Opheffer

Ik moet ordenen

Ordening — ik ben voortdurend bezig met zaken te ordenen. Maar om te ordenen moet je hiërarchie en aanbrengen. Je moet onderscheid kunnen maken. Wie niet gelooft in hiërarchie, kan ook geen onderscheid maken. Die kan ook niet ordenen. De makkelijkste manier van ordenen is verbergen.

Gedachten moet je eveneens ordenen, maar als je ook in je gedachten geen ordening kunt brengen, dan moet je, om toch te blijven functioneren, je gedachten verbergen. Verbergen is niet alleen een manier van ordenen, het is ook een manier van opruimen.

Wie veel verbergt, vormt een patroon. Hij maskeert, veegt onder het tapijt, draait — het is allemaal gebrek aan ordening. Als alles op zijn plek zou liggen, zou er niets te verbergen zijn, maar hij weet niet waar hij het moet leggen. Welke gedachte is niet belangrijk? Welke snipper kan worden weggegooid en welke niet? Welk prul kan later een monument worden?

Hij weet het niet. Hij bewaart het. En om te ordenen verbergt hij het. In dozen, kasten, weg. Uitein delijk wordt alles een labyrint — je gedachten, je huis. Je probeert als Ariadne nog een draad te spannen om de weg terug te vinden. Een draad van woorden, van zinnen, maar ook dat is een hopeloze taak. De woorden zelf betekenen niet meer wat ze betekenen.

Het is drie uur in het café. Het leven is een chaos. Ze komt zo. Dan zal ik zeggen dat ik van haar hou.

Ha, daar is ze. Ze zegt dat ze van iemand anders houdt. Trouwens, ze heeft mij gezien met een ander. Nou… dat heeft niets te betekenen. Ja ja, dat zei je vroeger ook altijd.

Je probeert met woorden de weg terug te vinden in het labyrint, maar je vergroot het labyrint; er staan overal spiegels, waardoor je de verkeerde kant op gaat.

«Ik hou van je.»

«Ja, ik hou ook van jou… Wees nou maar vriendelijk tegen die nieuwe blom van je en maak niet de fouten die je bij mij hebt gemaakt.»

«Ik heb geen nieuwe blom. Jij hebt er een.»

«Nou, ik zal niet de fouten maken die ik met jou heb gemaakt.»

Zij kan het ordenen, ik niet. Wanhoop verbergen, mijn fouten verbergen.

Tweede scène — we doen alles over. Het is drie uur in het café. Er is kaarslicht. Daar is zij. Zij huilt.

«Wat is er?»

«Ik wil je terug.»

«Hier ben ik.»

Terwijl er niets beschreven staat, er nergens een scenario is, weet je dat dit niet de tekst is. Alles is ongeordend, maar ergens is er een patroon.

Is patroon niet een ander woord voor baas? Zou God dan toch bestaan? Vroeger geloofde je niet, tegenwoordig geloof je alles. Ook in een goede afloop. Een mooi geloof is nooit weg.

Om op te ruimen heb je formules nodig. De formule is: je moet weten wie je bent en vervolgens kun je alles weggooien dat niet op je lijkt. Maar tijdens het weggooien merk je dat je op alles lijkt. Je bent de hond van je moeder, het handschrift van je vader, de foto’s van je broer en zuster, maar het meest ben je de vrouw die niets meer met je te maken wil hebben. Je gooit niets weg. Je sluit je op in je labyrint.

Wat zou kunnen ordenen?

Hoop ordent.

Geloof ordent.

Liefde ordent.

Nee, die walgelijk geborduurde lap van je oma, met anker, kruis en hart, gooi je ook maar niet weg.