Patrick Modiano, Un pedigree

Ik Patrick

Patrick Modiano

Un pedigree

Gallimard, 122 blz., e 12,90

«Ik ben geboren op 30 juli 1945 in Boulogne-Billancourt, 11 allée Marguerite, als zoon van een Jood en een Vlaamse die elkaar in Parijs tijdens de bezetting hadden ontmoet.» De eerste zin van Patrick Modiano’s nieuwe boek laat meteen zien hoe sterk zijn autobiografie zijn oeuvre heeft beïnvloed. Hoewel Modiano voor het eerst de autobiografische ik-vorm hanteert en op zoek gaat naar zijn eigen identiteit herkent de lezer onmiddellijk zijn geliefkoosde thema’s: de tijd van bezetting en collaboration, de topografie van Parijs en de voorsteden, de zoektocht naar iets wat tegelijk indringend aanwezig is maar niet achterhaald kan worden, de louche handelaren van wie niet duidelijk is of zij met de Duitsers collaboreren of alleen bij de penose horen, de derderangs actrices die zich door lelijke rijke mannen laten onderhouden. Maar deze keer is de louche handelaar zijn vader Alberto Modiano, en de actrice zijn moeder, «een mooie meid zonder hart».

Je kunt je afvragen of het niet anders om is, en Modiano zijn levensloop gereconstrueerd heeft volgens het model en de stijl van zijn romans, de nadruk leggend op de vluchtigheid van levens en van vage decors waar slechts een enkel detail opvalt: een hoed, een stem, een zwaaiende hand. Namen van straten, cafés en hotels waar vader en zoon elkaar ontmoeten, namen van mensen vooral, zijn voldoende om mysterieuze omstandigheden op te roepen en schim mige figuren uit de nevelen te laten opdoemen. Klaus Valentiner, Georges Ismaïloff, Sacha Gordine, Freddie McEvoy, Christos Bellos, Galina Orloff, Jean Koporindé, Geza Pellmont, Toddie Werner, Kissa Kouprine, Georges Gior gini-Schiff, Robert Fly, Zizi Moustic. Hebben zij echt bestaan, en leven zij misschien nog altijd in parallelle werelden, onaangetast door de tijd?

«Vergeef mij al die namen: ik ben een hond die net doet of hij een stamboom heeft.» De vele onalledaagse namen blijken, naast het oproepen van exotische, buitenlandse sferen, een dwingende behoefte aan herkenningstekens uit te drukken. Maar zekerheden worden snel onderuitgehaald, mensen worden één keer genoemd en verdwijnen vervolgens in de anonimiteit van de grote stad. Modiano’s achtergrond is als drijfzand waarin hij zichzelf dreigt te verliezen. Achteraf kan hij zich met slechts één wezen identificeren: de hond die zijn moeder van een vage verloofde had gekregen en die zij telkens weer bij andere mensen achterliet. Volgens Modiano had de hond zelfmoord gepleegd door uit het raam te springen. Hij kende hem slechts van foto’s maar voelde een sterke band met de verwaarloosde chow-chow. Pedigree wordt in het Frans gebruikt voor stambomen van rashonden: hier krijgt het woord een tegelijk ironische en bedroevende connotatie, omdat dat is wat de hond wél had, terwijl de schrijver alleen met moeite zijn eigen onzekere stamboom kan reconstrueren.

In het jaar dat hij zestig zal worden kijkt Modiano terug op een periode van zijn leven die in veel van zijn romans een rol heeft gespeeld, en blijkt hij niet anders te kunnen en te willen schrijven dan in zijn fictionele werk. Hij be schrijft zijn kindertijd met dezelfde koele, schijnbaar gevoelloze afstandelijkheid, hij schuwt ontboezemingen en vals sentiment. Wat van zijn leven overblijft is een lange opsomming, die juist door het gebrek aan zelfmedelijden en pathos tot een uiterst tragisch, eenzaam avontuur wordt.

Als kind wordt Modiano emotioneel verwaarloosd door een moeder die hem liever kwijt dan rijk is. Zijn vader verschijnt af en toe in zijn leven om hem naar scholen, internaten en uiteindelijk het leger te dirigeren. Zijn ouders gaan uit elkaar, zijn jongere broertje Rudy sterft in 1957. Behalve zijn dood, die overigens vrij terloops wordt vermeld, lijkt volgens Modiano alles wat hij over zijn jeugd schrijft niet werkelijk over hem te gaan. Hij gaat te werk alsof het om een verslag of een curriculum vitae zou gaan, hij voelt niets voor bekentenissen of introspectie. Modiano zou Modiano niet zijn als hij niet opnieuw getuigde van zijn voorkeur voor het raadselachtige, het obscure, het verzwegene. Hij zegt de gebeurtenissen uit zijn leven tot zijn twintigste jaar te hebben beleefd alsof decors elkaar op de achtergrond afwisselden terwijl de personages onbeweeglijk bleven staan, alsof zijn echte leven nog niet begonnen was. Modiano’s koel registrerende stijl is deels het gevolg van een beschermingsmechanisme dat hij als kind heeft ontwikkeld. Hij overleefde de verwaarlozing en liefdeloosheid door zich als toeschouwer op te stellen en zijn gevoel af te sluiten, door feiten te onthouden maar de daarbij behorende emoties te verdringen. De verscheurende tweespalt tussen zoektocht naar identiteit en rust brengende vergetelheid is dan ook het meest kenmerkende aspect van zijn oeuvre.

Toch ontstaat in dit vreemde, duister blijvende geheel van feiten en anekdotes een zekere ordening dankzij de intrede van historische gebeurtenissen. Het jaar 1945 is dat van de geboorte maar ook van het einde van de Tweede Wereldoorlog; voor Modiano aanleiding om het leven van zijn ouders te reconstrueren met het weinige materiaal dat voorhanden is. De sfeer verandert weer in 1958 en aan het einde van de Algerijnse oorlog, en in de lente van 1966 lijkt een frisse wind over Frankrijk te waaien. Vanuit die breuklijnen en de gaten die daardoor ontstaan, dringen verhalen zich op, over mensen en plaatsen, die Un pedigree een merkwaardig soort levendigheid en echtheid verlenen en het tot een van Modiano’s mooiste boeken maken.

In 1967 breekt Modiano met zijn vader, die hij nooit meer zal zien. Voor het eerst in zijn leven voelt hij zich merkwaardig licht en bevrijd. De dreiging die hij altijd had gevoeld lijkt verdwenen te zijn. Zijn eerste roman, La place de l’étoile, wordt in hetzelfde jaar bij Gallimard gepubliceerd. Modiano’s echte leven is begonnen.