Opheffer

Ik probeer te nuanceren

Ik voorspel binnen nu en vijf jaar rassenrellen in Amsterdam. Burgers tegen Marokkanen. Vraag: zijn dat eigenlijk wel rassenrellen? Ik geloof het niet. Juist doordat de Amsterdammer er steeds meer achterkomt dat zijn agressie jegens Marokkanen niets met ras en discriminatie te maken heeft, raakt hij gemotiveerd om de honkbalknuppel ter hand te nemen. Juist doordat de Amsterdammer kan zeggen: ik discrimineer niet, want ik heb geen hekel aan Turken, Surinamers, Chinezen, maar alleen aan die klote-Marokkanen die de boel onveilig maken, durft hij de wapens op te pakken.

Dit alles wordt gevoed door dom me imams die hun ware ge zicht laten zien. (Dus moet je juist die imams laten praten en ze niet achtervolgen met justitie. Dat is zo dom. Het is ook zo tegen onze cultuur van vrijheid van meningsuiting. Het verbaast mij niet dat een voetbalscheidsrechter de juut heeft ingeschakeld om die imam te laten veroordelen. Bah!) Discriminatie en generalisatie zijn soms slimme hulpmiddelen om ons te beschermen tegen vijanden. Discriminatie is dus niet in alle gevallen slecht. In de Tweede Wereldoorlog was het misschien politiek correcter ge weest om te zeggen: zie je die Duitser? Die is goed. Maar zie je die? Die is slecht. Slimmer was het — je redde er je leven mee — om alle Duitsers te wantrouwen.

Alle vormen van geloof gaan uit van discriminatie en generalisatie. Anders kun je geen geloof hebben. Het prettige van discriminatie en generalisatie is dat je zeker weet dat ergens in de tijd discriminatie en generalisatie zichzelf opheffen. Het heeft geen zin om alle Duitsers nu te wantrouwen. Integendeel. De Amsterdammer heeft op het ogenblik een generalisatie ontworpen betreffende Marokkanen: alle Marokkaanse jongeren zijn crimineel. Is dit fout? Ik geloof van niet. Ik ben zelf twee keer beroofd en merk dat deze generalisatie mij beschermt en rust geeft. Zie ik ergens Marokkaanse jongeren, dan mijd ik ze. Natuurlijk is mijn opvatting volstrekt particulier en hang ik haar niet aan de grote klok — behalve nu dan. Ik hoop dat mijn innerlijke beschaving en de beschaving die ik heb aangeleerd, mij weerhouden van een vorm van fascisme, maar ook ik moet toegeven — vooral nadat ik voor de tweede keer was be roofd — dat ik graag een loden pijp had gehad om mijn overvaller mee op zijn kop te slaan.

Ik zal nooit in het openbaar laten merken dat ik bang ben voor Marokkaanse jongeren. Ik mijd discussies hierover. Ik zal proberen te nuanceren. («Niet alle Marokkaanse jongeren zijn zo, hoor.») Verder probeer ik mijn eigen generalisatie steeds te toetsen. Waaraan? Aan de berichtgeving in de krant, door te kijken, door na te denken, door erover te publiceren, door ernaar te vragen et cetera. Tevens besef ik dat mijn discriminerend gedrag mijzelf teleurstelt. Blijkbaar ben ik te dom om mijn angst weg te rationaliseren; ik houd mij vast aan de gedachte dat ooit mijn discriminerende en generaliserende gedrag «niet waar» zal blijken te zijn.

Waar loop ik stuk? Op de gedachte aan wraak. Nu ben ik te laf om wraak te organiseren. Ik weet dat ik wraak niet moet entameren, terwijl ik daar wel zin in heb. Ik vraag mij af in hoeverre ik overtuigend ben als ik beweer: jongens, we moeten niet de taak van de politie op ons nemen. Ik zal dat altijd beweren. Maar het neemt mijn wraakgevoelens niet weg. Er is ergens iets uit balans en er moet een contragewicht komen. «Trots zijn op je beschaving», is niet zwaar genoeg. Ik hoop dat er geen rellen komen, maar ik vrees dat ze voor de deur staan.