Interview Max ‘Kikker’ Velthuijs

«Ik schilder altijd stukjes van mezelf»

Max Velthuijs wordt tachtig. De schepper van Kikker, bekend en bemind over de hele wereld, praat over werken, dromen, vrijheid, archieven vanbinnen en het eeuwige verlangen naar een knus huisje met een appelboom ervoor. En natuurlijk over Kikker. «Kikker is geen geld. Hij is mijn schepping, mijn vriend en mijn idee over het leven.»

Een kikker lijkt met zijn ongrijpbare sprongen en koele gladheid van vel voor een kleuter niet de aangewezen figuur om zijn hart aan te verliezen. Niet voor niets zijn het honden, muizen, hamsters, varkentjes en natuurlijk vooral beren, die vanwege hun hoge knuffel gehalte regeren in de wereld van het prentenboek. Toch bestaat er een kikker, die sinds hij midden jaren tachtig tevoorschijn sprong, met een hoofdletter en zonder lidwoord wordt geschreven. Het dier onderhoudt mensachtige betrekkingen met Eend, Haas, Varkentje en Rat en kinderen overal ter wereld houden vurig van hem.

Kikker is onmiskenbaar afkomstig uit onze eigen boerensloot, maar hij is bekend van Scandinavië en Frankrijk tot Brazilië, Taiwan en Israël. De elf prentenboeken die over hem bestaan worden in grote aantallen geproduceerd voor de verschillende taalgebieden en ook als zogenaamd «character» verloopt Kikkers carrière voorspoedig. Hij is er als puzzel, badboekje en knuffelbeest en siert nachtlampjes, klokken, fotoalbums en rugzakjes. In ons land toert momenteel een vriendelijke musical rond, waarin Kikkers wereld vorm krijgt door middel van manshoge poppen. Publiek dat de speen nog nauwelijks ontgroeid is, raakt al enkele minuten na aanvang op kookhoogte. De held is nog steeds niet gearriveerd, dus heffen de ongeduldige kleinen spreekkoren aan: «Kikker, Kikkerrr!»

De aanstichter van alle opwinding heet Max Velthuijs. Hij is er altijd nog een beetje beduusd van en steekt nog maar eens een sigaret op. Onlangs riep een meisje op straat tegen hem: «Ha, Max Velthuijs van Kikker! Weet u dat u daar zelf op lijkt?» Helemaal ongelijk had ze niet. Kikkers schepper ziet eruit als een oud geworden jongen, slungelig van armen en benen, terwijl zijn enigszins bolle ogen de wereld met een zekere verbazing bezien. Maar zelfs voor iemand die al decennialang een jeugdig lezerspubliek bedient, tikt de klok door: deze maand wordt Velthuijs tachtig. Zo voelt het absoluut niet, omdat hij midden in het leven staat van hard werken en succes hebben. Niet alleen kinderen zijn dol op zijn boeken, maar volwassen jury’s kenden hem al vier keer een Gouden Penseel en één keer een Gouden Griffel toe.

Max Velthuijs: «Als ik niet meer zou werken, zou het bestaan nogal vervelend zijn. Met mijn eigen generatie heb ik eigenlijk niks te maken. Die mensen zijn dood of zitten in een karretje. Voor mezelf had ik een beeld van lekker rustig nog wat boekjes maken, maar dat pakt totaal anders uit. Zo langzamerhand ben ik in mijn eentje een soort instituut aan het worden, waarin Kikker het roer van mij heeft overgenomen. Hij betekent niet alleen vertellen en lekker verven, maar ook bergen administratie, ingewikkelde contracten en steeds meer mensen die iets met hem en dus van mij willen.

Verschillende Engelse en Amerikaanse filmbedrijven lonken naar de rechten op Kikker. Niet omdat ze zo van hem houden, maar vanwege de merchandising. Eén nam er vier jaar geleden al een optie. Hun belangrijkste punt is dat ze 52 afleveringen willen hebben: elke week een Kikkerfilmpje op de buis. Ik heb er niet meer dan twaalf, maar dat vinden ze geen enkel probleem. Ze hebben daar toch prima tekstschrijvers! Ze stuurden me wat verhaaltjes toe, maar dat is Kikker helemaal niet. Dat is een stripfiguur die springend door het leven gaat. Denk maar aan die afgrijselijke Winnie de Poeh die ze bij Disney gefabriceerd hebben. Ernest Shepard zou zich in zijn graf omdraaien.»

Velthuijs hield zich aan het begin van zijn loopbaan helemaal niet bezig met het kinderboek. Hij hoort tot de generatie van Dick Bruna en Fiep Westendorp, die aanvankelijk werkten voor dagbladen en tijdschriften of in de reclame. Voor illustratoren lagen er mondjesmaat opdrachten en het prentenboek bestond in Nederland nog nauwelijks. Na de oorlog en met niet meer dan twee jaar kunstvakopleiding wilde de 22-jarige Velthuijs aan de slag. Bovendien had hij ideeën over hoe het beter kon in de wereld. Hij werd lid van de Communistische Partij en ging werken voor het propagandablad Voorwaarts.

Max Velthuijs: «Ik behoor tot de mensen die hun werk pas af vinden als het gedrukt is. Iets wat als unicum aan de muur hangt, heeft geen functie. Het ging toen ook om vorming en beïnvloeding van mensen. Ik maakte dus politieke prenten, maar daar kon je niet van leven. Het bedrijfsleven kwam op gang en dat gaf veel activiteit. Ik werkte er vroeger met plezier. Als ik een opdracht kreeg, kon ik iets maken dat mijzelf voldoening schonk, iets schilderachtigs. Voor de Staatsmijnen tekende ik bijvoorbeeld hun fabrieken. Dan was ik in Limburg weken lekker bezig en zag alles van binnen en van buiten. Nadat die tekeningen als advertentie hadden gediend, hebben ze er nog een map van gemaakt, als relatiegeschenk.

Met de intree van de art director veranderde het wezen van de reclame. Dat waren dure jongens die de hele dag schetsen maakten met dikke viltstiften. Zo’n ontwerp ging naar de klant en als die het goed vond, moest ik het uitvoeren. Als ik het dan een slecht idee vond en zei dat ik iets leukers wist, vroegen ze: weet je wel wat die man kost?! Zo werd het vak heel wat minder interessant.»

Begin jaren zestig vroeg uitgeverij Van Goor aan Velthuijs om de oude rijmpjes en versjes en het alom geliefde A is een aapje te illustreren. Dat zette hem op het spoor van het kinderboek. Max Velthuijs: «Op de Frankfurter Buchmesse had een Zwitserse uitgever die boekjes gezien. Hij was een uitgeweken Joegoslaaf, met een nogal merkwaardig ideaal. In ieder Europees land zocht hij een tekenaar, om zo een organisatie te smeden die het wederzijds begrip en dus de vrede naar het kind zou brengen. En hij had nog geen Hollander! Ik kreeg de opdracht een prentenboek te maken van een bestaande tekst. Toen ik dat werk kwam afleveren, had ik er stiekem een tekening tussen gestopt van een jongen met een enorme vis in zijn armen. Dat was mijn eigen jongensdroom, wanneer ik uit vissen ging met mijn vader. Kennelijk wilde ik daar iets mee. De uitgever vroeg wat het voorstelde, waarop ik ter plekke een verhaaltje verzon. Waar het om ging was dat de jongen die vis vrijliet. Dat beschouw ik als mijn eerste eigen prentenboek.

Wat ik bij de prenten schreef, ging in krom Duits. Daar maakte de Zwitserse redactie dan wel wat van. Voor de Nederlandse uitgave moest ik zelf de vertaling leveren en dat vond ik een hele klus. Voor een van mijn vroege boeken dacht ik dat de tekst maar eens van een echte schrijver moest komen. Dolf Verroen schreef iets fantastisch, maar het had weinig meer met mijn verhaal te maken. Juist die dingen die je niet schrijft en die tussen de regels zitten, die waren eruit. Je kunt niet in het brein van een ander kruipen, dus ben ik het toch maar zelf gaan doen.

Ik ben altijd nog verbaasd dat ze mij als schrijver zien. Die schijnen veel belangrijker te zijn dan tekenaars. Soms vragen mensen: en die plaatjes, wie maakt die eigenlijk? Dan voel ik me op mijn ziel getrapt. Ik zie mezelf als verhalenverteller en of dat nu in tekst of illustratie is, dat is voor mij helemaal verweven. Het gaat ook raar, hoor. Ik zit in de auto en dan zie ik zo’n verhaaltje ineens voor me en ik hoor ook de stemmetjes erbij. Alsof het televisie is. Wanneer je uit Amsterdam komt en net de Schipholtunnel uit bent, heb je daar een prachtig Hollands polderlandschap, met van die groepjes bomen. Landschappen zijn wonderlijke dingen, schermen achter elkaar, zoals je coulissen hebt op het toneel. Daar moet iets in gebeuren en daar zorg ik dus voor.

Zo’n verhaaltje dient zich kant en klaar aan, met een begin en een eind. Ik leg het in een dag of twee vast in een schetsboek en dan begint het grote zwoegen van het schilderen. Daar ben ik wel een winter mee doende. Ik houd eeuwig het gevoel dat ik het eigenlijk niet kan. Het blijft het achterna rennen van iets wat je ziet. In je hoofd is het onbegrensd en volmaakt, maar de volgende dag zit je met je penseeltje en voel je je een prutser. De drijfveer om iets op papier te krijgen is gelukkig sterker dan de faalangst, maar ik heb nog nooit het gevoel gehad dat iets helemaal geslaagd was.»

Van het imago dat hij uitsluitend dingen voor kinderen maakt, heeft Velthuijs totaal geen last: «Alles moet nu eenmaal in een hok. Daar trek ik me niets van aan en er zijn minstens zo veel volwassenen die van mijn boeken houden. Ik maak iets wat ik graag wil maken en zo langzamerhand weet ik dat dat geschikt is voor kinderen. Vooral mijn vroegere werk ziet eruit als kindertekeningen. Dat ik daar nog wel eens heimwee naar heb, heeft waarschijnlijk te maken met verlangen naar het kind-zijn. De kindertijd is over het algemeen de meest creatieve tijd van een mens. Later verlies je dat. Je hebt werk en plichten, je moet een gezin stichten. Een kind heeft nog van alles niet afgeleerd en zo is het met mijn kunstenaarschap ook.»

De wereld van Kikker is veilig omkaderd en schoon gepoetst. Het landschap heuvelt en bot uit in sappig groen. Binnenskamers vind je eerlijk hout, een potkachel, altijd bloemen op tafel en een decoratieve appel of peer in de vensterbank. In verhouding tot de chaos die Velthuijs in de werkelijkheid om zich heen pleegt te scheppen, heerst rondom Kikker een bijna bovenaardse orde. Max Velthuijs: «Al die interieurs zijn gebaseerd op mijn eeuwige verlangen naar een knus huisje, met een appelboom ervoor. Als ik zo’n kamertje schilder, heeft dat te maken met de sfeer van geluk die ik wil oproepen en met de compositie. Ik kan daar geen rotzooi maken, want dan klopt mijn schilderijtje niet meer. Het rood moet precies daar staan en het blauw hier. Dat probeer ik eindeloos uit en ik schilder heel veel weg, omdat het me stoort.»

Groen mag dan Kikkers lievelingskleur zijn, Velthuijs houdt van alle kleuren: «Ik kan natuurlijk zeggen dat rood zo mooi is, maar dat is het pas als er wit tegenaan staat of blauw. Er is wel opvallend veel groen in mijn boeken, tot wanhoop van de lithografen en de drukkers, maar dat is de ‹schuld› van de natuur. Kikker in de kou heb ik bewust bedacht, omdat ik even van die groene wereld af wilde en ik moest en zou een eend laten schaatsen. Het was fascinerend om uit te vinden hoe die zoiets onbestaanbaars zou doen. Hoe haar balans zou zijn en haar lichaamsbeweging. Ze moest schaatsen en toch eend blijven. En uiteraard op Friese doorlopers, want ik heb de wereld geschapen zonder televisie, computers en mobieltjes. Daarmee zou die namelijk tijdgebonden worden. Ik heb wel eens de neiging gehad om in de rivier een Colablikje te laten dobberen. Omdat het mooi rood is, maar vooral als teken: met de Cola is de ellende in de wereld gekomen. Maar dan zet ik een stap in een nieuw tijdperk en voorlopig weet ik niet hoe dat moet.»

Alle honderden vogeltjes die door de Velthuijsverhalen vliegen en hippen zijn er vermoedelijk ook niet toevallig? «Soms zijn ze er omdat er in de ruimte of in een vlak nog iets moet. Maar in het echte leven zijn ze er ook altijd. Vogels zijn de kijkers, die ons waarnemen. Zelf ben ik ook zo’n kijker. En omdat ik inmiddels al tachtig jaar leef, heb ik zo’n beetje alles gezien. Ik teken ook nooit naar voorbeeld. Wat ik heb gezien, heb ik opgeslagen, dus ik heb enorme archieven vanbinnen. Ik schilder altijd stukjes van mezelf.»

Kenmerkend voor Velthuijs’ werk zijn de grote thema’s die hij in voorzichtige lijnen en kleine zinnetjes aanraakt. Op kleuterhoogte gaat het over verliefdheid, angst, eenzaamheid en zelfacceptatie, over dood en vreemdelingenhaat. En altijd weer gaat het over het belang van goede vrienden. De auteur beschikt over een uitzonderlijk vermogen om de ernst van het leven met een grote vanzelfsprekendheid en zonder zwaarte te laten zien. Velthuijs is vaak verbaasd over de uitwerking van zijn boeken: «Kikker en het vogeltje was echt niet meer dan een verhaaltje over een dood vogeltje. Maar het wordt regelmatig bij begrafenissen voorgelezen en ik krijg brieven van mensen die een kind hebben verloren en bij dat boek troost hebben gevonden. Wereldwijd worden mijn verhalen op scholen gebruikt om over gevoelens te praten. Dat gaat wel aan me vreten, want het voelt of ik een soort taak heb.

Het zit blijkbaar in mij om het over grote dingen te willen hebben. Vrijheid is er voor mij zo een. Dat betekent niet dat ik almaar de wereld in wil, maar dat ik kan doen wat ik werkelijk wil. Uitgerekend aan Kikker dreig ik nu mijn vrijheid kwijt te raken. Alsof ik me vastgeschilderd heb in zijn wereld. Dat besef wordt sterker vanwege mijn echtscheiding. Na drie jaar zijn de advocaten nog bezig. Mijn ex stelt zich voor alle originelen van Kikker te laten taxeren en daar de helft van te ontvangen. Ik heb nog nooit een origineel verkocht. Ik wilde ze na mijn dood aan het Letterkundig Museum schenken. Daar wordt voor conservering gezorgd, anders gaat de hele boel de vernieling in. De rechter heeft de originele tekeningen nu tot onderdeel van de boedel verklaard en in de processtukken gaat het over kapitaal en geld. Kikker is geen geld. Hij is mijn schepping, mijn vriend en mijn idee over het leven.

De nieuwe kikkerverhalen die ik de laatste jaren heb gemaakt, vind ik eigenlijk niks, maar als ik niet werk, gaat het niet goed met me. Als kind leerde je dat al: in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen! Zelf ben ik geen calvinist, maar ik ben wel een tekenaar. Dat is het enige wat ik zeker weet van mezelf. En als een tekenaar niet tekent, is hij ongelukkig.»

Het werk van Max Velthuijs wordt uitgegeven door Uitgeverij Leopold. Daar verschijnt in augustus een Velthuijs-biografie door Joke Linders, getiteld

Ik bof dat ik een kikker ben.

In september opent een tentoonstelling in het Letterkundig Museum in Den Haag.