ANALYSE: PRESIDENT SAAKASJVILI

Ik, of de chaos

De Amerikaanse regering ziet de ingreep in Ossetië als een kolossale misrekening. Wellicht heeft president Saakasjvili de situatie inderdaad verkeerd beoordeeld.

IN 1993 TROUWDE de Nederlandse Sandra Roelofs in New York met de Georgische rechtenstudent Mikheil ‘Misja’ Saakasjvili. In haar memoires schrijft zij: ‘[Op een keer] haalde Misja de Engelse vertaling van Sjota Roestaveli’s Ridder in tijgervel uit de kast en droeg me op dit middeleeuwse heldenepos te lezen vóór ons huwelijk. Ik ben blij dat ik dat inderdaad gedaan heb, het gaf een perfect beeld – in poëzie – van de passie van de Georgiërs voor trouw, vriendschap en van hun doortastendheid.’ Kort daarna schrijft zij aan haar ouders: ‘Mikheil gelooft – met zijn Georgische dramatische instelling – dat het leven van een “leider” niet over rozen kan gaan. Ik denk dat jullie al begrepen hebben dat Mikheil een echte man en zelfs een held wil zijn en ook is!’
Mikheil Saakasjvili (1967) mag graag spreken in termen van Heldendom, de Geschiedenis, het Lot en de Eeuwigheid. Hij ziet zichzelf als de man die Georgië zal leiden uit het donkere chaotische verleden naar het lidmaatschap van de Navo en de EU. De integriteit van Georgië’s huidige grenzen en de terugkeer van Abchazië en Ossetië onder bestuur van Tbilisi overstijgt dan ook het lokale, tijdelijke belang: ‘Het gaat niet alleen om Georgië. Het gaat om de wereldorde.’ Die agenda is verder weg dan ooit. Het debacle van de interventie in Zuid-Ossetië heeft Saakasjvili’s status ernstig ondergraven. Het lijkt erop dat hij zijn positie in het Grote Spel heeft overschat. Dat zou kunnen komen door een gebrek aan ervaring, door misleidende signalen uit de Verenigde Staten en misschien ook wel door dat typisch Georgische gevoel voor heldendom.
Saakasjvili komt uit een familie met een dissidente en nationalistische achtergrond. Hij studeerde internationaal recht in Kiev en New York, waar hij in 1994 een graad behaalde aan Columbia Law School. Daar viel hij op als een assertieve spraakwaterval, een man met een scherpe tong, en zo is hij ook als president: een bewogen spreker, een man die hardop denkt en zich geen zorgen maakt over hoe ’t valt. Iets wat hij zelf eens ‘politics by stream of consciousness’ heeft genoemd. In de tijd van de Koude Oorlog was er voor zulke vrije radicalen – misschien met uitzondering van Castro en Ceausescu – weinig manouvreerruimte. Dat is nu anders.

In zijn korte carrière speelt heroïsche doortastendheid een hoofdrol. In 1994 werd Saakasjvili gerekruteerd voor de nationale politiek; in 1995 werd hij in het parlement verkozen voor de partij van Edoeard Sjevardnadze. In 2000 maakte Sjevardnadze hem minister van Justitie, belast met anticorruptie. Twee jaar later al nam Saakasjvili demonstratief ontslag. In een kabinetszitting beschuldigde hij de minister van Economische Zaken, de minister van Nationale Veiligheid en de bevelhebber van de politie in Tblisi openlijk van corruptie, zwaaiend met foto’s van villa’s die de heren zich zouden hebben toegeëigend.
Saakasjvili’s ontslag was een berekende stap en zorgvuldig georkestreerd. Hij sprak via de televisie het volk toe, gezeten voor de oude Georgische vlag, met vijf rode kruisen op een wit vlak, die hij daarna gebruikte als het beeldmerk van zijn nieuwe partij, en, eenmaal president, verhief tot de nieuwe vlag van het land. Bij de eerstvolgende verkiezingen werd zijn Verenigde Nationale Beweging de overwinning door grootscheepse fraude ontstolen. Protesten daarover leidden tot de Rozenrevolutie, die Sjevardnadze op 22 november 2003 tot aftreden dwong. Daarmee was de mythe geschapen. Saakasjvili, met zijn jeugdig voorkomen en zijn talenkennis, gold in Georgië, maar zeker in het Westen, als de onbetwiste kampioen van de vreedzame liberalisering, als vanouds bedreigd door het revanchisme in Moskou. Op 4 januari 2004 werd hij de jongste president in Europa, met meer dan negentig procent van de stemmen.
Nu was Saakasjvili in zijn New Yorkse studententijd al bedreven in het aanknopen van relaties met belangrijke steunpilaren, zeker in kringen van Amerikaanse conservatieven. John McCain, bijvoorbeeld, werd een persoonlijke vriend. Hij gaf Saakasjvili in 2003 een kogelvrij vest cadeau en ging zelfs zo ver dat hij (met Hillary Clinton) Saakasjvili na de machtsovername voordroeg voor de Nobelprijs voor de vrede. Eenmaal in het zadel verbond Saakasjvili het lot van zijn land nadrukkelijk aan de Amerikaanse zaak. In mei 2005 kwam George Bush op bezoek. Er werd een straat naar hem genoemd (en iemand gooide een handgranaat, die niet afging). Georgië betoonde zich vervolgens een vurig aanhanger van de oorlog in Irak; Georgië zou zelfs na Groot-Brittannië het grootste contingent troepen leveren. In ruil daarvoor deed Bush binnen de Navo wat hij kon om het Georgische lidmaatschap naderbij te brengen.
De interne problemen waren aanzienlijk, maar Saakasjvili kwam in de eerste jaren onmiskenbaar tot kordate ingrepen: hervorming van staatsinstellingen, bestrijding van corruptie (ontslag van de complete parkeerpolitie) en hervorming van de economie. In de kwestie van de drie regio’s, die sinds de onafhankelijkheid de facto onafhankelijk waren, had hij snel succes: de Autonome Republiek Adzjarië werd na enig wapengekletter weer ingelijfd. In Zuid-Ossetië paste Saakasjvili aanvankelijk vriendelijkere middelen toe. Hij liet scholen herstellen, betaalde de lerarensalarissen en stuurde families op vakantie naar de Zwarte Zee, alles zonder veel resultaat.
Van meet af aan kampte de regering echter ook met de nadelige gevolgen van haar overmaat aan daadkracht. Er werd afgerekend met de elite van het oude regime; vriendjespolitiek stak de kop op. Corruptiebestrijding bleef een speerpunt, maar de president beschikt ook over een ‘presidentieel fonds’, dat buiten de controle van het parlement valt en waarover hij vrijelijk kan beschikken, ook in verkiezingstijd. De mediawet van 2004 legde de vrije pers een hoge mate van zelfcensuur op. Verder waren er geregeld meldingen van willekeurige arrestaties, mishandeling van gevangenen en corruptie onder politie en justitie. Aan het eind van 2007 was de glans van de regering verdwenen en zag Saakasjvili zich op zijn beurt geconfronteerd met massale protesten op straat. De president trad hard op en kondigde de staat van beleg af. Een onafhankelijk televisiestation werd door de politie gesloten. Er volgden vervroegde presidentsverkiezingen, die Saakasjvili met 52 procent van de stemmen en onder beschuldiging van ernstige fraude won. De EU-waarnemers gaven schoorvoetend hun akkoord: de fraude zou de einduitslag niet wezenlijk hebben beïnvloed.
In de internationale pers stelde Saakasjvili dat het land bedreigd werd door een coup, en zijn positie was die van ‘Ik, of de chaos’ – een dilemma dat de oppositie in eigen land verdeelde, maar dat in het buitenland, waar men de wereld sowieso graag verdeelt in helden en schurken, gretig werd overgenomen. Hier leek sprake van waar brinkmanship, een man met buskruitzenuwen, die op het hoogtepunt van de stress het hoofd koel hield. Toch was het veel meer Saakasjvili’s intuïtieve gevoel voor drama, zijn neiging tot een koppige, roekeloze vlucht vooruit, die hem dreef. Op dezelfde overmoedige manier hees de president bijvoorbeeld de Europese vlag boven het Parlementsgebouw, terwijl er van EU-lidmaatschap geen sprake is.
Die onbezonnenheid is, bij nader inzien, overal herkenbaar. In 2004 nam de Georgische kustwacht een onbekend (lees: Russisch) schip onder vuur voor de Abchazische kust. Saakasjvili maakte bekend dat hij het bevel had gegeven alle onbekende schepen daar tot zinken te brengen; Russische toeristen konden maar beter wegblijven van de Abchazische stranden. Evenzo kan bij de campagne in Zuid-Ossetië een gebrek aan calculerend inzicht worden vermoed, of het moet zijn dat Saakasjvili bewust de aanval koos (en de Russische reactie uitlokte) om zijn eigen positie binnen Georgië te versterken. Hij rekende erop dat de Verenigde Staten hem, als puntje bij paaltje kwam, diplomatiek én militair zouden dekken.
De Amerikanen noemden de actie echter ‘een ernstige misrekening’. Saakasjvili had de belangrijkste beleidsdoelen van de VS in de regio grondig in de war geschopt: stabiliteit in de energieleveranties uit de Kaspische zee, verhoging van de druk op Iran – waar de VS de Russen hard bij nodig hebben – en de omzichtige containment van Ruslands nieuwe ambities. President Bush sprak zijn steun uit, voor de belegerde Georgiërs, maar hij was not amused. Kan het zijn dat Saakasjvili zich in de Amerikaanse intenties had vergist?
Kort voor de aanval, op 9 juli, bezocht de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice Tbilisi. Er werd gedineerd, er werd naar jazzmuziek van een twaalfjarige Georgische pianovirtuoos geluisterd en er werd een broederlijke persconferentie gehouden. Daar zei Saakasjvili: ‘Wij moeten niet doen alsof er niet een olifant in de kamer staat, en die olifant is het beleid van de Russische federatie inzake onze grenzen. Rusland erkent niet de jurisdictie van Georgië over een essentieel deel van zijn territorium. Het lijkt erop dat sommige mensen niet gemerkt hebben dat de Koude Oorlog voorbij is.’
Minister Rice bevestigde nog maar eens dat de Verenigde Staten de territoriale integriteit van Georgië garandeerden, ervan uitgaand dat de conflicten in Abchazië en Zuid-Ossetië vreedzaam zouden worden opgelost. Rice deelde daarbij een compliment uit aan de Georgische soldaten in Irak: ‘Georgische soldaten vechten uitstekend en zij vechten effectief. Ze zijn goed opgeleid. Hun moraal is hoog. Onze militairen zijn er trots op met ze te dienen.’

Sinds de inval hebben het Witte Huis en het State Department in alle toonaarden ontkend dat zij Saakasjvili zo tot zijn actie in Zuid-Ossetië hebben aangezet. De Amerikaanse regering stelt zelfs dat zij van Saakasjvili’s plannen in het geheel niet op de hoogte was en dat zij hem herhaaldelijk en expliciet gewaarschuwd heeft geen militaire actie tegen de separatisten te ondernemen. Dat is een curieuze mededeling, die vooral gericht lijkt op de vertoornde Russen. Curieus, omdat Georgië een speerpunt is van CIA-activiteiten en de Verenigde Staten wel in staat bleken tweeduizend Georgische troepen binnen een dag na de inval uit Irak naar Georgië over te vliegen – iets waar de Russische militairen zich openlijk boos over maakten. De Russen moeten overigens wél op de hoogte zijn geweest; hun respons op de aanval was uitzonderlijk snel.
In de Verenigde Staten wordt gespeculeerd dat Saakasjvili misschien nog andere signalen ontving dan die van Condoleezza Rice. Van zijn vriend John McCain bijvoorbeeld, die afgelopen maand nog zijn eigen campagneleider, Scheunemann, aan Saakasjvili uitleende. McCain spint garen bij het conflict. Hij presenteert de situatie in de Kaukasus graag als de bepalende strijd van deze generatie, en spreekt daarbij in sombere, churchilliaanse termen over Rusland, dat kennelijk klaar staat om de wereldheerschappij over te nemen. De Amerikaanse kiezer is gevoelig voor het idee dat McCain de man is die dit soort crises koelbloedig het hoofd kan bieden. Saakasjvili zou zijn duidelijk gemaakt dat niet alleen de huidige, maar ook de toekomstige regering een krachtige aanpak van het probleem Zuid-Ossetië zou steunen, in lijn met de oude opvatting dat de Russen alleen gevoelig zijn voor harde maatregelen.
In Georgië lijkt de positie van Saakasjvili, nu de crisis heerst, vooralsnog veilig, maar er wordt al verder vooruit gekeken. Het is denkbaar dat er vervroegde verkiezingen komen, waarna Saakasjvili plaatsmaakt voor een president die een meer neutrale koers zal varen, die niet zal aandringen op Navo-lidmaatschap en die de conflicten onder internationaal toezicht weer zal bevriezen. Er komt later wel weer een gelegenheid, misschien wel in de aanloop naar de Olympische Winterspelen in 2014 in Sochi – twintig kilometer van de Abchazische grens.
Het is duidelijk dat de Russen zo’n wending zeer op prijs zouden stellen. In 2004 vergeleek een Russische krant Saakasjvili al eens met Castro, de grillige leider van een klein landje dat de grote machten slapeloze nachten bezorgt.