Toen het virus toesloeg en Frankrijk in lockdown ging aarzelde Patrice Gaudin geen moment. Hij gooide wat spullen in een tas, sprong op zijn racefiets en zette koers richting zijn kerk. Dit was het moment om solidair te zijn met de bewoners van de omringende cité. Hij zou er vele maanden blijven. Zes keer per week droeg hij voor een camera de mis op. Die zette hij vervolgens op zijn eigen YouTube-kanaal en op Facebook. Het bleek een doorslaand succes.

‘Père Patrice’, zoals iedereen in de wijk hem noemt, is een benaderbare en goedlachse veertiger. In alles ademt hij toewijding aan zijn katholieke geloof. Wanneer zijn mobiele telefoon overgaat klinkt er gebeier van kerkklokken. Het woord joie (vreugde) ligt in zijn mond bestorven en als hij het uitspreekt lichten zijn ogen op. Hij heeft een rood kruis op zijn pols getatoeëerd en in zijn vrije tijd traint hij voor zijn eerste Ironman.

Gaudins kerk, de Église du Christ-Ressuscité te Bondy, is een combinatie van beton, hout en matglas en werd in 1965 gebouwd volgens de principes van het toen geldende modernisme. Boven de ingang staat een wit Mariabeeld. Overdag staan de deuren aldoor open, ook als Gaudin visites in de buurt aflegt. Het kerkgebouw wordt geheel overvleugeld door de flats die het omringen; een beetje alsof de architecten God op zijn plek wilden zetten – aan de voet van de toen nog communistisch stemmende arbeiders.

Dertien etages hoog; twintig appartementen lang – vanaf de snelweg zie je gevaartes in het landschap oprijzen. Dit is La Noue Caillet, de arme wijk van een van de armste gemeenten van het departement Seine Saint-Denis, ten noordoosten van Parijs. Zo’n negentig nationaliteiten vind je er, het merendeel afkomstig uit de voormalige koloniën in Noord- en West-Afrika en de Antillen, maar de laatste jaren ook uit landen als Bangladesh en Congo. De voetballer Kylian Mbappé groeide op in de wijk, en op het uiteinde van een van de megaflats liet zijn sponsor een levensgrote afbeelding aanbrengen.

Voorzieningen zijn schaars. Er is een Lidl, waar het altijd dringen is, en een wekelijkse markt. Er is een apotheek, een islamitische slager, een bar-tabac die geen alcohol verkoopt, en een door Indiërs gerunde avondwinkel die dat juist overvloedig doet. Zodra de avond valt duiken op de rotondes bestelwagentjes op die vanuit de laadbak sushi en pizza verkopen. Het is ook het moment dat de zaken van de plaatselijke dealers beginnen aan te trekken. Op strategische punten in de wijk zie je ze zitten op stoelen en doorgezakte banken. Loom, onderuitgezakt, maar steeds alert en alles gadeslaand. ’s Nachts klinken er zo nu en dan pistoolschoten.

Vorig voorjaar, tijdens de eerste lockdown, doken in Franse media berichten en reportages op over mensen in de banlieue die zich niet of nauwelijks aan de coronaregels hielden. In het conservatieve dagblad Le Figaro vroeg Gaudin om begrip. Ja, schreef hij, het duurde even eer de regels werden toegepast, maar inmiddels houdt men zich eraan, en in heel moeilijke omstandigheden.

‘Stel je voor, een appartementje, zonder balkon, zonder tuin, met een droef stemmend uitzicht, en waar drie generaties opgetast zitten. Wanneer je daarbij de kinderen moet laten werken met een aftandse computer zonder printer grenst dat aan de heroïek.’ Er was zeker criminaliteit, vervolgde hij, maar die mocht het stille heldendom van al diegenen die blijven doorwerken niet verhullen. Voor deze mensen was er geen uitweg, geen thuiswerk, geen tweede huisje op het platteland waar je naartoe kon vluchten. ‘Ik ben als hen’, zo besloot Gaudin: ‘Ik zit in lockdown in mijn kerk.’

Ook in Frankrijk bracht de pandemie op genadeloze wijze de sociaal-economische ongelijkheid aan het licht. Terwijl rijke Parijzenaars en masse naar het platteland verkasten, stonden mensen in de banlieue in de rij bij de voedseluitdeling. Maar wanneer de banlieue in het nieuws is gaat het doorgaans over criminaliteit, drugs, geweld door en tegen de politie, benderivaliteit, islamisme en terreur. Dat beeld wordt gevoed door filmpjes die rondgaan op sociale media van rellende jongeren die politiebureaus en -busjes met vuurwerkbommen bestoken. Effect verzekerd.

Er circuleren beelden van massale vechtpartijen en ook duiken er filmpjes op van schotenwisselingen met kalasjnikovs. Er was de moordaanslag op geschiedenisleraar Samuel Paty, en een polariserend debat rond een wet die ‘islamitisch separatisme’ in de voorsteden wil aanpakken. Tel daar een reeks terroristische aanslagen die maar niet lijkt te eindigen bij op, denk er een populaire nieuwszender (Cnews) bij die ruim een derde van zijn gasten vanuit radicaal-rechts betrekt, en je hebt een idee hoe Frankrijk zo heeft kunnen verrechtsen. Uit peilingen blijkt dat nog slechts een kwart van de Fransen zich tot linkse partijen aangetrokken voelt.

Eerder dit jaar zette een groep ex-generaals de situatie op scherp met een brandbrief. Er zou sprake zijn van een ‘burgeroorlog’ en het leger zou de banlieue moeten intrekken om er orde op zaken te stellen – indien nodig buiten de regering om. De brief veroorzaakte een sensatie in de media; de verontwaardiging vanuit het politieke establishment was groot (veel van de generaals waren afkomstig uit de extreem-rechtse hoek). Maar opiniepeilingen wezen ondertussen uit dat bijna zestig procent van de Fransen de zorgen van de generaals deelt.

Het gemak waarmee het groepje gepensioneerde generaals door de constante stroom van coronanieuws wist heen te breken is veelzeggend. Het toont dat autoriteit, orde en veiligheid gevoelige thema’s zijn in het huidige Frankrijk en volgens politicologen die ik erover sprak speelt dat radicaal-rechts in de kaart. Zo stelt Pascal Perrineau, een toonaangevende populisme-expert, dat Frankrijk zich ‘op een vulkaan’ bevindt. De succesvolle vaccinatiecampagne is een opsteker voor president Emmanuel Macron, maar als Marine Le Pen van het nationaal-populistische Rassemblement National komend jaar de tweede ronde van de presidentsverkiezingen bereikt, zou ze volgens Perrineau voor een verrassing kunnen zorgen. Dat haar dat zal lukken is onzeker geworden nu ze door de extreem-rechtse agitator Éric Zemmour dreigt te worden gepasseerd. Het zegt alles over het gekantelde sentiment.

Bondy wordt doorsneden door het Canal de l’Ourcq, een kanaal oorspronkelijk bedoeld om Parijs van drinkwater te voorzien. Het komt uit in het karakteristieke Canal Saint-Martin, met zijn mosgroene sluizen en kastanjebomen, de vanzelfsprekende biotoop van de hoofdstedelijke bourgeois-bohème. Maar eer je daar bent moet je door een stadsjungle van met graffiti volgespoten muren, gigantische flatwijken, een rangeerterrein van de sncf en door Pantin – een voorstad die afgelopen jaren in rap tempo gentrificeerde. Een half uurtje fietsen en je bent in een wereld van gemotoriseerde stepjes en artisanaal bier.

Bondy vormt het geografische hart van het departement Seine Saint-Denis, ‘le 93’, een urban sprawl waarin zo’n vijftig gemeenten samenklonteren. Het getal 93 is het departementsnummer. Seine Saint-Denis heeft een eigen taal, een eigen muziek en een eigen verbeelding. In films als het klassieke La Haine of het recentere Les Misérables (2019) klinkt er iets van door. Ze roepen een rauwe wereld op van confrontaties tussen jongeren en de politie, vaalgrijze flatwijken en afgetrapte voetbalbalveldjes; van rap, wheelies en kebabtentjes; van racisme, schooluitval en drugshandel.

Seine Saint-Denis geldt als een plek waar migranten aankomen en weer vertrekken zodra ze het zich kunnen veroorloven. Dat zorgt voor een dynamiek die je veel minder aantreft rond kleinere provinciesteden, zoals de socioloog Didier Lapeyronnie beschreef in Ghetto Urbain (2008). Hier is de werkloosheid nog hoger dan in de grote steden en de segregatie is er vrijwel absoluut. Bewoners scheppen hun eigen universum waarin ze zich veilig voelen, maar dat hen tegelijk belemmert om de omliggende wereld tegemoet te treden. De cité is dan zowel een beschermende cocon als een gevangenis.

In Seine Saint-Denis speelt dit probleem ook, maar vanwege de nabijheid van Parijs is er altijd ook de mogelijkheid tot lotsverbetering. Het clichébeeld is dat van de grauwe flatwijken, maar de werkelijkheid is complex. Het is een lappendeken waar cités grenzen aan middenklassebuurten. Je vindt er een eigenaardige mix van parken en industrieterreinen, middeleeuwse stadscentra en fantasieloze jarennegentignieuwbouw, van fly-overs en negentiende-eeuwse kanalen, van braakliggende terreintjes en moderne shopping malls.

De banlieue in zijn huidige verschijningsvorm kreeg vanaf de jaren zestig in de vorige eeuw gestalte. De spectaculaire naoorlogse groei (in Frankrijk bekend als de Trente Glorieuses, de periode 1945-1975) ging gepaard met een leegloop van het Franse platteland. Een Bretonse gelukszoeker die ’s avonds aankwam op Gare Montparnasse kon de volgende dag al terecht in de Peugeot-fabrieken in Seine Saint-Denis. Om de toestroom van mensen op te kunnen vangen werden inderhaast flats gebouwd – ruim, licht en met stromend water.

De vraag naar arbeid was dusdanig groot dat ook een beroep werd gedaan op de voormalige koloniën. Eerst kwamen de mannen, de latere gezinshereniging viel samen met een stagnatie van de westerse economieën die volgde op de oliecrisis en het begin van de de-industrialisatie. Werk – de krukas van de integratiemachine – werd schaarser. Nieuwkomers raakten zo opgesloten in hun wijk, en in hun identiteit. De cités, eerst nog toonbeelden van moderniteit, transformeerden tot openluchtgevangenissen – je kón eruit ontsnappen, maar dat lukte alleen de sterksten, de slimsten of de sluwsten.

In 1983 kreeg Frankrijk te maken met een golf van racistisch geweld. Het vormde de opmaat tot de ‘Marche des beurs’ (Arabierenmars, ‘beur’ is straattaal voor Arabier) en de oprichting van sos. Het betekende ook de doorbraak van het Front National van Jean-Marie Le Pen en het begin van de polarisatie rond thema’s als immigratie, nationale identiteit en islam. De jaren negentig kenmerkten zich door een lange reeks opstootjes en rellen. Het wachten was op de grote klap.

Die kwam in 2005. Op 27 oktober dat jaar vinden twee jongens in Clichy-sous-Bois de dood door elektrocutie in een transformatorhuisje. Ze meenden dat ze achterna werden gezeten door de politie. Rellen breken uit; die slaan eerst over naar de rest van het departement en vervolgens naar het gehele land. Drie weken achtereen is Frankrijk wereldnieuws. Ik herinner me hoe ik als beginnend journalist lange en intense avonden doorbracht in le 93, waar jongeren en politie een ware stadsguerrilla uitvochten. De kille novembermist vermengde zich er met traangas. Er gingen 28.000 auto’s in vlammen op die weken, en ook postkantoren, scholen en bibliotheken moesten het ontgelden.

‘Het ontbreekt in de buurt heel sterk aan vaderfiguren. Dus ik ben die vader, hun oudere broer eventueel, maar niet hun mattie’

Conservatieve filosofen duidden de rellen als een opstand van jonge consumenten die zich geen dure sportschoenen konden veroorloven. In meer progressieve kringen heette het dat de jongeren een punt hadden, ook als ze het wat ongelukkig uitten. Eén ding was duidelijk: de Republiek, met haar cultus van universalisme en gelijke kansen, was er niet voor iedereen.

Priester Patrice Gaudin op de lokale markt in Bondy waar zijn parochie is, 14 oktober

Het interieur van Gaudins kerk bestaat uit één grote rechthoekige ruimte. Het ruikt licht naar wierook en hier en daar branden kaarsen. Er staan rijen donkere houten kerkbankjes en aan de kale muren hangen foto’s en schilderingen van martelaars en heiligen. Achterin, op een kleine verhoging, tegen een wit schot, bevindt zich het altaar, waar Gaudin de mis opdraagt. Daarachter bevindt zich een kantoorruimte. Er staat een bureau, een flipover, een rode bank en een primitief koffieapparaat. De kerk is meer een soort loods, met vlak onder het plafond een fries van beschilderde ramen.

Sinds de versoepeling van de coronaregels zit de kerk in het weekend weer zo goed als vol. Er zijn veel Antillianen, mensen uit Congo, een handjevol witte Fransen. Toen ik op een zaterdagochtend binnenliep zegende Gaudin juist een huwelijk binnen de plaatselijke zigeunergemeenschap in. Ze staan met enorme campers op het braakliggende terrein aan de rand van de cité. Later die middag heeft hij een barbecue voor een zestigtal kinderen uit de kerkgemeenschap georganiseerd. Kerkgangers die ik spreek zijn vol lof over hoe Gaudin de gemeenschap nieuw leven ingeblazen heeft.

Ook bij de overige buurtbewoners kan Gaudin op grote populariteit rekenen. Zo blijkt wel als we op een doordeweekse middag een wandeling door de buurt maken. Overal waar Gaudin gaat wordt hij begroet. ‘Ah, père Patrice’, klinkt het dan. Bij de dealplek die we passeren heet Gaudin simpelweg ‘PP’. De dealers zitten onderuitgezakt in groene vissersstoelen. Rondhangende jongeren verdringen zich rond Gaudin, tegelijk respectvol afstand houdend. Er wordt gevraagd hoe het gaat, en wie ik ben.

‘Ah, Ajax Amsterdam, ken je Ridouan Taghi?’ richt een van de dealers zich tot mij. En met een grijns: ‘Wij weten hier wel wie dat is.’ Hij staat op vanuit de stoel, komt voor me staan, en stelt zich voor als LaBarbe. ‘Omdat ik op Médine (een bekende Franse rapper, mk) lijk, en minstens even ijdel ben’, zegt hij en strijkt door zijn baardje. Er klinkt gelach. Journalisten worden hier gewantrouwd als de pest, maar het feit dat Gaudin er ook is verandert alles. We moeten voort, maar LaBarbe nodigt me uit later terug te komen. ‘Kom wanneer je wil, ik ben er altijd.’

In een snackbar vertelt Gaudin dat LaBarbe hem eens opbelde vanuit de gevangenis. Aanvankelijk begreep hij dat niet. Hoe kon je nu bellen als je in de cel zat? ‘Pas later besefte ik dat jongens als hij daar natuurlijk alles hebben.’ Op internet staat een filmpje waarin Gaudin onder grote hilariteit een motor inzegent. Hij vertelt dat jongeren uit de buurt hem voortdurend benaderen met vragen en verzoeken om raad, ook de dealers. De meeste hebben een moslimachtergrond. Hoe kan het dat hij, als priester, zoveel vertrouwen bij hen inboezemt?

‘Voor hen ben ik in eerste plaats een homme de Dieu, een man van God’, zegt Gaudin. ‘Ze vragen of ik voor ze heb gebeden, dat is belangrijk, want ze zijn allemaal gelovig. Iedereen noemt mij hier père Patrice, en ik probeer die vaderrol een beetje te spelen’, zegt hij. ‘Ik doe dat heel bewust. Het is een opdracht, een uitdaging ook, want ik moet die rol iedere dag spelen. Jongeren zoeken dat ook, want het ontbreekt in de buurt heel sterk aan vaderfiguren. Dus ik ben die vader, hun oudere broer, eventueel, maar niet hun mattie, en dat weten ze ook.’

Wat Gaudin opviel toen hij naar de banlieue kwam was de alomtegenwoordigheid van religie. ‘Het zit overal in de mensen’, zegt hij. ‘Of je nu moslim bent, of christen, of boeddhist, iedereen is ten diepste gelovig.’ Gaudin, die in Bordeaux filosofie studeerde, is zelf diep doordrongen van het seculiere karakter van de West-Europese samenlevingen. Daarom vond hij het des te opmerkelijker wat hij in een wijk als La Noue Caillet aantrof. ‘Aanvankelijk kon zelfs een gelovig mens als ik me er nauwelijks een voorstelling van maken, hoe structurerend het geloof er is.’

Het biedt ook houvast, denkt Gaudin. Hij vertelt over een jonge Malinees die christen was en zich tot de islam bekeerde. Als christen hoorde hij er hier niet echt bij, en in Mali hoort hij er ook niet meer echt bij. Dus er is het belang van God, dat die overal is, vat Gaudin samen, en dat het een manier is om ergens bij te horen, een identiteit te bieden. Als we de zaken niet beter in dit licht leren zien, zullen we de banlieue volgens hem nooit werkelijk begrijpen, en haar bewoners slechts meer van de rest van Frankrijk vervreemden.

Bondy stemt al sinds de Tweede Wereldoorlog socialistisch. Maar vorig jaar veranderde dat. Sylvine Thomassin, de zittende burgemeester van de Parti Socialiste, werd verslagen door de kandidaat van de centrum-rechtse Les Républicains – het is een trend die je overal in het departement ziet; circa de helft van de gemeenten stemt inmiddels rechts. Ik zoek Thomassin op in haar partijkantoortje in het centrum. Er staat een afgetrapte bank en de muren hangen vol met posters van partijcoryfeeën. Zagen de kiezers wel wat ze op het gebied van kinderopvang allemaal mogelijk had gemaakt? Thomassin, van huis uit vroedvrouw, kan er nog steeds niet over uit. En men léék zo enthousiast over haar aanpak van de coronacrisis.

Thomassin kreeg landelijke bekendheid toen ze boos wegbeende op een bijeenkomst op het Élysée, waar Macron een scherpe opmerking had gemaakt over linkse burgemeesters en hun ‘clientèle’. Wat haar naar eigen zeggen niet hielp was de nadruk die er afgelopen jaren vanuit progressieve hoek was voor thema’s als gendergelijkheid. Zeker niet toen er vanuit nooit helemaal opgehelderde hoek een foldercampagne op gang kwam waarin werd beweerd dat links van plan was lippenstift bij jongens te gaan voorschrijven.

‘Deze geschiedenis gaat je stemmen kosten’, had Mohamed Meniri, de directeur van de plaatselijke moskee, nog tegen Thomassin gezegd. Eerder was het homohuwelijk ook al tegen het zere been van veel moslims geweest. In de week voor de verkiezingen ging Thomassin nog eens langs de galerijen van de flats in La Noue Caillet. ‘Wel op ons stemmen hè’, zei ze dan. ‘Inshallah’, kreeg ze te horen. ‘Maar God stemt niet; jullie wél’, antwoordde ze.

Stephen Hervé, Thomassins rechtse rivaal en de uiteindelijke winnaar, richtte zich meer op de bewoners van de vrijstaande huisjes, vertelt hij op zijn werkkamer op het stadhuis. Hervé, een joviale man die net als Thomassin opgroeide in de stad, vertelde een verhaal van veiligheid en properheid. Hij stelde dat de gemeentepolitie moest worden uitgebreid en dat die bewapend moest worden. ‘Met het klimmen op de sociale ladder veranderden de verwachtingen’, zegt hij daarover. ‘Mensen verwachten een bepaalde rust, en die worden niet bediend.’ Uiteindelijk werd Thomassin nipt verslagen. Ze vecht de uitslag aan.

Priester Patrice Gaudin tijdens een dienst in zijn Christ-Ressuscité-kerk in Bondy, 14 oktober

De dealplek van LaBarbe blijkt een niet geringe operatie. Op de hoek van de straat zitten de dealers onbeweeglijk op hun stoelen. Ze vormen het middelpunt van een uitdijende ring van runners, jonge jongens die de wacht houden en voor bevoorrading zorgen. Gaudin adviseerde me om tegen het einde van de ochtend te gaan, als de dealers zelf nog niet stoned zijn. Inderdaad, later op de middag en zeker in de avond is de stemming uiterst volatiel, met plotselinge woede-uitbarstingen, vechtpartijtjes of onrust vanwege het langskomen van de politie.

Overdag is er veel aanloop van jongens uit de buurt en ontwikkelt de plek zich tot een soort debatclub. Er wordt veel gedold. LaBarbe leunt ontspannen tegen een muurtje. Hij draagt een blauw T-shirt, een korte broek en badslippers met witte sokken. Soms trekt hij met zijn gezicht, een zenuwtic. Een van de andere dealers, ‘Napoléon’, een jongen met glad achterovergekamd haar en een enorme zonnebril, vertelt dat zijn zus dankzij een speciaal programma aan het prestigieuze Sciences Po heeft gestudeerd. Inmiddels timmert ze aan de weg in zakenwijk La Défense. Geen vanzelfsprekendheid, want de cités blijven patriarchale bolwerken.

LaBarbe denkt dat het lage minimumloon en het type werk dat voorhanden is belangrijke redenen zijn dat veel jongens in de drugshandel terechtkomen. ‘Als ik wil kan ik zo een normale baan vinden’, zegt hij. ‘Dealen is mijn keuze, en ik neem daar verantwoordelijkheid voor.’ Van zijn 34-jarige leven bracht hij er tien in de gevangenis door, steeds wegens drugshandel, en mede dankzij strenge Franse wetgeving. Die drugshandel – de hoofdmoot vormen hasj en wiet – is beeldbepalend in La Noue Caillet. Bewoners moeten aldoor langs groepjes dealers als ze de portiek van hun flat willen betreden. Niemand die erover klaagt, althans niet openlijk.

‘Er wordt druk gerenoveerd, maar mentaal zijn de bewoners nog steeds hetzelfde, en er is nog steeds geen werk’

Een veelgehoord argument om de drugshandel op zijn beloop te laten is dat de wijk ervan leeft. Een mythe, aldus Jerôme Pierrat, auteur en kenner van de Franse onderwereld. ‘Het leidt vooral tot Verelendung, een cultuur van mislukking’, zegt hij. ‘Die jongens verdienen tussen de zestig en 120 euro per dag, maar ook niet iedere dag. Het is min of meer genoeg om van te leven. De meesten wonen gewoon bij hun ouders. Het echte geld wordt verdiend door één à twee personen en die wonen niet in de wijk.’

De rellen van 2005 maakten dat een plan voor grootschalige renovatie van le 93 nu versneld werd uitgevoerd. Veel van de flats met hun kapotte liften en uitgebrande portieken werden afgebroken en vervangen door moderne laagbouw. Ook werd begonnen met de aanleg van een snelle metrolijn die de banlieue eerst onderling en vervolgens met de hoofdstad verbond: Le Grand Paris.

In de gemeente La Courneuve, even boven Parijs, zijn de resultaten goed zichtbaar. Negen van de tien flats gingen tegen de vlakte. Er verrees laagbouw, en ook werden parkjes en fietspaden aangelegd. Niet iedereen is tevreden. ‘Alles is in stelling gebracht voor een overname door de Parijse middenklasse’, zegt Aly Diourra, een lokale politicus en buurtwerker. Woonlasten rijzen de pan uit, huren dreigen onbetaalbaar te worden. ‘Onze ouders zullen hier nog wel kunnen blijven wonen’, zegt Diourra, ‘maar wat doen wij? Er wordt druk gerenoveerd, maar mentaal zijn de bewoners nog steeds hetzelfde, en er is nog steeds geen werk.’

Transport, woningen, daar heb je alleen wat ingenieurs en een zak geld voor nodig, zegt Gaudin op het betonnen bordes voor de kerk. ‘Maar om de geesten te veranderen, daar is veel politieke wil voor nodig.’ Hij ziet het aan jongens als LaBarbe. ‘Die komen de cité eigenlijk nooit uit. En waarom zouden ze ook? Ze kennen de mensen, de taal en de codes. Maar het is een heel gesloten universum, het daagt niet uit.’ Alleen daarom gelooft Gaudin al niet in het gepraat over een ‘burgeroorlog’ van figuren als Éric Zemmour. ‘Op filmpjes ziet het er soms dreigend uit, maar inwendig zijn die jongens gebroken. Het ontbreekt ze aan echte wilskracht. “Durf te dromen!” zeg ik aldoor tegen LaBarbe. Ik probeer de mensen aan te moedigen, ze hoop te geven.’ Hij zucht en heft zijn armen in de richting van het Mariabeeld. ‘Dat geldt eveneens voor de huisarts, voor de apotheker, de leraar… Ook voor hen is La Noue Caillet een missiegebied. Maar wat kunnen we doen?’

Gaudin werd geboren in een dorpje in de buurt van Niort, in het westen van Frankrijk. Hij studeerde bedrijfskunde in Bordeaux, waar hij op zijn twintigste door een groepje katholieke jongeren werd aangesproken, of hij met hen wilde bidden. Het was het begin van de herontdekking van het geloof, en van de kerk. ‘Het ging prima met me’, zegt Gaudin over die periode. ‘Ik zou goed geld gaan verdienen, maar God overviel me; ik ontmoette Christus, die onvoorwaardelijk van je houdt, die niet oordeelt, van wie je mag zijn wie je bent.’

Gaudin maakte zijn studie af, maar besloot dat hij iets met zijn herontdekte geloof wilde en volgde een opleiding tot priester. Dat betekende het seminarie, met veel filosofie en theologie. Hij ging aan de slag als priester, maar daarna volgde een opmerkelijke stap: Gaudin vertrok naar Lourdes om daar een jaar te leven in een tehuis voor ex-verslaafden. Ze waren clean, maar daarna kwam het werkelijke lijden aan de oppervlakte. Mensen die zich thuis niet geliefd voelden, die weinig zelfvertrouwen hadden, een laag zelfbeeld. Het leerde hem het belang van familie, maar hij zag er ook een diepere waarheid in over onze samenleving, gekenschetst als die naar zijn idee is door zucht naar afleiding en vermaak. ‘We willen geen economisch liberalisme meer, maar een transcendent project is er ook niet langer. We hebben individuele vrijheid, maar om wat mee te doen?’

Gaudin werd in het bijzonder getroffen door een Oost-Europese jongen, een weeskind dat op zijn vijftiende aan de harddrugs was geraakt. Ook sneed hij zich in zijn onderarmen. Het was deze jongen die het idee opperde met sociaal kwetsbare mensen te gaan werken. Zo kwam Gaudin op het idee om naar de banlieue te gaan, zegt hij. ‘Het was alsof God via die jongen tot me sprak.’ Maar eerst ging Gaudin nog voor een jaar naar Jeruzalem om verder te studeren. Hier liet hij zijn polstatoeage zetten: een Jeruzalemkruis dat staat voor de vijf wonden van Christus. Niet lang hierna volgde zijn overplaatsing naar Bondy.

Gaudin bewoont een kamer in de pastorie niet ver van het stadhuis. Spullen heeft hij nauwelijks; de meeste van zijn boeken heeft hij weggegeven. Hij verdient elfhonderd euro per maand. ‘Mijn leven is in en om de kerk’, zegt hij.

De katholieke kerk onderhoudt een moeizame verhouding met de Franse Republiek. Vooral gedurende de negentiende eeuw lagen de twee in de clinch, en met name het laatste kwart, toen de Derde Republiek (1870-1940) voet aan de grond trachtte te krijgen. Dat gebeurde in de eerste plaats met de École républicaine, seculier, kosteloos, verplicht, en met een curriculum dat overal in het land hetzelfde was. Onderwijzers werden hussards noirs genoemd; scholen waren een soort seculiere missieposten. De openbare basisschool bleek niet alleen een effectief middel om de invloed van de curé terug te dringen, het was ook een formidabele integratiemachine, een manier om de zo diverse regio’s in het nationale gelid te brengen. Lokale dialecten werden er indien nodig uitgeslagen.

Het heilige geloof in de school als instrument van emancipatie en integratie is altijd gebleven en in La Noue Caillet is het aanwezig in de persoon van Dominique Dallois, het energieke schoolhoofd van een van de twee basisscholen. Ze werd in de wijk geboren, maar verhuisde alweer jaren geleden naar een rijkere buurgemeente. Net als de kerk van père Patrice zit de school van Dallois ingeklemd tussen enorme flats. ‘Er wonen hier kinderen uit allerlei delen van de wereld’, zegt Dallois in haar kantoortje, ‘en soms hebben die moeite de regels te begrijpen van wat ik maar even het Franse leven noem. Daar helpen wij bij, en zo bevinden we ons in het hart van de sociale en culturele integratie; noem het gerust onze belangrijkste missie.’ Van slaag is tegenwoordig geen sprake meer, benadrukt Dallois. Kinderen worden juist aangemoedigd hun eigen taal te behouden.

In 1905 kwam het tot een duurzame wapenstilstand tussen Kerk en Republiek met een wet die de scheiding tussen kerk en staat regelde, de befaamde laïcité. Soms vlamde de strijd nog even op, zoals in 1984, toen president Mitterrand dreigde het katholieke privéonderwijs in het openbaar onderwijs te laten opgaan, of met het verzet tegen het homohuwelijk. Maar over het algemeen is de relatie tot rust gebracht. Als er de afgelopen jaren discussies waren over de laïcité, was dat meestal in verband met de islam. Zo is er het zich al decennia voortslepende hoofddoekjesdebat. Formeel werd dat in 2004 beslecht met een wet die het dragen van ‘ostentatieve religieuze tekens’ op de Franse openbare school verbood, maar toen ik na de aanslag op Charlie Hebdo de banlieue weer eens bezocht, werd ik getroffen door verbittering over de toen al meer dan tien jaar oude wet. Het ging niet om het verbod als zodanig, maar om hoe het werd ervaren, als een manier om moslims te treffen.

Vier jaar eerder, in 2011, was een verontrustend rapport verschenen van de bekende arabist en politicoloog Gilles Kepel. Hij stelde dat de rol van de islam in de banlieue enorm was gegroeid. Dat was op zich geen probleem, wel dat de religie in het vacuüm was getreden dat de terugtrekkende overheid had achtergelaten. Doorgaans ging het om een huis-, tuin- en keukenislam, die een gemeenschappelijk kader bood en moreel houvast, daar waar de Republiek slechts loze beloftes deed. Maar ook fundamentalistische predikers waren actief.

Kepel nam een ‘intensivering van de religieuze praktijk’ waar. Moskeebezoek was toegenomen, deelname aan de ramadan onontkoombaar, en ook zag hij hoe het concept halal dusdanig opgerekt was dat een nieuwe afbakening was ontstaan tussen wat moreel aanvaardbaar was en wat niet. Het onderzoek richtte zich op Clichy-sous-Bois en buurgemeente Montfermeil, waar drugshandel en de ineenstorting van het lokale communisme de gemeenschap hadden ondermijnd en gefragmenteerd. Hier bood het geloof een vorm van genoegdoening voor het sentiment van uitsluiting – sociaal, economisch en politiek. De islamisering van een gevolg; géén oorzaak, stelde Kepel. Hij wees op de school en de gebrekkige doorstroommogelijkheden. De school was zowel hetgeen waar mensen hun hoop op richtten als object van intense haat. Want wat had je aan een diploma als er vervolgens geen baan voor je was?

Vrijwilligers van vereniging Le Rocher geven Franse les in het souterrain van de Christ-Ressuscité-kerk, 14 oktober

In het jaar dat Kepels rapport verscheen leerde ik Issa kennen, een jongen uit de katholieke middenklasse die zich had bekeerd tot de islam. Ik was op zoek naar een schoorsteenveger, en via zo’n briefje dat je op lantaarnpalen ziet aangeplakt kwam ik aan een nummer. Een paar dagen later stonden twee mannen in oranje overalls in mijn salon. Ze hadden woeste baarden en de broekspijpen op hun enkels. Salafistische moslims, zo concludeerde ik. De ene, Issa, sprak vloeiend Frans, de ander helemaal niet.

Issa bleek verderop in de straat te zijn opgegroeid. Hij had zijn Franse naam voor een Arabische ingeruild en wilde graag praten, over alle vooroordelen die er over het salafisme bestaan, de stromingen binnen deze bewegingen en wat hij verwachtte van de Arabische Lente, een gebeurtenis die volop gaande was. Hij woonde inmiddels in le 93, in de gemeente Stains, en spaarde voor de hadj, de pelgrimstocht naar Mekka. Hij vertelde dat zijn vrouw sinds het boerkaverbod van een jaar eerder niet meer buiten kwam. Zelf hosselde hij. In de winter het schoorsteenvegen en in de zomer iets met bijen. Tussendoor had hij handeltjes in kleren. Ik was onder de indruk van zijn kennis van de islam, en de gestructureerde manier waarop hij erover sprak.

Toe hij het jaar erop terugkwam vertelde hij over de spanningen in le 93. Hij was alleen gekomen; zijn oranje overall had hij ingeruild voor een blauwe. Net als andere West-Europese landen stond Frankrijk aan de vooravond van een uittocht van jongeren richting Syrië. Volgens Issa manifesteerden zich ook jihadisten in Stains. Zware jongens, al crimineel voordat ze zich tot de islam bekeerden. Hij vertelde dat salafisten zoals hij probeerden om aspirant-Syriëgangers van hun plannen af te brengen en dat jihadisten uit de buurt daarop hadden ingegrepen. Issa toonde me zijn gebutste scheenbeen. Hij zei dat hij met een ijzeren staaf geslagen was. Volgens hem kwamen de jihadisten bidden in de Al Rawda-moskee in Stains.

Later kwamen de aanslagen en toen ik Issa een paar weken na de aanslag op de Bataclan over de vloer had, maakte hij een gejaagde indruk. Hij had te maken met identiteitscontroles en wantrouwige cliënten, vertelde hij. Op straat en in de metro verborg hij zijn baard in een dikke wollen sjaal. Issa meende te weten dat hij ‘fiché S’ was – door de veiligheidsdiensten als gevaarlijk aangemerkt. De aanslagplegers noemde hij ‘petits voyous’, straatschoffies die niets van de islam begrepen hadden.

Is er in de wijk sprake van ‘islamitisch separatisme’? ‘Als er al íemand is die het voor het zeggen heeft, zijn het de dealers’

Gaudin was in de zomer van 2015 in Bondy gearriveerd en trof daar de moslimpopulatie in een staat van opperste verwarring. ‘Moslims die ik sprak wisten letterlijk niet meer wat te geloven’, herinnert Gaudin zich. ‘Ze twijfelden aan hun eigen religie. Sommigen stapten op me af en zeiden: “Père Patrice, bid voor ons, want wij zijn verloren.”’

Die verwarring is op zichzelf al grond voor radicalisering, meent Gaudin. ‘Wanneer een mens niet langer weet wat zijn wortels zijn is er een neiging te verharden. Dat zie je in de filosofie, maar ook binnen het katholicisme. Het islamisme komt voort uit onzekerheid over wat de islam is. Ik heb ook veel islamitische filosofie gedoceerd, en in de Middeleeuwen, wanneer het rationalisme opgeld maakt, zie je direct dat dat grote problemen geeft. Dat er een verharding optreedt en IS-achtige bewegingen zich doen gelden.’

Religie blijft een heikel onderwerp in de cité, in ieder geval bij LaBarbe. Wanneer ik hem voor de vuist weg vraag of hij religieus is, kijkt hij me wantrouwend aan.

‘Waarom wil je dat weten, wat gaat jou dat aan?’
‘Hoezo, ik mocht toch alles vragen?’
‘Maar dit is persoonlijk.’ LaBarbe doet een paar stappen achteruit.
‘Zoek er niets achter, oké, we laten het vallen.’
‘Denk je soms dat ik geen goede moslim ben omdat ik deal? Ik bid vijf keer per dag.’
‘Laten we erover ophouden.’
‘Waarom mag hij niets over je religie vragen?’ komt een van de andere dealers tussenbeide. ‘Schaam je je daar soms voor?’
‘Nee, dat is persoonlijk.’
LaBarbe komt nu vlak voor me staan en sjort aan mijn cahier.

‘Het is klaar, jij bent niet als père Patrice, maar een journalist als de anderen. Pak je opschrijfboekje en smeer ’m. En je schrijft niets over ons, we weten je te vinden.’ Volgens Gaudin worstelen jongens als LaBarbe met hun geloof. Hem erop aanspreken ziet hij niet als zijn rol, hoewel hij dat bij christelijke jongens soms wel doet. ‘Ik zeg dan: “Je kunt niet én vasten voor Pasen, én drugs verkopen. Het is een van de twee, je moet kiezen.”’

De aanslagen zetten het eerder begonnen debat over radicalisering op scherp. Waren islamisme en salafisme een dam tegen het gewapend jihadisme, of juist een sluis ernaartoe? En wat was de rol van de banlieue hierbij? De socioloog Bernard Rougier had studenten en promovendi de banlieue ingestuurd, waar ze hun oor te luisteren hadden gelegd in moskeeën, rond hadden gesnuffeld in islamitische boekhandels en hun licht hadden opgestoken in sportscholen en rond voetbalveldjes. Er waren ‘islamitische ecosystemen’ ontstaan, concludeerde Rougier, waar de islam nog maar in één smaak kwam: die van het fundamentalisme: moslimbroeders, tabligh en salafisten.

Rougier zelf spreekt van een ‘salafistische revolutie’, aangewakkerd vanuit de Perzische Golf, Saoedi-Arabië vooral. Deze ecosystemen waren extra zorgelijk omdat er volgens Rougier toch zeker porositeit bestond tussen niet-gewelddadig islamisme en jihadisme. Dit idee had vergaande implicaties, want het maakte de banlieue tot broedplaats van terrorisme. Gewone moslims werden er als het ware klaargestoomd voor de gewapende jihad.

Stains bleek niet heel ver van Bondy, een half uurtje fietsen. De Al Rawda-moskee was destijds door de Franse veiligheidsdienst aangemerkt als een ‘kristallisatiepunt’ van de jihadistische beweging. Onder de vaste bezoekers uit die dagen bevond zich niemand minder dan Fabien Clain. Fabien en zijn broer Jean-Michel gelden als de hoekstenen van het Franse jihadisme. Ze werden geboren in een streng katholiek gezin, bekeerden zich in de jaren negentig en radicaliseerden in de banlieue van Toulouse. Op 14 november 2015 is het Fabien die namens Islamitische Staat de aanslag op poppodium Bataclan opeist.

Op een documentaire die Canal+ in 2016 uitzond over aspirant-jihadisten is te zien hoe een jongen op straat voor de Al Rawda-moskee staat en in de lucht wijst, richting de vliegtuigen die zich opmaken voor de landing op het nabijgelegen vliegveld Le Bourget. ‘Met een kleine bazooka schiet je er zo een uit de lucht’, zegt hij. Niet lang daarna werd de moskee gesloten.

Dat er in de banlieue sprake is van islamisering wordt door niemand betwist. Wel dat er een continuüm zou zijn tussen salafisme en gewelddadig jihadisme. Zo wijst de filosoof Olivier Roy erop dat geen van de aanslagplegers van de afgelopen jaren een salafistische inbedding had. Het waren steeds jongeren, vrijwel altijd met een criminele achtergrond, die zich bekeerden en dan direct de gewapende jihad omhelsden. In moskeeën kwamen ze niet, in islamitische boekhandels al helemaal niet. De radicalisering voltrok zich vrijwel altijd dankzij een zelfbenoemde imam buiten het reguliere circuit. Of gewoon via internet.

Ook de notie van ‘islamitische ecosystemen’ is bekritiseerd. Wat Rougier aan materiaal en uitspraken verzamelde is zorgwekkend genoeg, maar hij maakt niet duidelijk hoe je dat moet generaliseren. Het scheelt nogal of er vijf of vijfhonderd mensen naar een radicale preek luisteren. Maar juist daarover zegt zijn onderzoek niets. ‘Het beeld dat Rougier oproept is dat van een buurt die volledig in de greep is van islamisten’, zegt Mark Hecker, een van Frankrijks bekendste terrorisme-experts. Volgens Hecker toont Rougier niet zozeer dat er buurten zijn overgenomen, maar dat er bereidheid is om dat te doen.

Het debat werd in zekere zin kortgesloten door de grote wet over het ‘islamitisch separatisme’, die afgelopen zomer door de Franse grondwettelijke raad werd goedgekeurd. Het idee achter de door Macron geïnitieerde wet is dat niet-gewelddadig islamisme maar ook salafisme als zodanig problemen zijn, omdat ze op gespannen voet staan met de waarden van de Republiek. ‘We bestrijden het niet-gewelddadige islamisme omdat het verdeeldheid zaait onder de Fransen’, zo hield een presidentiële topadviseur me in de marge van een antiterrorismeconferentie voor. Oftewel: het vormt een bedreiging voor de maatschappelijke cohesie.

Is er in La Noue Caillet sprake van ‘islamitisch separatisme’? Een salafistische moskee is er niet. Gedurende de weken dat ik in de cité verbleef zag ik regelmatig salafistische jongeren lopen, herkenbaar aan hun grijze djellaba’s, sportschoenen en broek tot op de enkels opgerold. Zo nu en dan kwamen vrouwen in gezichtsbedekkende nikabs voorbij – in Frankrijk bij wet verboden. Er is een islamitische basisschool, maar ik zag juist ook veel zwaar gesluierde vrouwen staan wachten bij de schoolpoort van de openbare school. Een eenduidige norm leek er niet te zijn, in ieder geval niet op straat. Er liep van alles rond in de wijk, ook vijftienjarige meiden met strakke topjes en blote buiken.

‘Als er al iemand is die het voor het zeggen heeft in de wijk zijn het de dealers’, zegt Gaudin. Islamisering observeert hij nadrukkelijk wél, al zitten daar volgens hem meerdere aspecten aan. ‘Er is het gegeven dat veel nieuwkomers van huis uit heel gelovig zijn, en daarbij is er die verharding, het identitaire aspect, dat zich uit in uiterlijkheden als een nadruk op halal en het dragen van de hoofddoek.’

Oud-burgemeester Sylvine Thomassin zegt dat het fenomeen in Bondy ‘hooguit enkele tientallen gezinnen’ betreft. Die onderwijzen hun kinderen thuis – iets dat door de nieuwe wet lastiger is gemaakt. Dominique Dallois, van de openbare basisschool, beaamt dat. ‘Er zijn altijd manieren om je aan het reguliere onderwijs te onttrekken, net als er ouders zijn die niet willen dat hun dochters deelnemen aan de zwemles, zegt ze, ‘maar het komt heel weinig voor’.

In bepaalde cités zijn zeker problemen, zegt terrorisme-expert Hecker. ‘En groepsdruk is een feit. Maar de vrees voor kleine emiraten, zoals in Tunesië, is nergens op gebaseerd.’ In het machtsvacuüm vlak na de revolutie van 2011 slaagden salafisten op het Tunesische platteland er hier en daar in voor korte tijd de sharia op te leggen. ‘De wil om kinderen op school te onderwijzen in plaats van thuis, zoals tot uitdrukking gebracht in de nieuwe wet, is natuurlijk prima’, zegt Hecker. Volgens hem geldt dat ook voor het aangekondigde toezicht op buitenlandse financiering, of de bepalingen die moeten voorkomen dat fundamentalisten de macht grijpen in moskeeën of religieuze organisaties. ‘Maar als ik dit afzet tegen de polarisatie die het debat over de wet heeft veroorzaakt, denk ik soms: is dit het nou?’

Twee weken nadat Macron de nieuwe wet had aangekondigd werd Samuel Paty vermoord door een jonge jihadist. Voorafgaand had een boze vader een filmpje op Facebook gezet waarin hij schande van de geschiedenisleraar sprak, de leraar die scabreuze tekeningen van de profeet Mohammed zou hebben getoond. Aan de moslimbroederschap gelieerde organisaties en moskeeën hadden het filmpje vervolgens verspreid, en vlak daarna had de dader toegeslagen. Daarmee was de toon voor het debat gezet. Centrum-rechts en radicaal-rechts riepen om vergaande beperkingen; de linkse oppositie vreesde verdere stigmatisering van de Franse moslimpopulatie.

Kind van de rekening was de banlieue, in de publieke opinie meer dan ooit een broeinest van criminaliteit, bendegeweld, islamisme en uiteindelijk: terreur. En dat terwijl eigenlijk alle experts het erover eens zijn dat oplossingen in de sfeer van onderwijs en werk moeten liggen, sociaal-economische thema’s dus, die in het huidige debat zo goed als ondergesneeuwd zijn. En dat terwijl Macron op dit gebied juist veel betekend heeft. Eén van de eerste maatregelen die hij tijdens zijn presidentschap doorvoerde was de halvering van basisschoolklassen in probleemwijken. Dat heeft heel goed gewerkt, zegt schooldirecteur Dallois, en heeft een reële impact.

Het punt is volgens haar dat de stap naar de grotere klas in het vervolgonderwijs nu eigenlijk te groot is, waardoor het ingelopen voordeel tenietgedaan dreigt te worden. En dan is er het probleem van de doorstroom, want de werkloosheid in de banlieue is nog steeds hoog, in le 93 en zeker in de provincie. Tot die tijd zal veel neerkomen op de inzet van lokale figuren als père Patrice. Veel mensen die ik in de wijk sprak vrezen de dag dat de kerk hem naar een volgende parochie zal sturen. Gaudin wuift die angst weg en zegt dan dingen als: ‘Jullie moeten je niet aan mij hechten, maar aan Christus, de bron van vreugde.’ Maar een geruststellend antwoord is dat niet, zeker niet voor de mensen buiten de christelijke gemeenschap.

Op mijn laatste dag in Bondy stap ik op de fiets richting Stains. Ik doorkruis eerst Drancy, met zijn knusse pavillons en daarna het departementale park George Valbon. Er zijn gezinnen aan het picknicken; kinderen rennen rond. De Al Rawda-moskee bevindt zich aan een keurige straat met luxueuze villa’s. Een afslag aan het einde leidt naar een kleine maar grimmige cité. De moskee, of eigenlijk het ‘cultureel centrum’, bestaat uit een overdekte voedselmarkt, een boekenwinkel en een gebedsruimte. Na een sluiting van twee jaar ging hij in 2018 weer open.

Ik heb geen afspraak maar word zonder problemen door de imam ontvangen, een 32-jarige Egyptenaar die anderhalf jaar eerder vanuit de beroemde Al Azhar-moskee in Cairo naar Frankrijk was gestuurd. In zijn vrije tijd werkt hij aan een proefschrift aan het Institut Catholique in het Parijse zesde arrondissement, vertelt hij wanneer we plaats hebben genomen in zijn kantoortje. Een zeer slechte zaak dat jihadisten de ruimte frequenteerden. Ja, van de sluiting had hij gehoord. Maar de betreffende imam was weggestuurd. Die episode met die jihadisten lag allemaal ver achter ons, verzekert hij me.

Een half uur later sta ik weer op straat. Ik draai me om. Op de plek waar vijf jaar eerder toespelingen waren gemaakt op het uit de lucht schieten van een vliegtuig, fietst nu een jongetje op een driewieler. Syrië, de aanslagen, Islamitische Staat, die lijken opeens ver weg.