De zelfbevrijding van Béla Bartók

Ik moet werken

In Rotterdam dirigeert Gergiev het Concert voor orkest van Bartók. Wat het ernstige gezicht van de componist verbergt, dringt hier naar de oppervlakte: de schoonheid, de menselijke grootheid. Dit meesterwerk is niet alleen grote muziek, het is een monument van zelfbevrijding.

Nadat Thomas Mann tijdens een bijeenkomst van de Volkenbond in het Genève van 1931 Béla Bartók had ontmoet, schreef hij het volgende. «Wo immer ich Béla Bartók sah, mit ihm sprach, ihm lauschte, war ich aufs tiefste berührt, nicht nur von seiner Liebenswürdigkeit, sondern von seinem hohen und reinen Künstlertum, dessen Wesen sich schon in dem schönen Blick seiner Augen ausdrückte.»

Zo zou je het kunnen zeggen. Maar wie deze grote Hongaarse componist op foto’s ziet, ziet veel meer dan Liebenswürdigkeit en Künstlertum. Hij ziet een conglomeraat van problematische eigenschappen, van een ongemak dat terugslaat op een oeuvre.

Om te beginnen heb ik nooit een ernstiger gezicht gezien. Het is een even fatsoenlijk en intelligent als onsensueel bètagezicht dat zich, als een vleesgeworden chemische verbinding, in elementen laat ontleden. Het is een lichtloos wassenbeeld, bijna een dodenmasker. Het is ondenkbaar dat het lacht, ondenkbaar dat die mooie scherpe trekken zich ontspannen. Als hij in Zwitserland verblijft om in opdracht van Paul Sacher in diens chalet zijn Divertimento voor strijkorkest te componeren, schrijft Bartók aan zijn zoon Béla dat het hem niet vergund is buiten te genieten van het mooie weer: «Ik moet werken.»

Werken. Plichtsbesef.

Wat het gezicht ook uitdrukt, is gestrengheid, niet zozeer voor anderen als wel voor zichzelf; een zachte, in en tot zichzelf gekeerde, aan zelfkwelling grenzende zelfdiscipline.

Orde. Maar manische orde. Kijk naar de ogen: spanning, en een spoor van bitterheid, of van een algemene pijn die van zichzelf de naam niet weet.

Ten slotte is het een ontoegankelijk gezicht, met dien verstande dat het die ontoegankelijkheid wel kenbaar maakt, met de bijna verontschuldigende wellevendheid van iemand die zich vaag gehinderd voelt door zijn gebrek aan souplesse.

Afweer. Kwetsbaarheid.

Het zijn allemaal eigenschappen die je, Bartóks leven kennende, toe zou kunnen schrijven aan omstandigheden als de hardnekkige miskenning van zijn vroegste werken of, veel later, de psychische impact van zijn ongewilde exodus naar de Verenigde Staten in 1940, confronterende ervaringen met het schrijnende gevolg dat hij van 1912 tot 1916 en van 1940 tot 1943 niet of nauwelijks componeerde. Er is een interessant portret van hem uit 1939, gemaakt vlak voordat de fel antifascistische componist naar Amerika uitweek. De componist kijkt met ondraaglijk neergeslagen ogen bijna autistisch langs de camera, terwijl de Untergang des Abendlandes de innerlijke emigrant onzichtbaar maar navoelbaar door het hoofd spookt. Een geslagen man.

Bartók had op dat moment nog zes jaar te leven. Het zouden kommervolle jaren worden, geteisterd door financiële onzekerheid, een ras verschralende concertagenda voor de grote pianist die hij ook was, diep heimwee, de onttakeling door leukemie en hulp die uiteraard te laat kwam. De componist was al ziek toen de dirigent Koussevitzky hem in 1943 op aandringen van Bartóks vrienden Fritz Reiner en de violist Josef Szigeti voor duizend dollar het Concert voor orkest liet componeren en de violist Yehudi Menuhin, wiens bemoeienis met Bartók culmineerde in de opdracht voor de Solosonate van 1944, zijn succesvolle zendingsarbeid voor Bartóks grote vioolwerken ter hand nam. Zijn Derde pianoconcert (1945) wist Bartók, op de laatste zeventien maten na, nog compleet in partituur te brengen; het Altvioolconcert voor de Amerikaan William Primrose bleef schets.

Intussen raakte hij niet aan drank & drugs maar benutte hij zijn jaren van ballingschap om, aanvankelijk als visiting associate of music aan de New Yorkse Columbia Universiteit zijn andere levenswerk voort te zetten. De etnomusicoloog Bartók, een wereldwijd gerespecteerde autoriteit op het gebied van de Oost-Europese volksmuziek, produceerde in 1942 nog een studie naar Servokroatische volksmuziek en catalogiseerde twee jaar later uit zijn eigen verzameling tweeduizend teksten van Roemeense volksliederen. Zijn gezichtsuitdrukking zal gedurende die jaren nauwelijks zijn veranderd; verdrietig op een waardige manier.

Getekend door het leven? Ja. Maar de wortels van zijn onbehagen liggen diep verankerd in de man an sich. Er is een foto van de componist als kind van vijf waarop het hele repertoire van volwassen eigenschappen zich al toont. Dezelfde vorsende, maar besloten blik; dezelfde introverte intensiteit, dezelfde vastberadenheid. De kleuter Bartók had een huidkwaal die blijkbaar zo ontsierend was dat zijn ouders hem verstopten voor bezoekers. Dat zie je aan de foto ook; een kind dat zware dingen heeft ervaren, en zich heeft teruggetrokken in een domein waar het zich meester weet.

Dit gezicht belichaamt metaforisch een heel oeuvre. Alleen in dat oeuvre ligt de innerlijke wereld bloot die het gezicht onthult door het onmachtig te verbergen. Maar wat het blootlegt, blijkt bij nader inzien nauwelijks minder ondoordringbaar dan het aangezicht. Het bonkt en stampt met een orkaan van percussieve krachten, het droomt en danst, het sist en raast, het krijst en zingt tussen extremen van gekuiste avant-garde en een tot elitetaal verbasterde folkloretongval, zonder in de luisteraar gevoelens van verlossing aan te richten. Het is geen onvrije muziek, zoals het werk van Brahms dat Bartók in zijn jeugdjaren zo diep bewonderde, het is muziek die zich hermetisch dionysisch breed maakt in een van de buitenwereld afgesloten speelveld; muziek die klinkt vanuit een fort, waar ze met kracht van wet door metersdikke muren dringt. Buiten staan wij.

Als student hoorde ik de Cantata profana, de strijkkwartetten, de spookachtige opera Blauwbaards burcht, de Danssuite, de Pianosonate, de genadeloos oprukkende Muziek voor strijkers, percussie en celesta, het ontketende Allegro barbaro, het Concert voor orkest en de drie pianoconcerten. Alleen het Concert voor orkest en het Derde pianoconcert vond ik mooi. De rest kwam niet aan; niet door de abstractiegraad van het idioom, maar door de afstand. Lichtheid is bij Bartók zelden speels, zijn zwaarte nooit bevrijdend tranenrijk. Zijn driften: nooit verlokkend maar beklemmend, licht verterend – zwarte gaten. Orkesten kunnen hem spelen tot ze erbij neervallen, echt populair zal hij nooit worden; dat is voorbeschikt. Voor Bartók moet je blijkbaar vechten, zoals hij vocht voor zichzelf en zijn waardigheid. Toen ik de Cantate tien jaar later hoorde, brachten het meesterschap en mijn aanvankelijke miskenning ervan me bijna in tranen. Een Hongaarse, eigentijdse Bach klonk daar, veelstemmig constructief zonder een zweem van archaïsmen. Wat een moedige muziek is dit, muziek van een genie met te veel eergevoel om je te willen paaien.

In Rotterdam dirigeert Gergiev het Concert voor orkest. Dat kennen we te goed om niet in stilte naar een tegendraadser keuze te verlangen, al kijkt men het gegeven paard niet in de bek zolang het meesterwerken speelt in plaats van Sjostakovitsj’ Zevende, die in het vierde deel van het Concert zo heerlijk cynisch op de korrel wordt genomen. Maar Bartók op een festival met «vrijheid» als thema? Waarom? Omdat hij aan de goede kant van het politieke spectrum stond en ook onder moeilijke omstandigheden geen concessies deed aan zijn morele beginselen? Wegens zijn aanzienlijke bijdrage aan de liberalisering van de muzikale taal? Ach wat; het Rotterdams Philharmonisch Orkest speelt onder Gergiev gewoon het Concert voor orkest. En als dat goed gaat, wordt het prachtig.

Toch is het, het voorafgaande indachtig, niet zo gek dat Gergiev de vrijheid eert met juist dit stuk, dat zoveel meer is dan een concertant geplooide symfonie. Er zijn in die laatste scheppingsfase van Béla Bartók werken waaruit die ongenaakbare krampachtigheid van vroeger lijkt te zijn verdwenen, waarin hij zijn publiek de hand reikt met een taal die spreekt zoals de mensen denken, in de geest van vreugde en verdriet, van angst en hoop, van strijd en overwinning. Zo’n stuk is het Derde pianoconcert, zo’n stuk is het Concert voor orkest. Wat het ernstige gezicht verbergt, maar wat door Thomas Mann in het privé-verkeer al twaalf jaar eerder was gezien, dringt hier naar de oppervlakte: de schoonheid, de beminnelijkheid, de menselijke grootheid. Dit meesterwerk is niet alleen grote muziek, het is vooral een monument van zelfbevrijding, dat aufs tiefste berührt.

Béla Bartók, Concert voor orkest (1943)

Rotterdams Philharmonisch Orkest, Valery Gergiev. Met Mozart, Symfonie nr. 41 Jupiter (1788) en Strawinsky, Symphony in Three Movements (1942-45).
16 september, de doelen