‘Ik moet werken, meneer’

Landelijk blijft bijna een derde van de jongens in havo 4 zitten. Ze hebben geen tijd om huiswerk te maken.

MET GEMENGDE GEVOELENS – licht vertwijfelde en verontwaardigde blik – kijkt havo 4-leerling Teun mij aan: ‘Ik moet werken.’
‘Heel goed, Teun.’
De bel voor het einde van de les kan elk ogenblik gaan. Op het bord heb ik het huiswerk voor de volgende dag opgeschreven: twee teksten lezen en vragen over argumentatie beantwoorden. Wie snel en efficiënt werkt heeft de opdrachten in een half uur gemaakt, als voorbereiding op de toets (een prikkelende tekst van Henk Hofland over de leesbereidheid van pubers). Er is wel een planner (een studiewijzer per semester waarin staat wat de leerling moet kunnen en kennen), maar de meeste leerlingen raadplegen die zelden. Ik ben hun planner. Zelfstandig leren in de bovenbouw? Een hersenspinsel van Tweede Fase-theoretici. De havisten in de bovenbouw hebben stuk voor stuk nog steeds begeleiding nodig. Ik, tweederangs acteur, speel meester Staal (Theo Thijssens De gelukkige klas, 1926) of Bordewijks Bint.
‘Ik bedoel, nou, ik moet vanavond écht werken, meneer.’ Teuns stem klinkt paniekerig. ‘Ik heb een afspraak met mijn baas.’ Hij doet alsof hij een voldongen feit meedeelt.
‘Hoe bedoel je? Hebben je ouders je tewerkgesteld? Kinderarbeid bij C1000, uitgebuite vakkenvuller bij Albert Heijn voor twee euro netto per uur?’
‘Maar die afspraak is al een week geleden gemaakt. U mag geen huiswerk opgeven voor morgen.’
‘Dan maak je je huiswerk ervóór of erná. En ik geef huiswerk op voor morgen als ik dat wil. Wat mag of niet mag bepaal ik zelf wel.’
‘Nou, dan kan ik geen huiswerk maken. Ik werk de hele avond.’
Wie mocht denken dat ik zo’n gesprekje uit mijn duim zuig vergist zich. Het is geen verzonnen discussie tussen leraar en leerling. In het echt gaat het er nog heftiger aan toe. Niemand van de leerlingen zegt ooit: ‘Ik moet huiswerk maken, dus ik kan er niet bij werken voor een handvol euro’s.’ Niemand van de ouders zegt: ‘Jij mag niet werken, dat gaat ten koste van school.’
Het kan erger.
De volgende dag overhandigt de jonge arbeider/scholier Teun mij een brief van zijn ouders. Daarin staat dat hij zijn huiswerk niet heeft kunnen maken omdat hij anders zijn baantje bij… Ik lees niet verder en geef hem de brief terug. Het zijn ouders die later, na Teuns rampzalige eerste rapport – zeer verontrust maar de onschuld zelve – verhaal willen halen bij de mentor of bij die brutale, veel te veel huiswerk opgevende, dictatoriale leraar Nederlands.
Het kan nog veel erger.
Te veel docenten houden namelijk rekening met het feit dat de meerderheid van de vierde- en vijfdeklas-havisten doordeweeks een baantje heeft (sommigen werken wel vijftien uur) en geven geen of weinig huiswerk op, met alle gevolgen van dien voor het leertempo. Al het werk wordt tijdens de lesuren gedaan, inclusief het lezen van romans. Daarbuiten gebeurt zelden meer iets wat op studeren lijkt. School staat al lang niet meer op de eerste plaats, ook bij de ouders niet. Geld verdienen is noodzaak, het materialisme onomstreden, de uitgaanszaterdag heilig, het rijbewijs een ideaal. Wie een boek koopt is gek, knettergek. Het geld gaat steevast op aan kleding, drank, iPod, nieuw mobieltje, enzovoort. Het is leven op de korte termijn.
Bijna eenderde van de jongens in havo 4 blijft zitten (en ongeveer één op de vijf meisjes). Dat is een landelijk gemiddelde. Er zijn prachtige theorieën in omloop over hoe dat komt: de ruwe overgang van onder- naar bovenbouw (zelfstandiger leren); een van de twee voorhoofdskwabben bij de jongens zou het leervermogen ondermijnen; het puberende brein is meer met seks dan met school bezig en kan niet langer dan een paar minuten concentratie aan; door het zeer feminiene middelbaar onderwijs missen de jongens een man als vadermodel voor de klas.
De havisten leren in golven, op de valreep, en als het echt moet, dus vlak voor de proefwerkweek. Maar wie veel leert in zeer korte tijd, vergeet bijna alles razendsnel.
En toch. Wat ik merk in het klaslokaal is een stilzwijgende honger naar eerlijke orde, tucht, discipline en strengheid, en dat allemaal zonder vernedering. De leerlingen snakken naar duidelijkheid en eenduidigheid, ook als het gaat om huiswerk maken. Geen huiswerk gemaakt? Exit! Dat is de afspraak, en daar wordt niet over gediscussieerd. Ze haten vormeloosheid en willekeur (bij docent X mogen ze naar muziek luisteren ‘omdat ze zich dan beter kunnen concentreren’, bij mij is dat taboe).
Kan het nog veel erger? Is er geen enkele verbetering te melden?
Jawel. Teun maakt weer braaf zijn huiswerk, ook voor de volgende dag als het moet. Van zijn ouders krijg ik geen briefjes meer. Dat huiswerk maakt hij niet voor mij maar voor zichzelf. Werkt hij voor alle andere vakken ook thuis omdat zijn docenten dat willen? Ik vrees van niet.
Ik heb nog een geïmproviseerd klassegesprek aan ‘de botsing tussen baantje en school’ gewijd. De terreur van de groep en het afstraffen van afwijkend gedrag bleken groot. Werken voor geld is cool, want dankzij dat geld kun je ‘meedoen’. Met de anderen, in het weekend, chillen. De meeste leerlingen kijken niet verder dan hun portemonnee vol en hun weekend lang is. Carpe diem. Ik neem het ze niet echt kwalijk, maar er moeten dan wel anderen zijn die ‘plannen’.
Huiswerk maken hoort bij school. Het is een mentaliteitskwestie. Ouderwets? Kan me niet schelen. Wie thuis werkt voor school, werkt misschien wel aan zijn eigen zelfstandigheid. Er bestaat een leerplicht tot achttien jaar. En die leerplicht is ook een werkplicht, een huiswerkplicht. Is een puber van zestien zelfstandig? Theo Thijssen schreef het al over zijn lagereschoolleerlingen in De gelukkige klas van tachtig jaar geleden: ‘Zelfwerkzaamheid in het vervaardigen van je eigen strop.’