Haar man drong er al weken op aan; ze moest vertrekken, elke dag kon de laatste dag zijn dat er nog treinen reden vanuit Oost-Oekraïne. En dan zou ze vastzitten. De Russen kwamen dichterbij, ze hoorde in de verte de bommen inslaan, dagelijks ging het luchtalarm af. Maar ze stelde het steeds uit. Zelf denkt Kristina Cherepovska (31) dat het luiheid was. ‘Ik kon niet beslissen wat ik in deze koffer zou stoppen’, zegt ze terwijl ze vanuit een stoel op de zolderkamer bij haar hospita in Den Bosch op een kleine zwarte koffer naast haar slaat. Ze wist hoe gevaarlijk het was. Elke avond zat ze in de hal van haar flat. Ze kende de regel: altijd twee muren tussen jezelf en buiten, als de buitenmuur door het geweld naar binnenslaat, kan de tweede muur je wellicht beschermen. ‘Als de bom van boven komt, heb je daar natuurlijk niets aan.’

Overdag bleef ze gewoon naar haar werk gaan. Ze gaf Engels aan leerlingen van zes tot zeventien jaar. Ze stond zoals altijd om zes uur op, ging naar de sportschool om de hoek, dan ontbijten en naar haar school die aan de overkant van de straat lag. Boodschappen deed ze in de kleine winkels in de buurt. Dat was haar leven. Ze had een goed leven, zegt ze. ‘Gewoon, kalm en rustig.’ Als ze ’s middags om een uur of vier thuiskwam, keek ze vaak nog proefwerken na en bereidde lessen voor. ’s Avonds keek ze naar series, Russische, daar hield ze van, die waren realistisch, maar ze was ook fan van Harry Potter, Game of Thrones, en Sherlock Holmes. ‘Dan was de dag voorbij’, zegt ze.

Aan koken besteedde ze niet veel tijd. Ze woonde alleen, met haar kat Boris. Haar man Stanislav, met wie ze een paar jaar eerder was getrouwd, werkte in Polen, vlak bij Gdansk, in een houtverwerkingsfabriek. In de zomer was hij drie maanden thuis, dan probeerde ze wel echte maaltijden te bereiden, zoals borscht, pannenkoeken met aardappel en ui, varenyky – Oekraïense dumplings. ‘Een gewoon leven’, herhaalt ze, ‘niets bijzonders.’

Haar man kent ze al vanaf haar zeventiende. Ze ontmoette hem online bij het spelen van Counter-Strike. ‘Ik was altijd een beetje een nerd’, vertelt ze. ‘Ik las, leerde ijverig en was niet erg sociaal.’ Maar gamen vond ze leuk. Een half jaar lang hebben ze gechat, daarna besloot ze dat het tijd was hem in het echt te ontmoeten. Zij woonde destijds nog bij haar moeder in Horlivka, een stad in de provincie Donetsk, waar ze was geboren. Daar ging ze ook Engels, Duits en literatuur aan de universiteit studeren. ‘Ik was een bijna excellente studente’, zegt ze. Maar tijdens haar laatste studiejaar, in april 2014 vielen de Russen binnen.

‘Ik hoorde tijdens de gevechten wel de bommen, maar het was minder erg dan nu, we hadden ook nog elektriciteit en gas’, zegt ze achteraf. Voor haar laatste studiejaar moest ze de colleges online volgen. Horlivka kwam onder controle van de pro-Russische separatisten en ze besloot na haar studie te verhuizen naar Slovjansk, een stad die door het leger van Oekraïne was heroverd. Ze trok in bij een vriendin en vond de baan op school waar ze tot voor kort nog werkte. ‘Ik werd elk jaar beter in mijn werk, ontwikkelde mezelf, kreeg meer kwalificaties en meer respect.’ Aan het aantal cadeaus dat ze op feestdagen van ouders en kinderen kreeg – een Oekraïense gewoonte om dan bloemen, chocolade, souvenirs te geven – zag Kristina dat ze de populairste docent was. ‘Het plan was dat dat zo door zou gaan.’

Samen met Stanislav vond ze een huurflat tegenover de school, maar na twee jaar samenwonen vertrok hij naar Polen. Ze was zelf met dit ‘briljante idee’, zoals ze het noemt, gekomen. In Polen is het salaris hoger dan in Oekraïne. Als hij na een paar jaar genoeg geld zou hebben om een eigen flat te kopen, zouden ze hun leven samen opbouwen, dan ook pas wilden ze denken aan kinderen. ‘Toen begon mijn leven alleen’, zegt ze. ‘Ik ben introvert, het kostte me veel energie om de hele dag voor de klas te staan, te praten met collega’s. Ik vond het heerlijk om thuis te komen en rust te hebben.’

Af en toe ging ze op reis, zo goedkoop mogelijk met de bus, waarin ze ook sliep. Het ging haar niet om hotels en restaurants, ze wilde zien hoe andere mensen leefden. Zo reisde ze naar Italië, Hongarije, Duitsland, en één keer naar Amsterdam. Ze werd verliefd op die stad en droomde ervan terug te komen – dit zou jaren later de keuze bepalen die ze op een koude ochtend in de stationshal van Krakau maakte.

Kristina was tevreden met haar leven, en misschien was dat wel de reden dat ze haar vertrek uit haar flat in Slovjansk elke dag uitstelde. Maar het werd steeds gevaarlijker en moeilijker. Elke dag ging het alarm, drie of vier keer per week werd de stad getroffen, vaak gewone flats, geen militaire doelen, de volgende kon de hare zijn. De prijzen voor voedsel waren al vanaf de tweede dag omhooggeschoten, mensen waren gaan hamsteren, wat over was in de winkels waren de restjes.

Op een ochtend, het was zaterdag 19 maart, ruim drie weken na de inval, sprong ze uit bed – ze had de avond ervoor weer in de hal van haar flat gezeten, trillend door het geluid van de bommen, ze had geprobeerd iets te eten, ‘het was al een beetje zwart’ – ze pakte haar koffer, stopte er wat warme kleren in, haar telefoon, fotocamera en föhn, ze zette haar kat in de rugzak van haar man, pakte haar dikke beige jas en vertrok naar het treinstation.

Eerst reisde ze naar Kramatorsk, de stad waarvandaan de treinen naar het westen van het land vertrokken. Daar op het perron stond het boordevol; ouderen, kinderen, jongeren, tussen hen in koffers, tassen, rugzakken, honden en katten. Ze zat uiteindelijk ingeklemd tussen twee anderen op het onderste bed in een slaapwagon. Het was een angstige reis, ’s nachts was er geen licht, soms stopte de trein of reed die heel langzaam, dan hoorde ze de bommen. Toen ze na 27 uur in Lviv uit de trein stapte, was ze opgelucht. Vandaaruit reisde ze verder naar Krakau waar ze haar man zou ontmoeten. Het plan was dat ze met hem mee zou gaan en ook een baan in een fabriek zou zoeken.

Zo stond Kristina op maandagochtend 21 maart, samen met haar man, in een overvolle hal van het treinstation van Krakau. Terwijl ze zich tussen alle vluchtelingen door manoeuvreerden naar het loket om een ticket naar Gdansk te kopen, zag ze opeens mensen in fluorescerend oranje vestjes die een A4’tje ophielden met daarop in het Oekraïens: ‘Laten we naar Holland gaan’. Ze vroeg hoe het werkte. Toen ze hoorde dat ze diezelfde middag mee kon met een bus van een vrijwilligersorganisatie en dat ze zou worden ondergebracht bij een gastgezin, twijfelde ze geen seconde. Haar man was verbaasd, maar hij vond dat ze moest doen wat ze wilde. Mocht het niets zijn, zo bespraken ze, dan kon ze altijd nog naar Polen komen. ‘We zijn onafhankelijk’, zegt Kristina. ‘We laten elkaar vrij.’ Ze namen afscheid en Kristina registreerde zich. Ze herinnert zich er niet veel meer van, het was zo druk, zoveel indrukken, en ze was zo moe.

Al snel nadat de Russen Oekraïne waren binnengevallen, besloot Annemarie Berkhout (45) iets te doen; ze gaf zich op als gastgezin. Ze woonde met haar toen vierjarige dochtertje Charlotte in een ‘best groot huis’ in Den Bosch. Op zolder kon makkelijk iemand wonen. Toen ze op haar 37ste alleenstaand was, bedacht ze: als ik een kind wil, moet ik nu iets doen. Ze vond een donor en voedt sindsdien haar dochter alleen op. Eerst had ze daarom gehoopt op een moeder met kind, dat had ze ook opgegeven, maar na een tijdje was ze gaan twijfelen. ‘Ik voorzag opeens moeilijkheden’, zegt ze aan de keukentafel waarop ze net drie laptops die ze gebruikt voor haar werk als software controller opzij heeft geschoven. ‘Stel dat de vader vecht in de oorlog? Of dat het kindje is getraumatiseerd, hoe zal dat voor Charlotte zijn? Zadel ik haar niet met iets op?’

Op een maandagmiddag, twee dagen nadat Kristina de deur van haar flat in Slovjansk achter zich dicht trok, kreeg Annemarie een telefoontje vanuit Krakau. Of ze een jonge vrouw met een kat in huis wilde nemen. Ze moest haar de volgende ochtend in een café in Nijmegen ophalen. Annemarie was opgewonden. Ze liep naar zolder, ruimde nog wat op, schermde een hoek af met een kast en een gordijn, legde een matras op de grond, zette er een tafeltje met twee stoelen bij, een kledingrek en reed daarna naar de Action om een tandenborstel, tandpasta, deodorant, maandverband en tampons te kopen. ‘De eerste behoefte’, dacht ze. ‘Als ze dat maar heeft.’

Om Kristina heen lagen de meeste mensen in de bus te slapen, kinderen tegen hun moeders aangeleund. Kristina sliep niet veel, ze keek naar buiten, naar de donkere nacht, de lichten die voorbijschoten. Ze reden dwars door Polen, daarna Duitsland. Haar kat Boris had ze op schoot genomen. Toen het licht werd passeerden ze de Nederlandse grens. Ze waren nu vlak bij Nijmegen, ze begon op haar mobiel de stad te googelen, het leek haar mooi. Ze hield van steden die niet te groot en niet te klein waren. Dat was Slovjansk ook, een middelgrote stad. Nadat ze op een plein de bus uit waren gestapt, liep ze met de groep een café binnen. Op tafels lagen briefjes met daarop de namen van de gastgezinnen en de aan hen gekoppelde vluchteling. Kristina keek rond. Mensen begonnen onwennig via een vertaalapp met elkaar te praten.

Annemarie had eerst nog even moeten werken, maar zat nu in de auto op weg naar Nijmegen. Een paar vrienden had ze verteld over haar plan, anderen zouden het wel horen als het zo ver was. Toen ze het café binnenliep, zag ze de eerste gastgezinnen al met hun Oekraïense vluchtelingen vertrekken, grote koffers werden naar buiten gesleept. Annemarie keek zoekend om zich heen. ‘Het was zo emotioneel’, zegt ze aan de keukentafel. ‘Ik voelde in die ruimte blijdschap en verdriet tegelijk. Oorlog is een abstract begrip, maar sinds ik Charlotte heb, ben ik weker, ik stelde me voor dat ik met haar op zo’n station zou staan.’

Kristina Cherepovska thuis bij Annemarie Berkhout en haar dochtertje Charlotte in Den Bosch

‘Ik dacht: ze is teleurgesteld dat ik niet ook een kind heb’, zegt Kristina die nu naast Annemarie aan de keukentafel zit. ‘Ik was gechoqueerd door de hele situatie. Ik kende niemand. Ik dacht: ze vindt me niet leuk.’

‘Ik wilde niet huilen en dan kan ik heel serieus kijken’, zegt Annemarie. Ze wonen nu negen maanden samen en zijn ondertussen gewend dingen uit te spreken. ‘Vaak vraagt Kristina aan mij of ik boos ben.’

‘Ik probeer niet tot last te zijn.’

Op het station van Krakau stonden mensen in oranje vestjes met een A4’tje met daarop in het Oekraïens: ‘Laten we naar Holland gaan’

‘We hebben geluk dat het klikt’, zegt Annemarie. ‘Ik vind het heel fijn een andere volwassene in huis te hebben. Het maakt mijn leven eenvoudiger. En Charlotte is dol op Kristina. Ze is onderdeel geworden van ons gezin.’

‘We zijn een goede match’, beaamt Kristina. ‘Annemarie heeft veel gevoel voor humor. En we houden beiden van Jane Austen en Harry Potter.’

‘We doen ook dingen voor elkaar’, zegt Annemarie. ‘Ik kan weer op donderdag zingen, dan eet Kristina met Charlotte en brengt haar naar bed.’

‘En Annemarie geeft mijn kat te eten, toen zijn oog ontstoken was, gaf ze hem vijf keer per dag oogdruppels.’

‘Onze katten kunnen het redelijk met elkaar vinden, maar Boris slaapt altijd bij Kristina op bed. En Puk bij mij.’

‘Ik ben gezegend. Dit is voor mij echt een thuisgevoel.’ Kristina is blij dat ze niet zoals veel van haar landgenoten in een groot opvangcentrum terecht is gekomen. ‘Die mensen krijgen alles, eten, activiteiten, Nederlandse les, maar ik zou het veel te druk vinden.’ Ze is ook blij dat ze in Den Bosch terecht is gekomen.

‘Klein genoeg’, zegt Annemarie.

‘En groot genoeg’, zegt Kristina. ‘Ik ben nog maar twee keer naar Amsterdam geweest, terwijl dat altijd mijn droomstad was. Waarom zou ik? Den Bosch is zo mooi, een perfecte mix tussen historische gebouwen en modern.’

Ze delen een huis, maar leiden ieder hun leven. Het komt zelden voor dat ze zoals nu samen aan tafel zitten. ‘Ik eet graag alleen op mijn kamer’, zegt Kristina.

‘En dat is prima’, zegt Annemarie. Door het openstellen van haar huis, heeft Annemarie ook iets van zichzelf gezien. ‘Het heeft me bevestigd dat ik lief ben, en rijk. Misschien niet voor de Nederlandse standaard, maar wel in vergelijking met mensen in Oekraïne. Het heeft me geleerd het leven klein te houden, oorlogen en klimaatverandering kan ik niet oplossen, maar voor één persoon kan ik een verschil maken. Kristina is geen zielige vluchteling, ze is een gewone volwassen vrouw. Ik help haar uit de nood.’

De eerste maanden had Kristina het moeilijk. Dat zag Annemarie ook. Ze kwam nauwelijks van haar zolder af. ‘Ik lag de hele dag op bed’, beaamt Kristina. ‘Als een plant. Ik voelde me vreemd, ellendig, begreep de taal niet.’ Ze leefde dagelijks met slecht nieuws uit Oekraïne. Haar school werd drie keer getroffen. ‘Er is niets meer van over’, zegt ze. Ook haar flat werd twee keer gebombardeerd, ze kreeg een foto van haar geruïneerde woning opgestuurd; de ramen gesprongen, de sponningen vervormd. Later hoorde ze hoe stropers al haar spullen hadden meegenomen. Ook gaf ze toen nog online les aan haar leerlingen. ‘Er was niets aan mijn leven veranderd, behalve dat ik veilig was.’

‘ Nummer 21!’ roept Kristina vanaf de balie, ze heeft geleerd om in het Nederlands tot honderd te tellen, en kijkt om zich heen. Ze pakt een dienblad vol McFlurry’s en loopt met kaarsrechte rug en een glimlach naar een tafel achterin. Op de terugweg leegt ze een paar achtergelaten bladen met afval in de prullenbak. ‘Ik ben het gezicht van McDonald’s’, zegt ze half ironisch en half trots.

In juni besloot ze iets te doen. ‘Ik dacht: dit is suf, ik werk voor mijn Oekraïense salaris van driehonderd euro per maand, het is zwaar en in Nederland kan ik daar weinig mee.’ Ze ging solliciteren bij McDonald’s in Rosmalen; het bedrijf had actief geworven bij twee grote opvangcentra. Nu verdient ze achttienhonderd euro per maand, betaalt haar hostess driehonderd huur en ze stuurt geld naar haar moeder in Oekraïne. ‘Van intellectueel werk in Oekraïne, doe ik nu dit, maar ik begin te zien hoe fijn dit is. Ik heb aardige collega’s, elke dag hebben we lol. Hierdoor ben ik onderdeel van de Nederlandse cultuur. Het werk is helend, ik voel me weer een vrouw, een vriendin, ik kan lachen. Het is zo’n vriendschappelijke omgeving. Ik heb geen tijd meer voor slechte gedachten in mijn hoofd.’

Voorafgaand aan haar dienst zit Kristina in de kleine kleedruimte van McDonald’s op een stoel, twee Oekraïense collega’s uit Cherson, ‘mijn vriendinnen’, staan aan weerszijden en vlechten haar haar. Ze praten samen in het Russisch, Kristina sprak altijd Russisch, Oekraïens sprak ze op school met de kinderen. Ze vierde alle Oekraïense feestdagen, dan trok ze haar traditionele kleren aan, de vyshyvanka, met ornamenten uit haar regio, maar Russisch is de taal van haar familie. ‘Onze stad ligt tweehonderd kilometer van de Russische grens. Ik ben er nooit geweest, het is een ander land. Het maakte me niet uit, niemand maakte het wat uit. We hadden er geen vijandig gevoel bij.’

Eén vriendin wordt door de manager aan het werk gezet, de ander neemt het vlechten alleen over. ‘Ouderen hadden goede herinneringen aan de sovjettijd’, gaat Kristina verder. ‘Ze hadden het idee dat het beter was bij het grote Rusland te horen.’ Maar door de Russische inval is dat sentiment radicaal omgeslagen. ‘Zelfs mijn grootmoeder, die heel sovjetgezind was, wil nu niets meer met Rusland te maken hebben. Poetin heeft Oekraïne verenigd.’

Haar vriendin knikt instemmend en legt de laatste hand aan de tweede vlecht. Samen lopen ze het restaurant binnen. Van de 161 mensen die bij deze vestiging van McDonald’s Nederland werken, zijn er 42 Oekraïens. Veel van haar Oekraïense collega’s werken in de keuken, maar Kristina wilde in de bediening. Nu loopt ze de hele avond heen en weer met dienbladen vol Big Mac’s, frietjes en milkshakes. ‘Ik spreek van alle Oekraïners hier het beste Nederlands’, zegt Kristina en somt de vragen van klanten op: ‘Het papier is op in de machine; hebben jullie rietjes; ik bestelde frietsaus maar heb mayonaise; kun je de tafel schoonmaken?’ Soms antwoordt ze in het Engels, maar ze probeert het eerst in het Nederlands. ‘Mijn collega’s helpen me, ze lachen niet om me als ik iets probeer. Ze vrolijken me op.’

Door haar werk is ze zelfverzekerder geworden. Haar managers maken haar gelukkig, zegt ze. Ze prijzen haar, dat kent ze niet. ‘In Oekraïne krijg je alleen iets te horen als je het niet goed doet. Als ik hier een fout maak, zeggen ze dat het niet erg is, dat je moet leren. Het is echt een boost voor mijn zelfvertrouwen. Ik voel me geen ongelukkige vluchteling meer. Ik voel me weer een mens.’

Twee keer per week, op haar vrije dagen, belt ze met haar moeder, die nog steeds in Horlivka woont, net als haar grootmoeder. ‘Ik heb vaak tegen haar gezegd dat ze hier moest komen’, zegt Kristina. ‘Soms heeft ze geen elektriciteit, soms geen eten. Ze klaagt, maar ze wil niet weg, ze wil daar sterven.’

‘Nummer 41!’ roept Kristina vanaf de balie. Ze voelt zich nu niet meer zo alleen. ‘Elke dag kom ik hier in een perfecte stemming vandaan’, zegt ze. ‘Bijna euforisch.’ Oekraïne zit in haar hart. ‘Het is mijn jeugd, mijn vrienden, de beste momenten van mijn leven.’ Soms denkt ze aan de mogelijkheid hier een leven op te bouwen, dat ook haar man hier mag komen. Maar alles is onzeker. ‘Ik heb het niet meer zelf in de hand. Ik ben alles kwijt, heb nog twee armen en benen, mezelf en mijn kat. Ik eet, werk en slaap. Ik zit opgesloten in deze cirkel. Het is comfortabel en veilig.’ Even zwijgt ze. ‘Misschien is dit wel geluk.’