Stefan Asbury wil overrompeld worden

Ik praat nooit over muzikaliteit

Stefan Asbury dirigeerde veel hedendaagse muziek. Nu wordt hij chef-dirigent van het Noord Nederlands Orkest en doet een gastoptreden bij het Concertgebouworkest. ‘Ik wil als een Bambi grote ogen kunnen opzetten.’

DE CARRIÈRE van de Britse dirigent Stefan Asbury begon kinderlijk eenvoudig. In 1990 kwam hij met een beurs naar Massachusetts voor de fameuze dirigentencursus van Tanglewood, zomerresidentie van het Boston Symphony Orchestra, de kraamkamer van grote dirigenten als Seiji Ozawa en Leonard Bernstein. Asbury, op de Sana H. Sabbagh Master Teacher Chair nu zelf de grote man van Tanglewoods directiefaculteit, viel op. Zijn landgenoot Oliver Knussen, als componist en dirigent verantwoordelijk voor het nieuwe-muziekprogramma, hoorde hem Weberns Passacaglia dirigeren. ‘Heel goed, zei hij. Een paar weken later vertelde hij dat Simon Rattle naar me had gevraagd.’ En zo debuteerde Asbury even later in zijn geboortestad bij het provincieorkest dat Rattle wereldberoemd zou maken: het City of Birmingham Symphony Orchestra. 'Vanaf dat moment betaalde ik belasting. Hij schonk me een loopbaan.’
Die verliep voorspoedig, maar langs andere lijnen dan het zondagskind Rattle volgde in zijn spectaculaire opmars naar het heilige der heiligen van het orkestenuniversum, de Berliner Philharmoniker. Waar Rattle een ster werd, bleef Asbury jarenlang een dirigent voor insiders.
Evenals Rattle dirigeerde hij veel hedendaagse muziek, maar voornamelijk binnen de nieuwe muziekbiotoop van internationaal vermaarde ensembles als Ensemble Intercontemporain, Ensemble Modern, MusikFabrik, Klangforum Wien, London Sinfonietta en ASKO|Schönberg. Als specialist geniet hij ook in Nederland een aanzienlijke reputatie. Hij kent het land goed van diverse gastdirecties bij het Asko Ensemble. Hij dirigeerde veel Nederlandse muziek van onder anderen Klas Torstensson, Theo Loevendie, Rob Zuidam en Jan van Vlijmen, wiens opera Thyeste onder zijn leiding in première ging, evenals Zuidams opera Freeze, die hem na de vuurdoop in de Münchner Biennale van 1994 de BMW-muziektheaterprijs voor directie opleverde.
Een fraai cv. Alleen zijn Brahms en Beethoven kent niemand. Dat moet veranderen, vindt hij. Het is niet dat hij zijn belangstelling voor nieuwe muziek is kwijtgeraakt, wel dat hij iets te vaak is teleurgesteld. 'Het is heel onbevredigend dat niet alle componisten de kans waarnemen je te verbazen. Het is logisch, niet iedereen kan iets nieuws verzinnen. Maar ik wil worden overrompeld, als een Bambi grote ogen kunnen opzetten. Ik verloor mijn vertrouwen. Probleem twee is dat ik in de nieuwe muziek geen repertoire kan opbouwen. Ik moet een stuk tien keer kunnen spelen om het zo te doorgronden dat ik het recht kan doen, en die kans krijg je zelden. Ik merkte het toen ik bij het Ensemble Intercontemporain een programma deed met na de pauze een stuk van Harrison Birtwistle, die me na aan het hart ligt, en voor de pauze een stuk van een Franse componist wiens naam ik even kwijt ben, iets met veel kwarttonen. Na dat Franse stuk had ik hoofdpijn, terwijl Birtwistle weer een fysieke, bevrijdende ervaring was - het zweet stond op mijn lijf. Dat heeft me geleerd dat je alleen moet doen waar je in gelooft. Dat heb ik vervolgens ook tegen mijn impresario gezegd: ik moet een andere kant op, anders word ik ongelukkig. Laat duidelijk zijn dat ik dat niet uit carrière-overwegingen heb besloten.’ Hij was er klaar mee. 'Veel van wat je hoort in zo'n Muziekweek in Amsterdam is plichtpleging, en dat voelde je.’

HIJ IS ANDERS gaan denken over het modernisme: 'Schönberg en zijn Tweede Weense School hebben vooral na de Tweede Wereldoorlog een enorme invloed uitgeoefend op componisten als Boulez en Stockhausen - maar ik sluit niet uit dat die intellectualistische muziek een hoofdstuk is dat ten einde loopt. Overigens vind ik Schönberg vaak opvallend conventioneel, behalve in stukken als Die glückliche Hand.’ Selectiever worden helpt. 'Mijn gevleugelde woorden van de laatste jaren: “Dit is een goed stuk, maar ik ben er niet de juiste dirigent voor.”’
Daarbij merkte hij dat zijn oude liefde voor romantische muziek begon te knagen: 'Het is de muziek van je jeugd, de muziek die je thuis in de kast hebt staan. En die speel je dan niet. Terwijl ik ook houd van een mooie melodie. Aan de andere kant is het goed dat dat repertoire pas nu mijn kant op komt. De muziek heeft in me kunnen rijpen. Jonge dirigenten van nu, halverwege de twintig, hebben misschien vijf componisten op hun repertoire, Mahler uiteraard voorop, maar ik zie er weinig echt partituren lezen. Als ik ze hoor praten over hoe ze maat zoveel en maat zoveel slaan en daar en daar gaan dirigeren, vraag ik me altijd af: hebben we het over muziek of iets anders? Het gaat te vaak over carrières. Wat niet wil zeggen dat er geen geweldige talenten rondlopen - zie Dudamel. Maar ze krijgen te weinig weerwerk. Toen ik 25 was had je één Simon Rattle. Orkesten waren harder. Je had je zaken te kennen. Dat moet je nog steeds, maar veel grote orkesten hebben zo graag de grootste jonge talenten op de bok dat ze pragmatischer zijn dan ze zouden moeten. Ik zie bij jonge dirigenten veel zelfvertrouwen - maar dat ontstaat vooral omdat ze niet voldoende worden uitgedaagd.’
Voor echte beproevingen kunnen ze zich vervoegen in Tanglewood, waar Asbury getalenteerde studenten ’s zomers de techniek en psychologische finesses van het vak bijbrengt - met zachte en soms harde hand. Voor hem is het een paradijs: 'Ik ben er thuis. Ik hoef twee maanden niet te reizen. Ik heb daar een leven.’
Is dirigeertalent even gemakkelijk te herkennen als talent voor viool- of pianospelen? 'Het korte antwoord is nee. Het is in zoverre makkelijk dat ik meestal na tien minuten weet waar ik me zorgen over moet maken. Het probleem is dat we kandidaten selecteren op basis van video-opnamen. Dan is het moeilijk om een beeld te krijgen van de relatie tussen dirigent en orkest. Je hebt geen idee hoe de atmosfeer van hun samenwerking was. Soms is het orkest beter dan de dirigent. Er is geen level playing field, daar heb je echt een live auditie voor nodig. Het gaat niet alleen om hoe dirigenten werken met orkesten, het gaat ook om hun persoonlijkheden. Je bent onderdeel van een gemeenschap. Als je daar niet in past heb je een probleem. En de grootste ego’s hebben vaak de minste techniek.’
Techniek, om het nog gecompliceerder te maken, is evenmin doorslaggevend. Wilhelm Furtwängler was weliswaar een van de grootste dirigenten van de twintigste eeuw, de wazigheid van zijn slag dreef orkesten tot wanhoop. Wat als Asbury een nieuwe Furtwängler over de vloer krijgt, met de brille van Goethe en de motoriek van een schlemiel? Herkent hij hem? Kan hij iets voor hem betekenen? 'Goeie vraag. Ik heb heel goede mensen over de vloer gehad in Tanglewood en iedereen voelt meteen wat iemand waard is. Dan is het een kwestie van de goede adviezen geven. Ik praat nooit over muzikaliteit, ik probeer de communicatie te verbeteren. Daar is geen methode voor, maar je ziet onmiddellijk wanneer iemand met het orkest communiceert en het orkest voelt dat ook, zelfs als het niet weet hoe. Het heeft niet noodzakelijk te maken met een heldere slag. Het gaat om helderheid van intentie.’

ASBURY’S DOORBRAAK als repertoiredirigent gaat langs lijnen der geleidelijkheid. Zonder veel ophef drong hij stapsgewijs tot de eredivisie door. De afgelopen seizoenen stond hij voor het symfonieorkest van de Bayrische Rundfunk, het London Symphony Orchestra, het Boston Symphony Orchestra, de Dresden Philharmoniker, The New York Philharmonic en het Koninklijk Concertgebouworkest, waar hij in 2007 op het laatste moment als invaller insprong in een Brits-Amerikaans programma met werken van Britten, Adès, Ives en Bernstein.
Met ingang van dit seizoen is hij chef-dirigent van het Noord Nederlands Orkest in Groningen, waar hij komend seizoen naast Bernstein, Gershwin en Zappa vooral romantici als Tsjaikovsky, Wagner, Diepenbrock, Grieg en Schumann dirigeert, happy as can be. Om de voorlopige carrièrecirkel maar eens rond te maken: dit is wat hij wilde. Een orkest met een uitgesproken regionale functie en een zo breed mogelijk repertoire. Precies wat het orkest in Birmingham was, voordat het dankzij een geniale dirigent per ongeluk wereldberoemd werd. 'Zo'n orkest vind je niet in Londen, waar ze elkaar allemaal op repertoire beconcurreren. Groningen heeft wat een stad als Birmingham ook heeft: tijd en ruimte. We zijn verantwoordelijk voor het klassieke aanbod van een hele regio. Dat schept verplichtingen. Ik wil dat het orkest integreert, dat de kloof tussen publiek en orkest verdwijnt. Ik hoop daar een aanhang op te kunnen bouwen, een gemeenschap van vrienden die zich echt met dit orkest verbonden voelen, en dan gaat het me niet zozeer om geldbijdragen als om binding.’
Hij gaat in Groningen niet zijn specialiteit uitventen. 'Ik geloof niet dat je orkestprogramma’s met vier nieuwe stukken moet gaan brengen. Daar heb je als orkest geen band mee en het publiek kan zich er niet mee identificeren. Het werkt gewoon niet. Ik geloof in contrasten, in die mix van bekende en onbekende stukken.’
Het kan, nu het bezuinigende kabinet in zijn oneindige wijsheid heeft besloten het orkest te laten voortbestaan. 'Toen ik het contract in Groningen tekende, wisten we niet of het Noord Nederlands Orkest er na 2013 nog zou zijn. De programma’s voor het komende seizoen zijn op een laat moment tot stand gekomen, daarna kunnen we gaan bouwen. Wat ik belangrijk vind is dat we minder bekende stukken van grote componisten gaan spelen. Ik zal zeker nieuwe muziek doen, maar ik vind het onaanvaardbaar als het publiek maar twee van de zeven Prokofjev-symfonieën en van de balletten alleen Romeo en Julia blijkt te kennen. De symfonische gedichten van Dvorák - het Concertgebouworkest heeft er met Harnoncourt prachtige opnamen van gemaakt, maar niemand kent ze en ik houd erg van die stukken. Het is verbijsterend hoe weinig zelfs orkesten soms de oeuvres van op zichzelf grote namen kennen. Ik dirigeerde in Boston net de Serenade to Music van Vaughan Williams, als componist toch geen onbekende voor het waarschijnlijk meest Engels georiënteerde orkest van de Verenigde Staten - Colin Davis was hier chef. Ze hadden het nooit gespeeld. Na afloop werd ik er door orkestleden op aangesproken, hoe goed ze dat stuk hadden gevonden. They loved the piece.’
Hij verheugt zich op zijn derde gastoptreden bij het KCO. Het programma bevalt hem, hoewel het niet volledig onder zijn regie tot stand kwam. 'Het Tweede pianoconcert van Bartók met Lang Lang was een gegeven, maar een gegeven waar ik erg gelukkig mee ben - zoals ik overigens met elk stuk van Bartók zou zijn geweest. Hindemiths Mathis der Maler-symfonie is wel echt mijn keus geweest. Ik houd zeer van zijn werk, heb meer latere orkestmuziek van hem gedirigeerd, ook de Symfonische Metamorfosen - zijn contrapunt en vreemde orkestratie fascineren me. Het heeft persoonlijkheid, een beetje geeky.’
Het programma past bij hem: 'Het Concertgebouworkest wilde een tijdsbeeld schetsen van muziek uit die periode en die jaren dertig interesseren me met name qua orkestbehandeling.’ Verwijzend naar de rel rond de première van het stuk in het nazi-Duitsland van 1934 stelt hij vast dat de Mathis-symfonie, een zelfstandig werk dat de opmaat vormt naar Hindemiths gelijknamige opera over de Duitse renaissanceschilder Matthias Grünewald, 'heel goed in die tijd past; het gaat over de verhouding tussen kunstenaar en maatschappij’.

Stefan Asbury dirigeert 22 en 23 september de AAA-voorstelling van het Koninklijk Concertgebouworkest. www.aaaserie.nl