‘ik of de chaos’

OVER EEN JAAR moet hij er zijn, de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is hoog tijd. Terwijl de uitvoering van de Vierde Nota nog volop gaande is, met honderdduizenden woningen op ‘Vinex’-locaties als meest in het oog springende opgave, dienen zich alweer zo veel nieuwe krachten aan die ‘geaccommodeerd’ moeten worden dat er sprake is van regelrechte urgentie. Nederland Distributieland wordt rijker en rijker en het geld stelt zich niet meer tevreden met het rollen door de bestaande steden, die grotendeels bepaald zijn door het traditionele volkshuisvestingsbeleid en de harde grens met het omringende platteland.

Rijkdom wordt nu bij voorkeur in ruimte uitgedrukt; dat betekent een schreeuwende vraag naar luxe woningen, vrijstaand of twee-onder-één-kap, en liefst in landelijk doch goed bereikbaar gebied. Een almaar groeiende middengroep van florerende tweeverdieners zit te zeer in de slappe was voor een huisje in de huursector, maar ontbeert toch ook net weer het miljoen dat nodig is voor het echte werk. En dus verbijten zij zich massaal bij het karige makelaarsaanbod of op de privé-veilinkjes van particuliere verkopers die alles kunnen vragen. Een nationaal probleem is werkelijk het probleem van de luxe geworden. Waar moeten al die euro’s naartoe? Maar er zijn natuurlijk nog veel meer krachten die hun uitwerking op de ruimtelijke inrichting van het land hebben. Krachten die Nederland alleen maar kan ondergaan. Wereldwijd is het gunstige vestigingsklimaat van Nederland voor multinationale bedrijfsvoering bekend. Er is een grote behoefte aan geschikte bedrijfslocaties, in het bijzonder in de kantoorsector. Tussen werk en wonen zijn meer wegen nodig, voor al die tweede auto’s waarin gefaxt, gemaild, en vooral mobiel getelefoneerd wordt als voor- of nazorg van de gewone werkdag, of gewoon om voor een gulden per minuut de laatste restanten van menselijke relaties te onderhouden. Voeg daarbij nog al die incidentele ruimteclaims voor distriparken, shoppingcenters, meer cellen of neo-natuur, en er valt nauwelijks nog te kwaken in ons kikkerlandje. DE VIJFDE NOTA moet het antwoord vormen op de naderende chaos en congestie. Het was een indrukwekkende rede die minister van Vrom Jan Pronk onlangs afstak aan het slot van een grote conferentie over deze Vijfde Nota. Ook al is hij naar eigen zeggen op dit gebied grotendeels een leek, hij nam toch maar meteen zijn politieke verantwoordelijkheid. Nadat gedurende de dag sprekers uit wetenschap en bouwpraktijk en overheidsdienaren van alle bestuurlijke niveaus hun licht hadden laten schijnen over de toekomst van de ruimte in Nederland, sprak Pronk een slotwoord als een ware bewindsman. ‘Ik of de chaos’, dat was het in feite. Na de voorzichtigheid van het trio Winsemius, Nijpels en De Boer in ieder geval een ongekend geluid. De tijd is voorbij dat 'alles, overal, altijd’ maar kon. Er moet gekozen worden voor het concept van compacte steden, aangevuld met de ontwikkeling van enige ontwikkelingscorridors daartussenin. Dat zou dan een 'beheerste ontwikkeling’ moeten zijn, wat ongeveer wil zeggen dat duidelijk is wat wel mag en wat niet. 'Beheersing’, 'regievoering’, 'sturing’, 'strakker leiding geven’ - de overheid gaat er weer aan staan. De metafoor van de corridor lijkt uitstekend te passen bij deze ambitie. Het is een oorlogsbegrip, of liever een pacificatieconcept; je ziet smalle landengtes naar open zeehavens voor je. Je ziet een gangenstelsel als een strikt bewegingscorset. Je kunt alleen voor- of achteruit. Zijwaarts is alles afgesloten. De werkelijkheid is prozaïscher. Op de conferentie bleek hoe snel het debat zich alweer heeft ontwikkeld tot allerlei interpretatiekwesties. Onder het begrip corridor kan zo ongeveer alles worden gevangen wat onder de ontwikkeling van een stedelijke as begrepen kan worden. De een ziet niets nieuws vergeleken met de eeuwenlange ontwikkeling van de transportaders in de delta, de ander denkt meteen aan lintbebouwing. De een ziet een landelijke pendant van het Noordwest-Europese stedelijke netwerk, de ander richt zich vooral op de regionale ontwikkeling. Voor de een is het een empirisch feit dat onder een noemer wordt gebracht, de ander ziet er een heus planningsconcept in. En dezelfde verwarring vinden we terug in de discussie over het karakter van stad en stedelijkheid, over platteland en groene zones, over openbaarheid en publiek domein. Ook al dringt de tijd, het lijkt toch altijd weer alsof we eindeloos aan de praat kunnen blijven. Onderwerpen worden 'op de agenda’ gezet, maar gaan daar nooit meer vanaf. Omdat het concept van de corridors in ieder geval in de ruimtelijke ordening relatief nieuw is, is het logisch dat hier in de reacties op de houtskoolschets de meeste aandacht naar uitgaat. Aangezien mobiliteit een heilig gegeven (in jargon: een robuuste trend) is, vormt het leggen van verbindingen een leidend beginsel. En dan gaat het erom of dit volgens de weg van de minste weerstand gebeurt of langs lijnen van 'een derde weg’. Met andere woorden: kan de ruimtelijke ordening méér zijn dan louter faciliteren en accommoderen, is er ook iets mogelijk ter vergroting van de ruimtelijke kwaliteit, waarin begrippen als diversiteit, duurzaamheid en menselijke schaal belangrijke factoren zullen blijken? Pronk laat zien dat hij zich het onderwerp razendsnel heeft toegeëigend wanneer hij spreekt over een Groen Poldermodel en over de sturing van de corridorontwikkeling tot veelzijdige en attractieve omgevingen die niettemin de vitaliteit van de binnensteden onaangetast zullen laten. En passant belooft hij ook reeds in de Vijfde Nota aspecten te verdisconteren variërend van energiezuinigheid en ICT tot minderhedenbeleid. NU WE toch bezig zijn, valt er wellicht nog meer mee te nemen. Zo ligt de tweede architectuurnota alweer een tijdje in de la, Architectuur van de ruimte (1996), waarin het grote-schaalniveau als architectonische opgave wordt gedefinieerd. De operatie rond de Vijfde Nota is een uitgelezen kans om de daarin geformuleerde ambities waar te maken. Dan zou ook meteen het debat over de Inrichting van Nederland gecombineerd kunnen gaan worden met het al even levendige doch hiervan gescheiden debat over het Aanzien van Nederland. Door de inbreng van het ontwerpniveau in de veelal zeer abstracte discussie worden keuzen niet alleen scherp, maar krijgen ze ook vorm. Alleen al vanuit het oogpunt van maatschappelijke participatie zal dat een enorme winst zijn. Dit is ook het moment om stil te staan bij de vraag wat Nederland eigenlijk zélf wil. Veel te vaak wordt de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet volgens een prioriteitenlijstje, gezien als de accommodatie van het onvermijdelijke. Je geeft wat kaders aan, je zoneert wat, je zet wat weg. Feiten zijn altijd voldongen feiten. Maar nu het komende jaar niet alleen het noodzakelijke moet gebeuren maar er ook tijd is voor het opschrijven van het mogelijke, kan het een keer anders gaan. Wat wil Nederland eigenlijk in het proces van globalisering? Welke speler wil het zijn, welk toevluchtsoord en voor wie? De vraag zo stellen heeft in ieder geval drie voordelen. Ten eerste kan eindelijk de mobiliteit niet langer worden gezien als restant van ruimtelijke ordening en een van de hoofdpunten van de nieuwe ontwerpopgave worden. (Daarmee zijn we waarschijnlijk ook meteen van de benauwende term 'corridor’ verlost.) Ten tweede zal de politieke scherpte terugkeren die in het a priori op consensus gerichte debat vaak ver te zoeken is. Ten derde zal duidelijk worden hoe zwak het nationale beleidsinstrumentarium in feite is geworden wanneer het gaat om de beïnvloeding van de ruimtelijke ontwikkeling. Want wat vooralsnog ontbreekt is de analyse van wat de wereld eigenlijk met Nederland wil. Wat dat betreft is het goed dat minister Pronk het primaat van de politiek bij voorbaat heeft geclaimd. Want één ding is duidelijk: beslissing en verantwoordelijkheid moeten dringend weer bij elkaar komen.