Opheffer

Ik pleit voor minder democratie

Wat wil ik van een democratisch politicus? Ik wil dat hij op de hoogte is van wet- en regelgeving. Ik wil dat hij visies en standpunten heeft, dat hij min of meer op een wetenschappelijke manier kan denken, ik wil eigenlijk dat hij Popper kent, ik wil dat hij enige economische scholing heeft, ik wil dat hij regelmatig zijn ideeën publiceert, dat hij enig intellectualisme niet schuwt, dat hij een grote culturele belangstelling heeft en daaraan zelfs gezag ontleent. Zou dat niet mooi zijn?

De tragiek van een democratie is echter dat je ook een wat domme goeroe aan de macht kunt krijgen. Ik begrijp nooit dat men zoiets toch «het mooie van een democratie» noemt. Zo begrijp ik ook niet waarom men, om in de politiek te willen, niet een soort examen moet doen. Het gaat om het controleren van het kabinet, om het controleren van de macht. Zomaar een auto besturen mag ik niet, zomaar een land besturen wel. Dat vind ik vreemd.

Hoe meer democratie er komt, hoe minder je democraat hoeft te zijn, hoe minder je hoeft te weten. Want als we over alles straks mogen stemmen, controleert het volk en niet degene die zich daarin heeft gespecialiseerd en die eveneens beslissingen moet nemen op de lange termijn.

Onlangs was ik op een journalistenborrel — en iedereen vond dat «minister Van Boxtel» van D66 eigenlijk een bijzondere minister was geweest. Hij werd weggestemd door — ik ga kort door de bocht maar ik vlieg er niet uit — de LPF, zodat hij zijn goede werken niet kon afmaken. Van Boxtel is dus hét voorbeeld van iemand die de democratie tegenover zich vond — en met name hij wil méér democratie. Wanneer we al die referenda gehad zouden hebben waar hij en zijn partij voor pleiten, dan zou Van Boxtel niet eens hebben kunnen beginnen aan zijn goede werken. Zijn eigen kroonjuwelen blijken zelfmoordgranaten. Van Boxtel is nu uit de politiek verdwenen. Zijn partij — die uitblinkt in genuanceerdheid — verdwijnt ook, juist omdat ze genuanceerd zijn; het volk wil zijn democratische mogelijkheden liever benutten om een televisiegoeroe te kiezen.

Democratie vreet tijd, en je zou je kunnen afvragen of er niet een moment komt waarop de democratie zo stroperig wordt dat het landsbelang in gevaar komt.

Neem het onderwijs. Er is een doorwrochte analyse nodig van ons onderwijsstelsel plus een visie op wat we de leerlingen eigenlijk moeten en willen aanleren. Het duurt, heb ik weleens gehoord, zeker een jaar of zeven voordat dit politiek enige vorm van krijgen. Zeven jaar! En dan zitten we met onze schattingen aan de lage kant.

Zeven jaar is te lang; we moeten volgend jaar al alles anders doen. Als je nu beter onderwijs zou krijgen door bepaalde democratische processen over te slaan, zou dat dan niet moeten gebeuren? «Nee», zegt men, «want wie bepaalt wat beter onderwijs is?» Die vraag is terecht — maar als we wachten tot we daar «consensus» over hebben, wordt het onderwijs niet beter.

Let wel, ik pleit dus voor minder democratie, maar kwalitatief wel een hoogwaardiger democratie — tegen het verlicht despotisme aan. Eén keer in de acht of tien jaar verkiezingen. Of je nu vier of acht jaar met de gebakken peren zit, maakt niet uit — we hebben ook acht jaar Paars gehad, dus het komt soms al op hetzelfde neer. Maar het is iets anders als je nu al weet dat je acht jaar beleid kunt maken, of dat je er vier jaar over doet.

Het kan best zijn dat dit een dom idee is van mij — het is tot nu toe niemand gelukt er erg grote gaten in te schieten —, maar het is in elk geval een idee, een alternatief, daar waar ik nergens ook maar enige vernieuwingsdrift hoor. Op dit moment laten de opiniepeilingen zien dat negentiende-eeuwse politieke ideeën het populairst zijn: CDA, SP, VVD en PvdA. Dat is geruststellend, maar ook angstaanjagend sloom. Politieke ideeën zouden ook moeten gaan over de democratie.