Interview stand-up comedian Jörgen Raymann

«Ik probeer het denken in zij en wij op te heffen»

De komiek die ooit in Paramaribo avondjes voor vrienden verzorgde, is uitgegroeid tot hét gezicht van de Nederlandse stand-up comedy. Jörgen Raymann zet zijn publiek al swingend op het verkeerde been. «Het is goed dat we het politiek correcte denken doorbreken. Maar het is nu tijd voor balans.»

ROTTERDAM. Terwijl de dj vanachter zijn draaitafel in de hoek dreunende rap draait, druppelt de theaterbar van het Rotterdamse Nighttown langzaam vol. Het raakt stampvol, met Chinezen, Marokkanen, Turken, Surinamers, Antillianen, een handjevol blanken en alle mogelijke producten van ge meng de huwelijken. Het publiek dat voor de wekelijkse televisieopnames van de show Raymann is laat komt, vormt etnisch gezien een redelijke afspiegeling van het Nederlandse volk. Met de integratie die dit jaar politiek zo onder vuur is komen te liggen, zit het hier wel goed. Samen schateren om elkaars spiegelbeeld is de bindende factor van de avond.

Als Jörgen Raymann even later in krijtstreeppak via de catwalk langs het publiek het podium op komt swingen, zet iedereen het op een keihard joelen.

Op de voorste rijen samengeklit zitten beeldschone zwarte, bruine en lichtbruine meisjes die vanonder hun zware mascarawimpers vol aanbidding naar hun held kijken. Hij hoeft ze maar even recht in de ogen te kijken, of ze schenken hem de meest sexy glimlach die ze in huis hebben. Raymann flirt met zijn publiek. Adrem als hij is, spreekt hij soms iemand direct ergens op aan. Veel vaker knipoogt hij met zijn fluwelen poppenogen verleidelijk naar een van zijn smachtende fans.

Het programma verloopt volgens een vast patroon, dat een dag later «live» wordt uitgezonden op NPS, meteen na Nova. Raymann maakt de zaal los met wat grappen en woordspelletjes naar aanleiding van de actualiteit van de afgelopen week. Daarna stelt hij een paar gerichte vragen aan de eerste gast, de Turkse voetballer Mohammed Allah, over hoe hij de ramadan heeft beleefd tijdens de trainingen bij FC Dordrecht. Er is een optreden van een buitenlandse stand-up comedian, dit keer een kleine, compact gebouwde, half kale Japanner die zijn sketch begint met de woorden: «Ik dacht dat ik in Nederland was, maar toen ik op de Cool singel wandelde dacht ik: waar zijn alle blanken toch gebleven?» Hij imiteert een zwarte gangster rapper door continu in zijn kruis te grijpen en ritmisch met zijn armen door de lucht te maaien. Als hij een mop tapt over joodse krenterigheid buldert de zaal. Onmiddellijk haalt hij uit naar een Marokkaan op de derde rij: «Dat vind je wel een goeie hè? Ja, jíj lacht natuurlijk van iedereen het allerhardst!»

Raymann gaat even naar achteren om zich te verkleden en komt terug als het typetje tante Es: een dikke Surinaamse roddelzuchtige en behaagzieke dame gekleed in traditionele Afrikaanse kleding. Zij interviewt een bekende Nederlander. Met haar gebabbel weet ze te ontwapenen. Deze week is advocaat Abraham Moszkowicz aan de beurt. Het wordt een merkwaardig gesprek met de geslepen Limburgse joodse strafpleiter die een goede relatie met Desi Bouterse onderhoudt, maar geen krimp geeft als tante Es al haar charmes in de strijd gooit om hem daarover uit te horen. «Bram» vertelt met zacht Limburgs accent dat zijn gezin een baken van rust voor hem is en meldt trots dat zijn echtgenote een toegewijde huisvrouw is. Ondertussen laat hij ongegeneerd merken dat hij zijn ogen niet kan afhouden van een Chinees-creools meisje dat op enkele centimeters afstand van hem in de zaal naar hem zit te glimlachen.

Zoals bij al zijn theateroptredens is het hele programma doortrokken van raciale vooroordelen. Clichés vormen de bron van ongezouten humor. Raymann, die met zijn losse optreden en soepele, directe grappen de kloof tussen verschillende culturen overbrugt, doet in feite precies wat voormalig staatssecretaris Rick van der Ploeg beoogde met zijn ideeën over cultuurbeleid als verheffing van minderheidsgroeperingen. Binnen de formule van de show krijgt onbekend talent alle kans om voor een breed publiek naar buiten te treden. Vaak zijn het buitenlandse (zwarte) gasten, die ondanks de Engelse taal en het Angelsaksisch referentiekader van hun humor probleemloos worden begrepen door de zaal, wat aangeeft hoe global de cultuur in Nederland is geworden. Daarnaast wordt talent uit eigen land aangeboord. Zoals Javier Guzman, die ooit bij Raymann optrad en nu als cabaretier zijn opmars maakt. Hij heeft sinds enkele weken een eigen tv-programma, de 100% Ab-show, waarin hij als het prototype van een iets te handige Marokkaan (Ab staat voor «aangepast burger») met botte practical jokes probeert door het laagje vernis van politieke correctheid heen te prikken.

Maar politieke bedoelingen heeft Raymann allerminst, zo blijkt een dag later in zijn kantoor met uitzicht over de machtige Rotterdamse havens. Hijskranen die containers op schepen laden draaien in het licht van een kolossale ondergaande zon vlak langs zijn raam. De redactie bestaat als volkomen vanzelfsprekend voor meer dan de helft uit allochtonen. Ze werken onverstoorbaar door terwijl Raymann zich in een hoek van de ruimte laat interviewen.

«Welnee», zegt hij met opvallend minder Surinaamse tongval dan tijdens zijn optredens, «ik heb geen zendingsdrang, geen echte boodschap. Humor kan tegenstellingen overbruggen. Stand-up comedy beschouw ik als de guerrillavorm van cabaret. Het is hard, snel en genadeloos. In een half uur knallen er in hoog tempo zoveel mogelijk grappen door de zaal. Ik houd ervan om een vooroordeel uit te vergroten, maar terwijl de mensen lachen hoop ik dat ze ook kritisch nadenken over waarom ze iets eigenlijk zo grappig vinden. Ik probeer het denken in zij en wij op te heffen, juist door het te benoemen.»

«Op het podium kom ik tot leven. Ik houd ervan om mensen te entertainen. Ik kan eenvoudigweg niet anders. Ik ben een echte workaholic. Als ik even stilzit, heb ik al het gevoel dat ik de boel zit te belazeren. Dat zullen wel de genen zijn van een van mijn Duitse voorvaders.»

De 38-jarige Raymann is een typisch Surinaamse mix van etniciteit, een moksi. Dat komt tot uiting in creools haar — dat weliswaar kortgeknipt nog nauwelijks kroes vertoont — een joodse neus, hindoestaanse ogen, een lichtbruine huid en, zoals hij zelf zegt, een blank werk ethos.

«Ik heb indiaans, joods, Duits, Nederlands en hindoestaans bloed. Ik kan moeilijk zeggen wat ik het meeste ben. Ik ben geboren in de Vondelstraat in Amsterdam, maar opgegroeid in Paramaribo. In Suriname doen we niet moeilijk over onze afkomst, omdat we allemaal één grote mix zijn. We kunnen eindeloos bezig zijn met te benoemen wat er allemaal voor invloeden door de aderen stromen. Er worden continu grappen over gemaakt, maar het gaat niet gepaard met haat tegenover elkaar. Ik ben kleurenblind opgevoed. Denken in rassen ongelijkheid is mij volkomen vreemd. Ik zie hoogstens sociale verschillen en aardige of vervelende mensen. In Nederland wordt altijd heel omzichtig geïnformeerd naar afkomst, uit angst dat het discriminerend overkomt. Nederlanders willen zo ontzettend graag integreren. Gaan ze op zwarte muziek dansen, maar het ziet er gewoon niet uit.»

Het taboe over discriminatie valt bij zijn shows geheel weg, omdat het onderwerp is van álles. «We hebben een multicultureel publiek, omdat we in de meest multiculturele stad van Nederland zitten: Rotterdam. Daar komt bij dat iedereen zich kennelijk met de sfeer en de inhoud kan vereenzelvigen.»

Dat is volgens hem de essentie waarom je een bepaald publiek trekt. Iedereen krijgt de zaal die hij verdient. Youp van ’t Hek neemt de populatie van zijn eigen Gooise achtergrond op de hak en zijn zaal zit vol met mensen uit zijn eigen sociale klasse. Ze lachen uiteindelijk om zichzelf. Net als bij Raymann: hij spreekt een groep aan die zichzelf voorheen niet gereflecteerd zag op de planken van de serieuze theaters van de lach.

Het succes merkt hij, behalve aan de kijkcijfers van de uitzending op tv, direct aan de kassa van Nighttown. «Bij ons worden niet zoals bij andere programma’s de spreekwoordelijke busladingen uit Appelscha gecharterd. Je kan gewoon een kaartje kopen bij de kassa. Binnen een uur is het uitverkocht. Vroeger waren de Surinamers in de minderheid omdat ze altijd overal veel te laat komen. Nu hebben ze door dat ze er op tijd bij moeten zijn.» Hij lacht uit volle borst.

Toen Raymann in 1998 doorbrak met zijn theatershow Mi Kondre Tru (over Surinamers en Suriname), later opgevolgd door een eigen tv-show The Comedy Factory, was zijn genre voor Nederland nieuw. Meteen was duidelijk dat hij een snaar raakte, ook al was het maken van allochtonengrappen toen nog not done.

«Nee, ik ben niet de eerste in Nederland die rassenverschillen tot thema van comedy maakt. Je had vroeger bijvoorbeeld Max Tailleur die confronteerde door middel van het uitvergroten van de jood. Zijn moppenboekjes las ik vroeger allemaal op de wc, en ik lach dan dubbel. Ik merk dat het voor mij als moksi makkelijker ligt om grappen te maken over verschillende minderheidsgroeperingen. Het moet natuurlijk niet kwetsend zijn. Het kan weleens gebeuren dat je een verkeerde inschatting maakt. Grappen over Surinamers en cocaïne gingen bijvoorbeeld velen te ver. Dat doe ik niet meer.

Het beeld dat ik van Nederlanders neerzet komt een beetje neer op chauvinistisch, calvinistisch en nuchter. Ze hebben veel zelfspot. Dat valt me helemaal niet tegen. Waar ik doorheen breek is de eeuwige Nederlandse politieke correctheid, die trouwens achteraf vals is gebleken. Er is dit jaar heel wat naar buiten gekomen dat wel onder de mensen leefde maar ongezegd bleef.

Op zich ben ik niet geschrokken van Pim Fortuyn. Het werd de hoogste tijd dat het een keer gebeurde. Pim deed gewoon de deur open. Ik heb nooit geloofd dat hij een racist is, maar ik ben wel geschokt over wat in zijn kielzog aan extreem rechtse geluiden meegesleurd werd. Die eikels dachten opeens: hé, we kunnen eindelijk onze gang gaan.

We zijn inmiddels op een punt gekomen dat we hardop durven te benoemen wat we klote aan elkaar vinden. Maar laten we er nu voor zorgen dat we het niet voor elkaar klote gaan maken. Waar ik bijvoorbeeld altijd een enorme hekel aan heb gehad is het woord ‹tolerantie›. Hoezo word ik getolereerd? Mag ik hier soms zijn met de nodige mitsen en maren? Het is heel goed dat we de discussie nu voeren, en dat we door al die brave woordjes heen prikken. En er is echt heel veel scheef gegroeid. Als je hier komt moet je je aanpassen, de taal leren en je plichten nakomen. Dat is niet meer dan eerlijk. Het wordt allemaal duidelijk gezegd, maar het moet wel weer in balans komen. Dat gaat straks belangrijk worden.»

Als vrolijke grappige zwarte jongen krijgt Raymann alle lof en respect, maar als hij een serieus programma neerzet krijgt hij harde kritiek over zich heen. In zijn theatershow Slaaf of niet verslaafd (die niet op tv verschijnt) schetst hij de geschiedenis van de slavernij aan de hand van een fictieve reis op een VOC-schip in 1602 met bestemming Paramaribo. De recensenten kraakten het stuk tot de grond toe af. Dat kwetst hem zeer. «Het gaat over de geschiedenis van Suriname. Ik heb me verdiept in de achtergronden van de slavernij, ook als ambassadeur van het slavenmonument in Amsterdam. Het is een gruwelijk verhaal, maar het past niet bij het glorierijke verleden van de Nederlandse handel. Met Suriname gaat het slecht. Nepotisme en corruptie leggen alles lam. Dat houdt mij bezig. Mijn eigen familieachtergrond voert terug naar dit stuk verleden. De minachting voor mensen van een ander ras, het is shockerend.»

Toen Raymann nog een baby was verhuisden zijn ouders van Amsterdam naar Suriname. Hij genoot onder de tropenzon een onbezorgde jeugd in een liefdevolle familie van de gegoede klasse. Maar na de «revolutie» van Desi Bouterse in 1980 zette de sociale neergang in. Zijn vader zag door het wegtrekken van kapitaalkrachtige en succesvolle Surinamers zijn tot dan toe bloeiende accountant bureau inzakken. Het royale inkomen viel weg en door alle spanningen kreeg hij een hersenbloeding. In 1989 verhuisde het gezin naar Nederland. Zijn vader krabbelde enigszins op, maar overleed uiteindelijk aan kanker.

«Een harde leerschool. Mijn vader, mijn held, was een lichamelijk en geestelijk wrak geworden. In Paramaribo had mijn moeder het gezin in haar eentje moeten onderhouden. In de avonduren verdiende ik geld in een disco. Je wordt opeens snel volwassen.

Toen ik naar Nederland kwam keek ik huizenhoog op tegen de blonde, blanke reuzen. De Nederlandse samenleving leerde ik pas kennen als student economie aan de Erasmusuniversiteit. Het idee was om de zaak van mijn vader over te nemen en nieuw leven in te blazen. Bovendien was ik op school altijd goed geweest in boekhouden, en de vakken economie 1 en 2. Maar studeren bleek niks voor mij te zijn. Urenlang met je neus in de boeken, nee hoor. Nog even heb ik rechten geprobeerd, maar dat was ook niks. Ik stond met lege handen en er brak een moeilijke periode aan. Ik zie nog mijn oom met gekwelde blik naar me kijken. Ik heb echt op de grens gezeten. Elke avond uitgaan, blowen, snuiven en van het ene naar het andere baantje. Ik liet het leven op me af komen. Mijn bestaan nam een andere wending toen ik via een tante een restaurant kon overnemen in Paramaribo. Na afloop van het werk deed ik mijn short af, schoof ik de stoelen aan de kant en begon ik de boel te entertainen. Het liep als een trein. Elke avond stond het voor de deur bomvol met auto’s. Het talent om mensen te vermaken had ik ontdekt op mijn vierde. Het werd de basis van mijn artistieke carrière.

Ik heb veel pijn en verdriet gekend. Mijn zusje overleed op 23-jarige leeftijd aan een hartaanval. Dat was heel heftig. Maar je leert er wel van relativeren. Je kunt je eigen lot niet bepalen. Wel kun je richting geven aan je leven door in jezelf te geloven. Als je niet in jezelf gelooft, wie moet dat dan wel doen? Ik heb mezelf uit de ellende getrokken omdat het tot me doordrong dat ik niet wilde dat mijn moeder nóg meer zorgen aan haar hoofd zou krijgen. Ik geloof ook in een god die mij beschermt. Dat is onderdeel van mijn kracht. Daarnaast heb ik mijn vrouw en twee dochters. Mijn gezin geeft zekerheid en veiligheid. En natuurlijk mijn moeder. Zij doet álles voor ons. Ze kookt, geeft advies in mijn werk, ze kleedt me. De moeder is de bron van het bestaan. Ze woont bij ons in de buurt, in Almere.»

Raymann kreeg succes door te ontdekken waar hij goed in is. Een rolmodel voor andere nieuwkomers die hun weg moeten vinden in een onbekende samenleving wil hij niet zijn. «Dat moet iedereen voor zichzelf uitzoeken.»