Diversiteit in de kunsten

‘Ik moet niet zo zwart zijn vandaag’

Een programma voor mensen met gehoorverlies die zich identificeren als queer: in het museum dat zich committeert aan inclusiviteit wemelt het van de speciale gasten.

Wim van de Plas, Kid Oliveira (Boxer), 1939. Olieverf op doek. 100,5 x 80,5 cm © Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum, Eindhoven

Een scherm bevestigd aan een witte stang op een witte voet met wieltjes beweegt zich soepel door een lange gang van het Van Abbemuseum in Eindhoven. De robot vervoert een zogenoemde ‘special guest’, een van de vele gasten met een beperking die in dit museum terechtkunnen. Er zijn speciale programma’s voor blinden en slechtzienden, voor doven en slechthorenden, voor patiënten in een ziekenhuis, voor mensen die lijden aan afasie, voor mensen met de ziekte van Alzheimer. Ze bieden multizintuiglijke ervaringen van de kunstwerken in het museum dat ernaar streeft ‘inclusief’ te zijn: toegankelijk voor iedereen.

Soms dus door tussenkomst van een robot. De bezoeker op het beeldscherm zwaait vanuit wat lijkt op een ziekenhuisbed naar de mensen die nieuwsgierig naar hem kijken. Aan het einde van de gang betreedt hij het auditorium en wordt naar een goede plaats gedirigeerd, aan de zijkant van een rij, een beetje vooraan. Het is een zaterdag in september en zo’n honderd geïnteresseerden komen bijeen voor de afsluitende dag van het project WHY AM I HERE? Drie personen nemen wat ongemakkelijk plaats op de bank op het podium. Ook zij zijn ‘speciale gasten’. Niet omdat ze internationaal gevierde kunstenaars zijn. Niet omdat ze werden geboren in New York, in São Paulo en in Bujumbura, Burundi. Niet omdat ze bont zijn aangekleed, met paarse glittertop en legging in zebraprint, met pet op en aan iedere vinger een ring, met hoge groene laarzen. Nee, ze werden uitgenodigd als vertegenwoordigers van een groep mensen wier biologische geslacht niet samenvalt met de beleving van hun identiteit: als leden van de transgendergemeenschap.

De vraag ‘Why am I here?’ moet volgens Julius Thissen, een van de onderzoekers van het project, letterlijk worden opgevat. Hij opent het symposium met een persoonlijke noot. ‘Als een transgender man, kunstenaar en curator vraag ik me geregeld af: ben ik hier, omdat ik goed sta op een fondsenaanvraag? Ben ik hier, omdat ik een hokje afvink op hun diversiteitschecklist?’ In lijn met een ander Van Abbe-programma, Queering the Collection, streefde WHY AM I HERE? ernaar niet alleen over het belang van diversiteit te spreken, maar diversiteit een stem te geven. Er kwam een open call aan transkunstenaars voor een residency in het Van Abbe om ‘hun kritische en creatieve visie over inclusiviteit te koppelen aan de collectie van het museum’. Vandaag de resultaten, bij monde van de ervaringen van de kunstenaars die naar Eindhoven kwamen en die het een en ander te zeggen hebben.

In het museum dat zich committeert aan inclusiviteit wemelt het van de speciale gasten. Het is niet zo dat vóór het programma in het Van Abbemuseum queers de toegang tot het museum werd ontzegd, of dat zij op praktische gronden niet binnen konden komen, zoals rolstoelgebruikers bij een museum zonder lift. Queer zijn is in die zin geen ‘beperking’ – evenmin als het hebben van een zwarte huid dat is – maar een minderheidspositie, een afwijking van de mainstream die op eenzelfde manier de toegang kan belemmeren. Een positie waar rekenschap aan gegeven kan worden, moet worden, volgens het principe: diversiteit is een gegeven, inclusiviteit een keuze.

In het Van Abbemuseum gingen de onderzoekers voortvarend van start. Ze maakten een selectie van kunstwerken uit de collectie die ze aan de kunstenaars voorlegden om tijdens hun verblijf iets mee te doen. Olave Basabose koos het schilderij Kid Oliveira (Boxer) (1939) van Wim van de Plas, geraakt als ze werd door tegelijkertijd de kwetsbaarheid en het zelfvertrouwen van de onbekende bokser. Geo Wyeth koos hetzelfde schilderij, ook hij is geïnteresseerd in de representatie van zwarte mensen, en mannelijkheid, in de kunst.

Maar Mavi Veloso kon moeilijk kiezen. Ze vond het vreemd geconfronteerd te worden met de voorselectie van de programmamakers. Zij was geselecteerd uit een groep kunstenaars die zich had aangemeld en nu werd zij op haar beurt weer geacht iets te kiezen. Ze ziet musea als instituten vol dergelijke opgelegde structuren, het doet haar denken aan haar thuisland Brazilië waar onder het koloniale regime Europese praktijken klakkeloos werden overgenomen. In een museum voelt ze die onderdrukking, in São Paulo maar ook in Eindhoven, bij de wortels van kolonisatie. ‘Wij zijn drie queer personen, omringd door queer curators, die gevraagd zijn om de collectie te “queeren”. Maar in het museum worden we geconfronteerd met structuren die helemaal niet queeren. We voelen ons gemarginaliseerd om verschillende redenen – om persoonlijke ervaringen met geschiedenis, ras, gender en seksualiteit – en deze ruimte is vergeven van de structuren die ons buiten spel zetten.’

Ze voelde zich, kortom, niet meteen welkom. Het publiek applaudisseert.

Bij de roep om diversiteit staat de kunstwereld vooraan. In de jaren negentig werd al gesproken over een ‘Stimuleringsfonds voor Culturele Diversiteit’ en zette staatssecretaris Rick van der Ploeg het probleem van een witte culturele elite op de agenda. De ophef die toen uitbrak bleek niet genoeg voor verandering. In 2011 werd daarom de Code Culturele Diversiteit opgericht, een leidraad voor diversiteit in alle kunsten aan de hand van vier P’s: Programma, Publiek, Personeel en Partners. Er is een aanmoedigingsprijs aan verbonden, een platform met best practices en een keur aan diversiteitsexperts. Bij de CCD Award 2017 kreeg het Van Abbe een eervolle vermelding. ‘Fenomenaal hoe het Van Abbemuseum inclusiviteit in de volle breedte als leidraad neemt in hun beleid en handelen’.

‘Als ik in het museum kom, dan denk ik: oké, ik ben er en ik ben trans, was dat mijn taak?’

Maar ook de code bleek als handvat niet genoeg voor structurele verandering. De Raad voor Cultuur oordeelde dat culturele diversiteit onderbelicht blijft en zinspeelde in haar laatste adviezen op diversiteitsquota. De directeuren van de zes rijkscultuurfondsen en de Nederlandse Unesco Commissie deden boter bij de vis. In een open brief in NRC stelden ze onlangs diversiteit voortaan te willen afdwingen door steun, of geen steun (‘Diversiteit kunst dwingen wij vanaf nu af met subsidie’, 22 augustus).

Het Nederlands Filmfonds, Mondriaan Fonds, Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Fonds voor Cultuurparticipatie, Nederlands Letterenfonds en Fonds Podiumkunsten noemen het namelijk ‘onontkoombaar’: ‘een inclusieve cultuursector, diversiteit van makers en publiek en pluriformiteit van uitingen hebben topprioriteit’. Ze zien hoe mensen in het maatschappelijk debat steeds in hokjes worden gestopt en dat hokjes voor kunstenaars benauwend werken. Ze schrijven voorbij te willen ‘aan de toon van de discussie waarin niet zelden een valse noot klinkt, bijvoorbeeld dat selectie van kunstenaars met een andere culturele achtergrond kunstmatig zou zijn’. En concluderen: ‘Diversiteit is niet de uitzondering maar de regel zelf: dat is onze toekomst.’

Het diversifiëren van de kunstsector heeft prioriteit, maar een beschrijving van het precieze hoe daarvan mondt vaak uit in vaagheden. Deels omdat er geen echte doelstelling te becijferen valt, want wanneer zijn een organisatie, een programma en een kunstcollectie divers genoeg, en bovendien, wat te doen met de mensen, agendapunten en kunstwerken die er al zijn? Maar deels ook door het knagende besef dat de kunsten zonder ingrijpen maar niet divers wilden worden. Wat in de huidige discussie ontbreekt is een antwoord op de vraag onder welke voorwaarden daar met rigoureus optreden nu verandering in kan komen. De fondsen schrijven onder meer een podium te willen bieden aan ‘verhalen die nu niet gehoord worden’. Ze willen die verhalen gaan vinden en steunen, wensen ‘dat alle verhalen verteld worden en dat alle verhalen gehoord worden’. Maar moeten die verhalen ook nog specifiek ergens over gaan?

‘Idealiter zou ik worden uitgenodigd omdat ik kunstenaar ben’, zegt Wyeth vanaf de bank in het Van Abbemuseum – en niet omdat hij trans is. Want er kleven nogal wat verwachtingen aan die premisse. ‘Je kunt zeggen dat ik word gevraagd om het museum te diversifiëren, om kennis te delen, te onderwijzen, om licht te schijnen óp en wellicht ook om te verstoren. Maar uitgenodigd worden om iets te verstoren… Daar is iets heel vreemds aan.’ Het is iets wat hij in Nederland vaker tegenkomt: dingen met woorden benoemen als een manier om iets te controleren. ‘Het is net als ouders die tegen hun kinderen zeggen: “Het is oké als je wiet wilt roken, maar doe het bij ons in huis. Rook met ons!”’

Over wat hij daar precies van vindt is hij nog niet uit, natuurlijk is hij blij uitgenodigd te zijn, dit platform te hebben. Hij noemt het de catch-22 van een woord als ‘diversiteit’. Een woord waarvan iedereen maar moet begrijpen wat het betekent. ‘Terwijl, als ik in het museum kom, dan denk ik: oké, nu ben ik er. Ik ben er en ik ben trans, was dat mijn taak?’

Basabose dacht iets soortgelijks toen zij in het Van Abbe kwam: ‘Nu moet ik erg trans zijn. Supertrans. Ik liep rond en probeerde te denken: hoe kan ik deze ruimte transen? Toen ik het schilderij zag van die zwarte man gingen er allerlei bellen in mij af. Maar ik dacht: nee, nee, ik moet trans zijn vandaag. Ik moet niet zo zwart zijn vandaag.’

Ze sprak met de vele (witte) medewerkers van het museum en hoorde over allerlei kritische programma’s uit de voorgaande jaren. Alsof ze wilden zeggen: ‘Wij doen het al hoor.’ Ze hoorde over de visie van directeur Charles Esche. Maar wat als Esche vertrekt en een nieuwe directeur besluit: genoeg van dat zwarte activisme? Wat als de gemeente zou zeggen: genoeg geld gegeven aan die radicale ideeën? ‘Alleen als je diverse mensen aanneemt, dan komt het in je dna. Dan “doe” je geen diversiteit, dan bén je diversiteit.’

Later die dag houden de drie kunstenaars performances die ze tijdens hun verblijf in het museum hebben ontwikkeld. Basabose leest een brief voor die ze schreef bij Kid Oliveira. De brief wordt op haar verzoek als documentatie toegevoegd bij het schilderij, maar de performance is bewust een kunstwerk van tijdelijke aard, een werk dat het museum niet zomaar kan bezitten. Zodat het niet kan zeggen: ja, dat was van een project vorig jaar, met een zwarte transkunstenaar. Want daar ziet Basabose een uitdaging: ‘Hoe zorg ik ervoor dat ik geen legitimerende statistiek word voor wat een heel lange, een héél lange geschiedenis is van witte kunstinstituten die medeplichtig zijn aan kolonialisme, aan patriarchisme, aan racisme, aan objectificatie, aan instrumentalisering, aan het uitwissen van geschiedenis?’

‘Alleen als je diverse mensen aanneemt, dan “doe” je geen diversiteit, dan bén je diversiteit’

Op het feest dat als thema diversiteit heeft is iedereen welkom. Maar niet zonder dat elke afzonderlijke gast eerst expliciet is geïntroduceerd. De toiletten in het Van Abbemuseum bijvoorbeeld zijn inclusief, maar niet zonder een verklarend bordje: ‘Met deze genderneutrale toiletten heffen we de verschillen op en verplichten we onze bezoekers niet tot een keuze.’ En niet zonder in kleine letters daaronder een boodschap voor hen die liever gebruikmaken van ‘klassiek gescheiden’ wc’s. Die zijn nog te vinden in het museumcafé.

Het buffet op het feest dat als thema diversiteit heeft biedt vanzelfsprekend voor ieder wat wils. Maar niet zonder dat de gasten eerst hun persoonlijke smaak met de gastheer delen. En vervolgens in aparte rijen aansluiten. Daar ligt de valkuil van inclusiviteit: dat het streven naar compleetheid resulteert in een fijnbesnaarde hokjesgeest. Dat het feest een verantwoord, maar ook een wat saai partijtje wordt. Vergeven van gesprekken met louter gelijkgestemden. En homemade cooking.

Maar misschien moeten we wel eerst zo veel hokjes bouwen voordat we ze definitief omver kunnen gooien. Een belangrijke sleutel lijkt te liggen in de taal. De uitnodiging immers bepaalt wie zich aangesproken en wie zich welkom voelt. Het Tropenmuseum presenteerde dit jaar de publicatie Woorden doen ertoe: Een Incomplete Gids voor woordkeuze binnen de culturele sector en het Van Abbemuseum bracht eerder al A Queer Glossary. Beide publicaties beginnen met een disclaimer: A Queer Glossary met de mededeling dat het geen ultieme en vaststaande definities wil geven, Woorden doen ertoe heeft het incomplete karakter tot in de titel verheven. Het is pas een begin.

In de Queer Glossary staan verklaringen bij termen uit het lgbtqiap+-alfabet (met een toelichting op het acroniem lgbtqqip2saa), bij begrippen als ‘identiteitspolitiek’ en verschijnselen als ‘homonationalisme’. De term ‘reclaim’ gaat over taal. ‘Woorden zijn machtsinstrumenten, maar het is ook mogelijk om macht te bezitten over woorden. Slut, dyke, queer, crip. Het reclaimen en bezitten van woorden kan gezien worden als een daad van (linguïstisch) verzet, ook bekend als re-appropriation.’

Over inclusie en diversiteit in taal ging het op een recente bijeenkomst voor museumprofessionals in het Stedelijk Museum in Amsterdam, onder de noemer ‘Je weet wel wat ik bedoel’. ‘We zijn hier onder elkaar’, verzekerde moderator Janice Deul, fashionactivist en oprichter van platform Diversity Rules, haar publiek. Dus roept u maar: met welke woorden of met welk taboe op woorden heeft u moeite? Een rondleider van het Stedelijk begon te vertellen dat ze het ingewikkeld vond dat rappers in hun teksten het woord ‘nigger’ zelf in de mond nemen. Ho ho, riep Deul toen, mijn oren suizen! Ze bracht haar vingers naar haar oren. Dat woord gebruiken we hier dus niet.

‘Je weet wel wat ik bedoel’ kwam in het gesprek met het publiek herhaaldelijk neer op het juiste gebruik van woorden. Er was een vraag of iemand van Chinese komaf zich zwart moet noemen. Mag noemen. De term genderneutraal is fout, merkte iemand op. Gebruik liever genderinclusief. abn, als in Algemeen Beschaafd Nederlands, is ook een woord om over te struikelen. Wie bepaalt immers wat beschaafd is – spreek liever van standaardtaal. We waren hier dan ‘onder elkaar’, wat dat betekende bleef voor mij het grootste raadsel.

De organisator van de bijeenkomst was STUDIO i – platform voor inclusieve cultuur, een initiatief van het Stedelijk Museum en het Van Abbe dat als doel heeft een ‘duurzame impuls geven aan de toegankelijkheid en inclusie binnen het culturele veld’. Er is een handige website ontwikkeld, toegankelijk voor mensen met uiteenlopende beperkingen en eenvoudig te vertalen in vijftien talen. Een leuke animatie laat de bezoekers zien die nu nog veelal buiten de boot vallen: iemand met een roze poedel, iemand met groen haar, iemand in een rolstoel, iemand met een lange witte baard. Op naar een minder exclusief museum.

Inclusiviteit is vooralsnog een optelsom van, een kwestie van zoveel mogelijk verschillende mensen omarmen, maar niet zomaar iedereen. Terwijl karakteristieken als gender, kleur en afkomst voortdurend door elkaar heen lopen, met elkaar in de clinch liggen. Zoals Basabose, Wyeth en Veloso in Eindhoven ervaren hadden.

Olle Lundin, coördinator van Queering the Collection in het Van Abbemuseum, introduceerde in zijn presentatie in het Stedelijk Museum de term ‘corporeal literacy’. Dat is de mogelijkheid om een persoon te lezen en te begrijpen, met andere woorden, dat je als museum weet met welke ‘lichamen’ je te maken hebt. Een programma waar hij in het Van Abbe momenteel aan werkt is gericht op ‘mensen met gehoorverlies die zich identificeren als queer’. Met als doel een soortgelijke publicatie te maken als A Queer Glossary, maar dan voor mensen met gehoorverlies. Een Queer Sign Glossary. En van de ‘gewone’ Queer Glossary verschijnt een nieuwe editie. Die is toe aan een update.


Woorden doen ertoe: Een Incomplete Gids voor woordkeuze binnen de culturele sector en A Queer Glossary zijn te downloaden via de website van STUDIO-i: studio-inclusie.nl