Over de opstand van de saaie mensen

Ik neem me voor om partijdig te zijn

Linkse mensen zijn optimist. Dat meen ik. Optimist volgens de definitie van Danis Tanovic.

In zijn film No Man’s Land zitten twee soldaten aan het front. Vraagt de een aan de ander: ‘Weet jij het verschil tussen een optimist en een pessimist?’

‘Nou?’

‘Een pessimist denkt dat de dingen niet nog slechter kunnen worden dan ze al zijn. Een optimist denkt van wel.’

Ik kan natuurlijk niet voor links spreken. Ik kan ook niemand, laat staan een progressieve beweging, politiek gereedschap aanreiken. Je zou kunnen zeggen dat ik me daartoe heb gediskwalificeerd door vanuit De Balie, toch al de marge van het politieke centrum, over de rand te stappen en te verdwijnen in een ongebonden bestaan van reizen en schrijven.

Maar ik kan wel voor mezelf spreken. In de oorlog van diezelfde Danis Tanovic, de Bosnische, heb ik geleerd dat het de kunst is om het slechtste te verwachten, te weten dat het dan nóg erger wordt en vervolgens te handelen alsof daar nog van alles aan te doen is.

In Nederland is het geen oorlog. Maar griezelig is het wel. De uitvaart van Pim Fortuyn werd een supportersritueel. De voorzitter van zijn partij wil de radicale milieubeweging opruimen en noemt Kok, Melkert en Rosenmöller moordenaars. De gekrenkte trots op onze dood geschoten vrijheid van meningsuiting was de afgelopen week op straat zo algeheel, zo bijna intimiderend collectief dat je haast het gevoel kreeg dat je beter je mond kon houden.

Afgelopen vrijdag liep ik langs de stille tocht in Amsterdam, de andere kant op. Ik keek naar de gezichten. Nog nooit meegemaakt: de angst dat je tussen de gezichten van een demonstratie iemand herkent. Helemaal aan het eind van de stoet liep een meisje dat ik kende. Ik heb nog wel eens met haar samengewerkt. Ze zwaaide verrast naar me. Ik glimlachte onhandig terug.

Wat me opviel: het waren heel gewone mensen. Een paar skinheads, een heel enkele alloch toon, maar verder vooral veel doodnormale, eigenlijk saaie Nederlanders. Ed Hollants van het Autonoom Centrum schreef van de week: ‘Het lijkt of we in een wereld terechtkomen waar rechtse regeringspolitiek wordt bestreden door rechtse oppositie.’ Dat klopt. Het is de opstand van de saaie mensen tegen de saaie mensen. De mensen die zich in niets van het gemiddelde onderscheiden, en dus geen speciale aandacht kregen, versus de kreukloze bestuurders, die de afgelopen jaren dit land tot welvaart en kalmte brachten, waarschijnlijk juist omdát ze het gevoel van het volk niet vertegenwoordigden. Het is niet dat ze vreemden voor elkaar zijn. Integendeel. Ze kennen elkaar maar al te goed.

Ik voel me niet terzijde staan. Geen buitenstaander. Dit gaat ook mij aan en ik sta er midden in.

Nu moet ik mij een ware optimist tonen, in de geest van Danis Tanovic. Het slechtste verwachten, weten dat het dan nóg erger wordt en vervolgens handelen alsof daar nog van alles aan te doen is.

Ik maak vier voornemens.

Ik neem me voor om zo persoonlijk mogelijk te blijven spreken en schrijven. Gegrond op ervaring. Alleen dingen zeggen waar ik voor in kan staan. En dat niet alleen tussen de mensen die ik al ken. Zo ga ik twee dingen ontdekken. Dat mijn persoonlijke stellingname grillig is, onbetrouwbaar en uit die van anderen samengesteld. En dat hij bij de saaie mensen op zijn best verwondering, op zijn slechtst hoon gaat oproepen. Omdat ik voor de multiculturele samenleving ben, voor de komst van zoveel mogelijk vluchtelingen, voor steden vol misverstanden en voor een Nederland dat zijn identiteit ziet oplossen in een toekomst van steeds meer talen en culturen. Vanuit die stellingname zal ik telkens weer kortere en langere allianties zoeken met organisaties, bewegingen of partijen die mijn sympathie hebben. Ik bied mijn diensten aan, omdat zij de invloed of macht hebben die ik niet zoek. Juist omdat ik zelf niet in macht ben geïnteresseerd en uiteindelijk zelfs de georganiseerde oppositie al te benauwd vind, zal ik er – om dat persoonlijke spreken van mij voortdurend op de proef te stellen – aansluiting mee blijven zoeken.

Ik neem me voor om zo precies mogelijk te spreken. Uit de afwezigheid van persoonlijk en precies spreken is veel van de huidige grofheid ontstaan. Symbolisch: op de dag dat Martin van Amerongen overlijdt, wordt Peter Langendam voorzitter van de LPF. De afgelopen jaren zijn de saaie mensen steeds slordiger gaan spreken. Sinds Big Brother is het officieel: het gevoelsleven van hele menselijke wezens kan worden teruggebracht tot slogans en half afgemaakte vage aanduidingen. Die slordigheid van spreken legitimeert een slordigheid van denken. Over andere mensen ben je nu ook in een paar standaardformuleringen klaar. Pim Fortuyn was een meester in de ruwe schets. Nauwelijks te pareren, makkelijk na te praten. Hij schiep een klimaat waarin vrijheid van meningsuiting het recht betekent om elkaar zo hard mogelijk na te praten.

Het napraten van standaard formuleringen is een plaag. Niet alleen de saaie mensen op straat doen het, ook de saaie mensen op televisie, in de krant en achter de bestuurstafels. Ik kan daar niet tegen. Nederland ís geen land waar je niet mag zeggen wat je denkt. Vreemdelingen wáren geen taboe, de afgelopen twintig jaar. De criminaliteit onder jonge Marokkanen en Antillianen ís niet verzwegen. Er ís al jarenlang een discussie over de islam in Nederland. Allochtoon ís geen groepsnaam voor een mensensoort die weigert te integreren. Fortuyn wás niet de eerste die de regentencultuur aan de kaak stelde. De afstand tussen bestuurders en samenleving ís niet in stilte ontstaan. We zijn daar allemaal bij geweest. Wie zulke algemeenheden napraat, praat slordig, denkt slordig en neemt zijn eigen rol in de samenleving niet serieus. Pleit ik met mijn precisie ook voor eerherstel van de Nederlandse taal? Nee. Bolkestein spreekt ook heel precies Nederlands, en toch heeft hij veel noodlottige algemeenheden de wereld in geholpen, omdat zijn vooronderstellingen onwrikbaar dezelfde bleven. Ik kan me een Nederland voorstellen waarin lang niet iedereen Nederlands spreekt. Ook dat zou kunnen werken als mensen de belangrijkste voorwaarde voor precies spreken in acht nemen: precies luisteren.

Ik neem me voor om partijdig te zijn. Dat kan niet anders, als je persoonlijk en precies wilt spreken. Het is ook belangrijk, op het moment dat intimiderende algemeenheden de toon bepalen. Wat ik heb geleerd in de oorlog van Danis Tanovic is dat intimidaties niet vanzelf weggaan wanneer ze stuiten op een sfeer van redelijkheid en goed overleg. Integendeel. Ze nemen gretig de ruimte die ze wordt geboden en gaan nog een stapje verder. Als de morele grens om geweld te gebruiken eenmaal is genomen, en dat is nu zo in Nederland, is elke volgende overtreding van die grens gemakkelijker. Ik verwacht nu ook hier vaker wraakacties, aanslagen uit vergelding of frustratie of verveling. Als dat in de rest van de wereld zo is, dan ook in Nederland. Dit is geen eiland.

Maar dat het gaat gebeuren, betekent niet dat je het laat gebeuren. Daarom: partijdig zijn. Duidelijk maken wie je wel en niet uitnodigt, wie je wel en niet aan het woord laat, met wie je wel en niet samenwerkt. De Groene en Vrij Nederland partijdig, De Balie partijdig, de VPRO partijdig. Stemadviezen geven, petities ondertekenen, ook eens hoor zonder wederhoor. Zou het je geloofwaardigheid aantasten? Eerlijk gezegd denk ik dat het je geloofwaardigheid versterkt om je partijdigheid uit te spreken. Zeker als je af en toe de vrijheid neemt van standpunt te veranderen.

Ten slotte neem ik me voor om bij elke groep, redactie of samenwerkingsverband waar ik nog in terechtkom, te zorgen dat er voldoende allochtonen in zitten. Er zijn bijna geen onderwerpen meer te bedenken waar dat niet hoeft of kan. Ziekenhuizen, geloof, architectuur, schuldvermindering, dagbladen, cinema of populisme. En het kan om allerlei redenen belangrijk zijn. Extra kennis, relevante kennis, doorbraak van de status quo, deelname in het publieke leven, gedeelde ervaring opbouwen, misverstanden ophelderen, medeplichtigheid scheppen, andere definities van dezelfde begrippen leren verstaan. Maar mijn belangrijkste motief is dat ik met precies de mensen die hier de homogeniteit doorbreken, wil bespreken hoe de toekomst gaat worden in een land zonder cohesie.

Ik stel me erop in dat ook Nederland een land wordt van meer geweld, wantrouwen en ongemeenschappelijkheid. Ik verlang er niet naar, en elk initiatief om het tegen te gaan is goed, maar ik stel me er wel op in. Een gezamenlijke autoriteit komt er niet meer. De verzorgingsstaat fragmenteert steeds verder. Het parlement als volksvertegenwoordiging staat nu al ter discussie, over twintig jaar is het een fictie. De samenleving gaat bestaan uit de meest uiteenlopende organisatievormen. Op het gebied van ouderenopvang, politiek, vakbonden, voetbalclubs, theatergroepen, televisie en buurtproblemen oplossen, gaat iedereen het anders organiseren. Steeds minder mensen maken deel uit van hetzelfde. We hebben al geluk als de mensenrechten universeel blijven. Over de vraag of je een onsamenhangende en toch aantrekkelijke maatschappij kunt bedenken, wil ik praten met de mensen die juist met hun integratie datgene waarin ze integreren onherkenbaar aan het veranderen zijn. Preciezer en persoonlijker kan ik het niet zeggen.

Dit artikel van Chris Keulemans is gebaseerd op zijn discussiebijdrage tijdens een debat in De Balie op dinsdag 14 mei 2002