián is een jongen die nog niet heel veel heeft meegemaakt voor hij in Turkije in gevangenschap raakt. Hij komt uit een leidekkersgezin. Eenvoudige komaf. Mijn eigen vader had een schildersbedrijfje, waar ik ook jaren in heb gewerkt. De taal die ik mij daarvan herinner, de woorden, de uitdrukkingen zijn de basis geweest voor de taal van Simon. Maar als ik Simon letterlijk had laten praten zoals onze schildersknecht Theo het deed, dan had iedere lezer na vijf minuten het boek zuchtend dichtgeslagen. Simon is natuurlijk wel een personage in een literair werk. Simon Vestdijk (naar wie overigens de voornaam van de hoofdpersoon is vernoemd, net als de achternaam naar een personage van Péter Nádas) kreeg naar aanleiding van diens roman Het genadeschot als verwijt te horen dat een buschauffeur zo niet sprak en op dat niveau niet kon denken. Had de lezer of de criticus werkelijk het gewauwel van een echte buschauffeur verwacht? Die kunnen meestal geen roman schrijven. Het literaire personage Simon gebruikt uitdrukkingen en woorden die herinneren aan zijn beroep en zijn afkomst, maar is tegelijk deel van een taalkunstwerk.

Een tweede, gelijkwaardig personage is Dünya. Dünya Suman, de vriendelijke, veel te dikke, mij zeer geliefde dievegge. Om mij in haar te kunnen inleven bestudeerde ik het leven van alledag van Istanbul 1930. Ik ken de merken van de zepen en de parfums, ik weet waar de duurste toiletartikelen gekocht werden en dat grijze moiré de grote mode was. Ik weet ook dat Galatasaray en Fenerbahce toen al speelden en dat Aslan Nihat, genaamd Nikbek, Galatasaray aanvoerde. Ik ken de merken raki, de namen van de restaurants, de data van de bokswedstrijden en de Miss Turkije-verkiezingen. Waarom? Niet om al die feiten in de roman te vermelden, maar om te weten wat er in Dünya omgaat als zij langs de etalages van de Istiklal loopt en naar binnen kijkt. Zo leef je je in een personage in. De taal die zij spreekt is de taal van bladen als Flair, Glamour, Tweed, Celebrity, Ons Koningshuis. Taal van nu. Herkenbare taal. Anachronistisch in zekere zin, maar taal in een historische roman is altijd anachronistisch. Ik probeer een personage te maken dat door mijn lezers herkend kan worden, zoals mijn roman altijd herkend kan worden als een roman uit het eerste decennium van de 21ste eeuw.

Het derde personage is doctor Paul Grunwald, een van de vele Duitse joodse geleerden en technici die bij de opkomst van Hitler en de nazi-partij hun baan verloren, Duitsland ontvluchtten en uiteindelijk via een organisatie in Zürich in het buitenland te werk werden gesteld. Het is bekend dat Atatürk het lage wetenschappelijk niveau in Turkije een flinke injectie wilde geven en daarom veel joodse Duitsers aan de universiteit van Istanbul een betrekking aanbood. We hebben hier te maken met een Duitser die zijn taal uit woede en verdriet in zijn verbanning weigert te spreken en in korte tijd heeft geleerd zich min of meer fatsoenlijk in het Turks uit te drukken. Maar ik heb een roman geschreven in het Nederlands. Zo wordt zijn taal een Nederlands dat op een of andere manier het Turks weergeeft dat hij zou spreken. Vol fouten en Duitse sporen. Met verbasterde uitdrukkingen en versprekingen. Ik heb mij voornamelijk gebaseerd op Duitse tijdschriften over boksen en over sigaren (in mijn idee was doctor Paul Grunwald een verwoed sigarenroker en een liefhebber van de bokssport) en op de interviews die daarin stonden.

Zo probeer ik ieder personage de taal te geven waar hij of zij recht op heeft. Ik probeer de lezer te geven waar de lezer recht op heeft. Ik probeer de lezer niet af te schepen met een taal van armoede, met enkelvoudige zinnen, met een eentonig gebruik van korte hoofdzinnen, met een vocabulaire van een Intertaal-cursus voor beginners.

Dit is mijn scheppingsverhaal. Dat wil zeggen dat het helemaal niet over de schepping zelf gaat, maar slechts over de gunstige omstandigheden, over de rituelen waarmee ik de schepping probeer af te dwingen en over het middel waarmee ik mijn wereld telkens maak.

Tomas Lieske publiceerde onder meer de romans Franklin (2001, Libris Literatuurprijs), Gran Café Boulevard (2003) en Mijn soevereine liefde (2005). Zijn poëziebundel Hoe je geliefde te herkennen (2006) werd bekroond met de VSB-poëzieprijs. Zijn nieuwste roman, Dünya (Querido, 388 blz., € 18,95), speelt op het Turkse platteland rond 1930