Interview Ethel Portnoy

«Ik schrijf geheimtaal»

Vanaf het moment dat Ethel Portnoy letters aan elkaar kon schrijven, was het voor haar duidelijk dat zij alleen maar dát wilde doen. «Ik weet nog precies het moment dat ik besefte dat je anderen met woorden naar je hand kunt zetten.»

Ik was gewaarschuwd. In haar nieuwe boek, in het verhaal «Dieren die ik heb gekend», schrijft ze over haar jongste aanwinst: Cookie, in een vorig leven Curly geheten. Een echte Cornish Rex, met een rossige krulvacht, oren als van een vleermuis en een oorverdovend stemgeluid dat meer met gillen dan met miauwen van doen heeft. Ethel Portnoy, met enige stemverheffing om boven het geschreeuw uit te komen: «Ik was eerst ook bang van haar. Ik weet niet waarom ik haar heb genomen.» Om er onmiddellijk schaterend aan toe te voegen: «Misschien omdat ik een masochist ben.»

Begin deze maand werd ze 75. Haar verjaardag werd onder andere gevierd met de presentatie van een nieuwe bundeling verhalen. In Portret ligt het accent op de mensen, en dieren, die Portnoy in haar vroege jaren hebben omringd. Naast nieuwe verhalen, onder andere over haar avonturen als verkoopster in het New Yorkse warenhuis Macy’s, zijn er stukken in opgenomen die ze al eerder publiceerde. In «Leven en dood van een gastarbeider» beschrijft ze de lotgevallen van haar vader als Russische emigrant in Amerika in de jaren twintig. Een tragisch verhaal, waarin ze het beeld schetst van de verwachtingsvolle gymnasiast uit Kiev die eindigt als zwijgzame en wrokkige textielarbeider in Philadelphia, de plaats waar dochter Ethel werd geboren. Ook «De lijstenmaker» is in Portret opgenomen; hierin geeft ze een onuitwisbaar beeld van haar zeven jaar jongere broer, die zich uit verzet tegen zijn vaders lot voorneemt rijk te worden. Hij verkeert in het tijdsgewricht waarin dat soort voornemens ook bewaarheid kan worden. Met zijn geschiedenis schrijft Portnoy een sociaal-economische history-case van het Amerika van de jaren vijftig tot aan de jaren zeventig. Van nabij slaat ze de teloorgang van haar broers huwelijk gade en ziet ze hem voorzichtig opnieuw het geluk beproeven. Als running gag in het verhaal fungeert de bolide waarmee hij haar jaarlijks van JFK-airport komt ophalen en die in zijn wisselende afmetingen het welslagen van het afgelopen jaar weerspiegelt. De elegantie van Portnoys bewoordingen spreekt des te meer in combinatie met haar prettig impertinente opmerkingsgave.

Is het niet moeilijk om te schrijven over mensen die zo nabij zijn?

«Daarom is het zo gelukkig dat ik in het Nederlands schrijf! Mijn broer is net over geweest uit New York ter ere van mijn verjaardag. Hij zag hier dit boek liggen. Hij pakte het op, bekeek de eerste bladzijden en herkende de straatnamen van de Bronx waar wij zijn opgegroeid, Allerton Avenue en zo. Verder kan hij het absoluut niet lezen. Maar omdat hij die namen herkent, zou hij het graag willen lezen. Al weet hij niet dat ik ook over hem een verhaal heb geschreven.»

Heeft u dat niet verteld?

«Nee. Gelukkig keek hij alleen maar naar de eerste bladzijden. Anders zou hij de namen van zijn vrouwen zijn tegengekomen. Maar zijn nieuwsgierigheid was voldoende aangewakkerd om te vragen of ik niet een Engels manuscript had dat hij kon lezen. Hij weet dat ik in het Engels schrijf en dat iemand anders, mijn dochter meestal, het in het Nederlands omzet. En ik zei: ik zal het opzoeken.» Ze schatert. «Maar daar komt nooit iets van.»

Maar u publiceert toch al ruim dertig jaar?

«Ja, hij vraagt ook voortdurend: zoek die manuscripten. Ik houd altijd de boot af. En zeg: ja, ik zal het opsturen.» Lacht weer klaterend. «Misschien vindt hij wat ik over hem schrijf ook wel zeer sympathiek of zoiets. Maar waarschijnlijk correspondeert het beeld dat ik van hem schets niet met het beeld dat hij van zichzelf heeft. Misschien is hij dan toch gekwetst in zijn eigenwaarde. En ik blijk toch een soort spion te zijn, als ik bij hem logeer. Als ik in het Engels zou publiceren, zou ik deze dingen nooit durven schrijven. Nu kan ik alles zeggen, want ik spreek een geheime taal. Van zijn kinderen lezen sommigen Spaans, anderen Frans, maar niemand leest Nederlands. Dus ik kom ermee weg.»

Heeft u nooit in het Engels gepubliceerd?

«Nee. Ik zoek het ook niet. Willens en wetens, om die reden.» Lacht.

Ethel Portnoy spreekt Nederlands met een onmiskenbaar Amerikaans accent. Ze werd geboren in Philadelphia, maar groeide op in New York, in de Bronx, de buitenwijk die in de jaren twintig en dertig nog op de rand van de wildernis verkeerde en waar de joodse en Italiaanse immigranten in hun gescheiden werelden leefden. In «Spiegeltje, spiegeltje…» schrijft ze over haar moeder die als zeventienjarige samen met haar zusje de honger in Polen ontvluchtte en de moeilijkheden van haar sappelende immigrantenbestaan in Amerika vertaalde in lichamelijke problemen. Scherp en nietsontziend brengt Portnoy het moeder-dochterdrama onder woorden («Nu en dan brengt een toevloed van hormonen haar in de herinnering dat ze een moeder is, en van over de oceaan belt ze me op. (…) Wij zeggen altijd dezelfde dingen. Ik roep almaar luidkeels: ‘Het gaat best allemaal!’ terwijl zij uit de volte van haar hart terughijgt: 'Ik ben zo blij, mijn lieveling'»).

Tegelijkertijd vol zelfrelativering: «Zo ervaart een dochter haar moeder, als een lichaam, een vrouwtjesdier, een schepsel van hetzelfde soort, een ik, een voorbode van haar eigen latere ik…»

Tegenover me gezeten in de voorkamer van haar Haagse grachtenwoning, de ene sigaret na de andere opstekend, verklaart ze blij te zijn met haar «exotische» achtergrond. Haar schrijverschap is erdoor gevoed, zo niet ontstaan. «Het was voor mij een groot geluk in mijn jeugd geconfronteerd te worden met zulke extreme types. Ik was toen ik klein was ontzettend op mezelf geconcentreerd en heel erg egocentrisch. Ik leefde in een waas. Maar omdat de mensen die mij omringden bijzonder waren, of bizar, of rebels, of ongelukkig, konden zij toch tot mij doordringen. Op den duur begon ik van hen te genieten. Ik zag al die mensen als mogelijke karakters in verhalen. Zij hebben mij voor altijd beïnvloed.»

Haar ouders zagen Ethel graag opgroeien als een all American girl. Ze ging naar het Hunter College for Women in Manhattan, in de tijd dat de Tweede Wereldoorlog woedde en de studentes geacht werden een bijdrage te leveren aan de Amerikaanse oorlogsinspanning. In een van de verhalen in Portret beschrijft Portnoy hoezeer ze haar best deed oprechte betrokkenheid aan de dag te leggen, onder andere in de brieven die aan «onze strijdende jongens» moesten worden geschreven. In werkelijkheid had ze haar gedachten echter bij hogere zaken als opera en ballet, en de nepdiamanten siergespen die ze op haar kalfsleren pumps («eigenlijk straatschoenen») had genaaid. Toen ze na de oorlog een afspraakje op het Grand Central Station had met haar marinier, kon ze het niet laten hem haar morele dilemma voor te leggen: «Je kan iemands leven redden, maar dat betekent dan dat de Uffizi vernietigd worden… Wat doe je dan?» Het werd niet echt iets met die marinier.

Eind jaren veertig ging ze Engels studeren in Wisconsin, om er achter te komen dat zo’n letterenstudie wel een erg ivoren-toren-achtig gebeuren was. In 1950 vertrok ze met een Fulbright-beurs naar Parijs om de Europese decadente literatuur te bestuderen, maar al gauw liep ze colleges bij Lévi-Strauss, André Leroi-Gourhan en Roland Barthes, de wegbereiders van het structuralisme en de culturele antropologie. Door de colleges van Barthes realiseerde ze zich met een schok hoe ze moest schrijven. Dát ze schrijfster zou worden wist ze al van kinds af aan.

Portnoy: «Vanaf het moment dat ik letters aan elkaar kon schrijven, was het duidelijk dat ik alleen maar dat wilde doen. Toen ik zes of zeven was schreef ik een toneelstuk. De magische ui. Als ik las, dacht ik: dat kan ik ook, of: waarom zou ik dat niet ook doen? Daarbij kwam dat mijn ouders, anders dan andere Amerikanen die alleen maar naar verdiensten kijken, een zeer hoge dunk hadden van schrijvers. Ik weet nog precies het moment dat ik besefte dat je anderen met woorden naar je hand kunt zetten. Ik had toen ik veertien was een opstel geschreven, Mijn eerste zoen, en mocht dat voor de klas voorlezen. Iedereen zat ademloos te luisteren, geweldig. Maar het zoeken naar een eigen toon heeft nog lange tijd geduurd. In een cursus over retoriek besteedde Roland Barthes aandacht aan de echtheid die je al dan niet voelt bij het lezen van een schrijver. Hij zei: 'Iets zal altijd vals overkomen als je je eigen ervaringen een zogenaamde verteller in de mond legt, dus een hij of een zij- perspectief kiest terwijl het eigenlijk ‘ik’ moet zijn. Dat is onoprecht.’ Opeens wist ik wat er altijd fout ging bij mijn schrijven. Het was een openbaring. Ik ging naar huis, pakte een van de verhalen die ik had geschreven, streepte alle 'zij’s’ door en maakte er 'ik’ van. Dit was voor mij de sleutel. Later hebben veel mensen dit ontdekt; er is nu een enorme hausse aan ik-schrijverij. Voor de lezer is het ook bevredigend, want hij wordt niet om de tuin geleid door iemand die zich verschuilt achter een masker.»

Maar als je «ik» schrijft, betekent dat toch nog niet dat je ook de waarheid vertelt?

«Alles wat ik schrijf is waar. Alleen mijn beide romans heb ik verzonnen; daarin heb ik 'hij’ en 'zij’ kunnen schrijven. Als die romans over mij waren gegaan, had ik gevoeld dat het niet goed was. Ik ben er wel achtergekomen dat het schrijven van fictie niet mijn sterkste kant is. Ik dacht altijd dat ik moest laten zien dat ik dat ook kon. Maar het verzinnen van personages is toch een heel ander métier.»

In Parijs verkeerde Ethel Portnoy in kringen van Franse en Nederlandse dichters die later als de Vijftigers geschiedenis zouden maken. In 1951 trouwde ze met Rudy Kousbroek. Twintig jaar lang woonden en werkten beiden in Parijs. Ze kregen een dochter en een zoon. In 1970 verhuisden ze naar Nederland. Een jaar later verscheen haar eerste verhalenbundel, Steen en Been. Onmiddellijk viel haar toon op; Portnoy bleek even vanzelfsprekend, en geestig, te kunnen schrijven over borstvoeding als over de studentenrevolte in Parijs. Onvergetelijk is ook het verhaal «Brief encounter», waarin ze haar stelling illustreert dat mannen geestelijke naaktlopers zijn omdat ze zich nooit herinneren wat ze aanhadden bij belangrijke gebeurtenissen. In een gestaag tempo groeide hierna haar oeuvre, telkens verslag doend van hoogstpersoonlijke voorkeuren, obsessies en verwondering, nooit eerbiedig, correct of voorspelbaar, met onder andere Het ontwaken van de zee (1981), Vluchten (1984), Opstandige vrouwen (1989) en Genietingen (1998). In Broodje aap (1978), bracht ze als antropoloog van het moderne Westen de griezelverhalen bijeen die mensen elkaar als «waar gebeurd» vertellen in het café of bij de koffie. In 1991 ontving ze de Annie Romeinprijs voor haar literaire werk.

Portnoy: «In Amerika was ik weggezonken in een grauwe middenmoot. Dankzij Nederland heb ik mij kunnen waarmaken. Nederlanders vinden het wonderlijk dat ik zo’n sterke cultuur als de Amerikaanse de rug heb toegekeerd. Maar ik vind dit een geweldig land. Ook het klimaat is fantastisch om te kunnen schrijven. In Californië zou ik altijd buiten zijn. Hier heb je van die druilerige dagen, waarop je lekker úrenlang bij de verwarming achter je bureau kunt zitten. Dat is zo goed! Ik logeer nog elk jaar bij mijn broer die nu net buiten New York woont, en draai dan mee in een typisch Amerikaans gezin, met alle toestanden van daar. Het zegt me niets, het is niet mijn wereld. Ik zou me daar ontzettend ongelukkig voelen. Alleen al die wolkenkrabbers… Ik háát ze. Die hoge gebouwen doen je beseffen dat je nietig bent, en zo wil ik me helemaal niet voelen. In Nederland steekt iedereen boven de horizon uit.»

Gevraagd naar haar «heimelijke genoegen» deed Portnoy ooit haar beklag over het feit dat de wereld zo vroeg opstaat. Jarenlang stond ze ’s ochtends ontbijt en lunchpakketten te prepareren voor haar kinderen en moest ze de rest van de dag vechten tegen de slaap. «Heel wat literaire werken zijn zo verloren gegaan.» Sinds ze weer alleen woont, geeft ze zich met zwelgend genoegen over aan haar eigen bioritme. De geldingsdrang duurt onverminderd voort («Het is altijd weer: ik moet, ik moet. Wat er ook gebeurt: ik schrijf tot ik neerval»), maar die gaat gepaard met een ongekende blijmoedigheid.

Portnoy: «Mijn dochter herinnert zich dat ik altijd op stukjes papier dingen krabbelde en ze dan weer weglegde. Ik was jaloers op mensen die tijd hadden. Nu kan ik eindelijk aan mezelf toekomen. Ik voel me niet alleen. Je moet niet vergeten: ik heb ook al dat andere gehad. Ik ben één keer getrouwd geweest, en dat was voldoende. Je moet het hebben meegemaakt, vind ik. Net als het moederschap. Ik pluk daar nu de vruchten van, want ik heb geweldige kinderen. Ik ben blij dat mij dat is overkomen. Maar twintig jaar lang heb ik geen werk kunnen doen voor mezelf. Nu valt alles op zijn plaats. Ik zie mijn ex-echtgenoot nog wekelijks, we gaan samen eten, we hebben het over de kinderen en allerlei toestanden. Je bent aan elkaar gewend, je weet hoe de ander denkt na een huwelijk van dertig jaar. Dat blijft. Maar de scheiding van hem was ook een verlossing. Ik was zo geconcentreerd op hem, op alles wat hij deed. Ik leefde met hem mee, dacht met hem mee. En ineens lag er een heel wijd universum voor mij open.»

Korte tijd schreef ze wekelijks stukken voor NRC Handelsblad. Hieruit kwam Vliegende vellen (1983) voort, waarin ze onder andere droogjes de charlatanerie van Joseph Beuys doorprikt die toentertijd werd bejubeld vanwege de berg vet die hij tentoonstelde in het Guggenheim («Om eerlijk te zijn is een berg vet nu niet iets dat ik graag in de huiskamer zou willen hebben — tenzij natuurlijk in de gedaante van een dierbaar familielid»). Het schrijven van columns vindt Portnoy echter een slijtageslag. «Het feit dat er de volgende week weer zo’n stukje moet liggen, put je uit. Ik blijf liever een vrije geest. Laatst voelde ik een enorme drang om verhalen te schrijven in de trant van Conan Doyle. Ik ben gek op Sherlock Holmes. Dus heb ik vijf prachtige Sherlock Holmes-verhalen geschreven.»

Op het moment schrijft ze «een soort memoires». «Ik verwoord mijn ideeën over allerlei zaken zonder de verbloeming van een verhaal of een essay. Het komt gewoon rauw uit mijn pen. Ik denk dat het volgend jaar klaar is. Het wordt een heel bizar boek, bestaande uit allemaal kleine beschrijvingen en overpeinzingen, soms niet groter dan een alinea, waarin alles zeer scherp wordt gesteld. Een soort legpuzzel die mijn hele leven behelst. Al die kleine volgekrabbelde papiertjes komen nu van pas. Het is heel plezierig om aan te werken. Als je zo’n vorm ontdekt, blijk je opeens alles daarin te kunnen gieten.»

Haar nieuwe boek eindigt met het verhaal «Levend» waarin ze beschrijft hoe ze een verloren geliefde hervindt. Een weemoedig verhaal waarvan ze me wederom verzekert dat het allemaal «waar gebeurd» is. De onderliggende dialoog («Leef je? Leef je nog?») krijgt extra betekenis in het licht van de zware operatie die ze onlangs onderging. Spottend zegt ze: «Het einde nadert. Ik zie het naderen! Maar ik kan niet zeggen dat ik bang ben om te sterven. Ik heb echt alles gehad wat een mens kan wensen. Dus wat wil je? Ik kan niet eeuwig op de aardbol blijven. Er is me verteld dat ik tijdens die operatie enkele minuten klinisch dood was. En ik vroeg mij toen af: wat heb ik ervaren terwijl ik dood was? Helemaal niets. Dat heeft mij geleerd: er is niets om te vrezen.»

Ethel Portnoy

Portret

Uitg. Meulenhoff, 222 blz., € 15,95