‘ik sla, dus ik besta’

ENKELE WEKEN geleden werd in Cinema De Balie in Amsterdam Beyond Ultra Violence vertoond, een film van Ian Kerkhof over een Japanse geluidskunstenaar die zich Merzbow noemt. Merzbow bleek de geluiden om hem heen te mixen en te versterken tot aan de grens van het onverdraaglijke. Hij bleek ook geobsedeerd te zijn door het onverdraaglijke zelf: de dood in de vorm van harakiri, in het bijzonder harakiri verricht door vrouwen. Hij maakt er films over en Kerkhof had een scène uit zo'n film in Beyond Ultra Violence opgenomen.

Het moet aan de de weldoordachte opbouw van Kerkhofs film te danken zijn dat ik en vrijwel allen om mij heen zijn film hebben uitgekeken, want de scène op zichzelf, waarvan niet duidelijk was of hij echt was of fake, was verpletterend. Je zag hoe een mooie jonge vrouw neerknielde op een zeil, haar buik ontblootte en er een mes in stak. Hortend en stotend en met gulpen bloed kwamen de darmen naar buiten, als een rood bedauwd braaksel. Nog uren daarna hoorde ik het gekerm van de vrouw terwijl ze het mes maar door haar vlees heen bleef trekken en tot in mijn dromen zag ik de ijzig naar haar stuiptrekkende lichaam kijkende mannen.
De Japanse cultuur is de onze niet, en de fascinatie van een Japanse filmer voor de ingewanden van een levende vrouw heeft waarschijnlijk niet dezelfde basis als die van een westerse filmer. Over dat verschil wil ik het hier ook niet hebben. Waar het mij om gaat is dat Kerkhof dit fragment zo in zijn film heeft ingelijfd dat je geconfronteerd wordt met een extreme uitvergroting van de algemene visie in onze cultuur op het menselijk lichaam, een visie die ontstond in de zeventiende eeuw, toen het de medische wetenschap eindelijk officieel was toegestaan het lichaam open te snijden. In die tijd, de tijd dat Rembrandt zijn Anatomische les schilderde, ontdekte de arts William Harvey de bloedsomloop en constateerde dat het hart daarbij als pomp fungeerde. Descartes maakte het beeld af. Hij scheidde het lichaam van de geest, het denken van het voelen, en verklaarde alleen de rede tot het waarlijk menselijke. Sindsdien geldt het lichaam als een machine die bestuurd wordt door de hersenen. Sindsdien is ook een kille obsessie gegroeid voor het inwendige.
‘THE HUMAN ORGANISM is an atrocity exhibition at which he is an unwilling spectator’, zegt een psychiater over zijn patiënt in het recent verfilmde boek The Atrocity Exhibition van J.G. Ballard. Hij had het over de hedendaagse tv-kijker kunnen hebben, met dit verschil dat deze maar al te graag het huiveringwekkende spektakel ziet van het menselijke organisme. Medische programma’s met hart- en hersenoperaties zijn geliefd entertainment en wie zelf ook wel eens in een lijf wil snijden, kan nu de cd-rom Open hart kopen, die je tot hartchirurg opleidt. Een greep uit de handleiding: ’(1) Met de scalpel maak je een snee in de borst van de patiënt. (2) Met de cauterizer snij je het onderhuidse vet weg. (3) Zaag het borstbeen voorzichtig doormidden. (4) Snij de hartzak over de lengte open. (5) Nu zul je een kloppend hart en de aorta te zien krijgen.’
Aan de huidige populariteit van de medische wetenschap is in hoge mate bijgedragen door de Zuid-Afrikaanse cardioloog dr. Christian Barnard. Hij slaagde er in 1967 in om het hart van een dode in de borstkas van een levende te planten. Alleen de eerste stap op de maan enkele jaren later heeft wereldwijd dezelfde euforie veroorzaakt. Barnards verrichting leek de dood een stapje te hebben teruggedrongen en de maakbaarheid van het lichaam dichterbij te hebben gebracht.
Hoezeer wij ondertussen gewend zijn geraakt aan medische triomfen, bleek toen kort geleden een hand aan iemands arm was genaaid: de kranten volstonden met een kort bericht. En dat er al jaren een soort Olympische Spelen bestaan voor orgaantransplantatiepatiënten, blijken maar weinigen in mijn omgeving te weten. Klaarblijkelijk vinden wij het volstrekt normaal dat het lichaam als een auto op onderdelen kan worden vervangen.
MAAR KLOPT DE metafoor van het lichaam als machine wel? Kun je de geest wel naar de hersenen verbannen, zoals het nog altijd heersende cartesianisme doet? Die vragen drongen zich op toen ik vorig jaar een Ikon-programma zag over ene Claire Sylvia, een 52-jarige Amerikaanse harttransplantatiepatiënte. Zij bleek een boek te hebben gepubliceerd, A Change of Heart (in het Nederlands vertaald als Hart en ziel), waarin zij vertelt hoe zij met haar nieuwe hart gevoelens had gekregen die ze niet van zichzelf kende, banale gevoelens zoals een onbedwingbare trek in gebraden kip en glazen bier, maar ook verfijndere, zoals liefde voor een stoer soort jonge mannen. Haar persoonlijke onderzoek naar haar donor wees uit dat deze een stoere jonge motorrijder was geweest die dol was op gebraden kip en bier.
Het verhaal van Claire Sylvia blijkt niet op zichzelf te staan. Volgens onderzoekers in Amerika en Israel kent maar liefst 37 procent van de harttransplantanten dit soort verschijnselen. Zo bleek een man die nooit goed had kunnen schaken na zijn harttransplantatie plotseling zes tot zeven zetten bij het schaakspel vooruit te kunnen denken. Dankzij het hart van zijn donor, die een uitstekende schaker was geweest?
De medische wetenschap schampert over de kwestie: 'Categorie ufo’s en marsmannetjes.’ Of schuift het probleem door naar die tak van wetenschap die in de ziel is gespecialiseerd. Maar ook de psychologie haalt de schouders op en zwijgt bij getransplanteerden die zelfmoord plegen of klagen dat ze zichzelf niet zijn en hun oude hart terugwillen. Want zoals de cardioloog zich uitsluitend om het lichaam bekommert, zo richt de psycholoog zich vooral op de geest.
Nu haast ik mij te zeggen dat ik op al deze terreinen een leek ben. Mijn belangstelling voor het lichaam is die van een amateur die, overigens net als de wetenschap, vermoedt dat het lichaam over een enorme potentie en sensitiviteit beschikt waar wij niets van weten. Het enige dat ik met enige zekerheid kan zeggen, is dat mijn lijf een eigenheid heeft die maakt dat ik 'Ik’ zeg en dat het onbegrepen wetten kent waaraan ik onderhevig ben. Niet zelden voelt het aan als een te krappe schoen. Wat de ervaring mij wel heeft geleerd, is dat het lichaam mij op cruciale momenten, als het verstand tekortschiet, richting kan geven. Die richting voel ik niet in mijn hoofd maar in mijn hart.
De wetenschapper die zegt dat dat een door de cultuur bepaald idee is, heeft vast gelijk. Het hart is een spier, maar wel een die meer op de verbeelding werkt dan een arm- of buikspier. In tophits en aria’s, de bijbel en keukenmeidenromans, films en tv-programma’s wordt het hart nog altijd voorgesteld als de tempel van het gevoel. En niet alleen van het gevoel. Het hart staat ook voor grote begrippen als Zuiverheid, Liefde (goddelijk en profaan) en Identiteit. Wij zijn opgevoed met uitdrukkingen als 'diep in je hart kijken’, 'van je hart geen moordkuil maken’ en 'het hart in de schoenen voelen zinken’, uitdrukkingen die aangeven dat men van oudsher de wijsheid, het geweten en de moed in het hart heeft gelokaliseerd. Ware schoonheid verbinden wij aan een warm hart en onmenselijkheid aan een hart van steen, en we zijn het erover eens dat een hart gebroken, gestolen, verloren, vertrapt en geroerd kan zijn. En hoeveel macht heeft niet het verliefde hart? Wanneer dat in het hele lijf vibreert, wordt de minachting van Aristoteles voor de hersenen volkomen navoelbaar. Voor hem vormden deze een koud orgaan dat volstrekt minderwaardig was vergeleken met het hart als het centrum van de mens en de plaats van zijn ziel. Het hart bevatte, naar zijn overtuiging, een soort innerlijk vuur dat warmte gaf en licht.
DE WETENSCHAP IS nooit verliefd. Zij heeft haar grote ontdekkingen te danken aan de eis die zij aan zichzelf stelt om zich op feiten te baseren, en emoties hebben, zoals bekend, weinig met feiten te maken. Emoties zijn subjectief. Dat is de reden waarom er niet eens een wetenschappelijke consensus is over de definitie van emotie. Oeverloos wordt er in wetenschappelijke kringen gekrakeeld over het aantal emoties dat bestaat, over de vraag of sommige emoties fundamenteler zijn dan andere, over het belang van bewuste versus onbewuste processen bij emotie, en over de rol van natuur en cultuur.
Dat schiet niet op en het cartesianisme zou dan ook nog steeds stevig te paard zitten als de laatste jaren niet enkele gerenommeerde medische wetenschappers verslag hadden uitgebracht van bouleverserende onderzoeksresultaten. Een van de bekendste is de Amerikaanse neuroloog Antonio R. Damasio. Hij publiceerde in 1994 een boek met de uitdagende titel De vergissing van Descartes, waarin hij aan de hand van ziektegeschiedenissen van mensen met hersenletsel tot enkele opmerkelijke stellingen komt.
De eerste stelling is meteen een bom: 'De menselijke hersenen vormen samen met de rest van het lichaam een ondeelbaar organisme waarin interactieve biochemische en neurale regelcircuits voor de integratie zorgen.’ Exit Descartes. De tweede stelling treft direct de in specialismen opgedeelde wetenschap: 'Het organisme treedt als geheel in wisselwerking met zijn omgeving: lichaam en hersenen reageren nooit afzonderlijk.’ En de derde explodeert voor de voeten van de psychologie: 'De fysiologische processen die we geest noemen, hebben hun oorsprong in het structurele en functionele geheel en niet alleen in de hersenen: mentale verschijnselen kunnen alleen worden begrepen in de context van de wisselwerking tussen het organisme en zijn omgeving.’
Hersenen en lichaam als een geïntegreerd geheel: ik dacht meteen aan de cardioloog prof. dr. A.J. Dunning die mij naar aanleiding van Claire Sylvia schreef: 'Het hart is een pomp, de ziel huist ergens anders.’ Waar huist die ziel dan? Nog steeds wordt hij voorgesteld als een soort klein mannetje dat in onze hersenen nadenkt, de homunculus, maar Damasio verwerpt dat idee radicaal. Weliswaar worden in de hersenen voorstellingen van het lichaam en de wereld gevormd, wat hij het kenmerk van geestelijk leven noemt, maar die mentale processen hangen ten nauwste samen met fysiologische processen. 'Als we als organismen anders waren ontworpen’, schrijft hij onverschrokken, 'zouden de constructies die we van de wereld maken ook anders zijn.’
EEN ANDERE WETENSCHAPPER die tot een zelfde conclusie komt, zij het voorzichtiger geformuleerd dan die van Damasio, is prof. dr. R. Buijs, adjunct-directeur van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek. In een publicatie over de hypothalamus, een centraal punt in de hersenen, meldt hij: 'Er zijn zeer veel argumenten die erop wijzen dat met name signalen uit hart en ingewanden een zeer belangrijke bron van informatie vormen voor de hersenen, en dat deze informatie vaak van doorslaggevende betekenis is voor het nemen van belangrijke beslissingen.’
Het hart is dus geen dummie. Je zou hier zelfs uit af kunnen leiden dat het als een soort zender werkt die, afgaande op een onderzoek van de Amerikaanse neuroloog Gary Schwarz, nog poëzie uitstraalt ook. Want niet alleen kan, volgens Schwarz, het electrocardiogram van het hart in hersengolven worden waargenomen, liefdevolle mensen zouden in hun hersengolven ook de ECG’s van het hart van anderen kunnen waarnemen!
Ik moest hierbij denken aan het verhaal van de Amerikaanse scholier die dwarsfluit speelt in wisselwerking met zijn eigen hersengolven op een computerscherm. Het ritme van zijn spel beïnvloedt het ritme van de golven die op hun beurt weer het spel bepalen. Een spel tussen hart en hersenen, want zeggen wij niet dat het het hart is dat een muziekinstrument bespeelt?
De mening van deze wetenschappers dat hart en hersenen met elkaar communiceren, werd vorig jaar ondersteund door de publicatie van een ander boek, Molecules of Emotion, geschreven door de Amerikaanse neurobiologe Candace Pert, voormalig hoofd van de Section on Brain Biochemistry van het National Institute of Health. Pert voert daarin wetenschappelijke bewijzen aan voor de hypothese dat er een soort boodschappermoleculen bestaan die informatie doorgeven binnen de hersenen en van de hersenen naar het lichaam en andersom. Zij stelde bovendien dat niet alle emoties in het hoofd zitten: 'De stoffen die emoties teweegbrengen en de receptoren voor die stoffen zijn in alle cellen van het lichaam te vinden.’
Dacht ik het niet! Het héle lichaam is emotie! Dat werpt met terugwerkende kracht een macaber licht op een relaas dat Lord Bacon gaf van de terechtstelling van een wegens verraad veroordeelde man. Men had hem levend opengesneden om hem het hart uit de borst te rukken en dat in het vuur te werpen. 'De spier sprong’, schrijft Julien Offray de Lamettrie, die het verhaal in 1748 opnam in zijn boek De mens een machine, 'loodrecht omhoog, aanvankelijk anderhalve voet, en verloor toen geleidelijk aan haar krachten en kwam steeds minder hoog. Een en ander gedurende zeven of acht minuten.’
De Lamettrie, Frans legerarts en als filosoof een tegenstander van Descartes, had zo zijn eigen, in mijn ogen visionaire theorie ontwikkeld om te speculeren over de krachten binnen het lichaam die wij nu benoemen als cellulaire en moleculaire processen. Voor hem draaide alles om beweging: 'De materie beweegt door zich zelf, niet alleen wanneer zij georganiseerd is, zoals in een heel hart, maar zelfs wanneer die organisatie vernietigd is.’ Het is frappant om te zien hoe dr. R. Buijs onbedoeld die bewering bevestigt wanneer hij stelt dat de zogeheten tracingtechniek heeft uitgewezen dat tot acht uur na de dood nog activiteiten in de menselijke hersenen zijn aan te tonen.
DE MATERIE BEWEEGT, zelfs nog na de dood, maar niet alleen dat. Ze heeft, veronderstellen sommige wetenschappers, ook een soort geheugen. 'Alles in de natuur, inclusief cellulaire en moleculaire stelsels’, schrijft Schwarz, 'slaat informatie en energie op.’ Hij noemt die veronderstelling de Systemisch (ofwel het hele lichaam betreffende) Geheugen Hypothese.
Kun je zeggen dat de beweging van de materie dankzij die geheugenfunctie richting krijgt? En zou je dat geest of ziel kunnen noemen?
Speculeren met begrippen als geest en ziel is als blazen in zeepsop: er komt van alles op, maar je hebt niets om vast te pakken. Dr. Buijs die ik ernaar vroeg, vond het een kwestie voor theologen, wat op een cartesiaans standpunt duidt. Hetzelfde geldt voor Pert, die zich weliswaar anti-cartesiaans opstelt maar in een interview toch zegt: 'Er is duidelijk nóg een vorm van energie die we nog niet begrijpen, bijvoorbeeld de energie die het lichaam schijnt te verlaten wanneer het sterft.’ Dat is via een omweg toch weer de scheiding tussen lichaam en geest handhaven!
Damasio waagt zich wel aan een omschrijving. Hij maakt het begrip geest fysiek door het te koppelen aan het vermogen van de hersenen 'om inwendige voorstellingen op te roepen en die voorstellingen in een proces dat wij denken noemen, te ordenen’.
Inwendige voorstellingen: er galmt ineens een duizelingwekkende ruimte in mijn oren. Ik moet denken aan Octavio Paz, die schreef: 'Het universum is niet buiten ons, maar in ons.’ Hoeveel schrijvers en dichters voor en na hem hebben zich niet in zulke bewoordingen uitgedrukt en de binnenkant van het lichaam voorgesteld als een ruimte? En het hart, vooral het hart blijkt daarbij telkens weer de mooiste mentale voorstellingen te kunnen genereren.
Zoals bij de voorstelling van de geboorte, door de dichter Jacob Groot: 'Op het mystiekste ogenblik, achter het heilige geheim der geheimen, in het verborgene van de schoot, begint het, als door een goddelijke adem aangeblazen, plotseling te slaan. Het hart slaat, dus het bestaat. Er is geen beeldspraak, geen symboliek. De taal van het slaan en bestaan is een en dezelfde. Het is het slaan van het bestaan en de slag om het bestaan. Andermans bloed pept spiertjes op. Piepklein is alles, want alles is er. Alleen ik ben er nog niet. Ik kan nog niet zeggen: ik sla, dus ik besta.’
Het lichaam als ruimte, als vat van alle mogelijkheden. Sommigen hanteren het mes in de hoop er een glimp van op te kunnen vangen. En vinden een spier die opspringt in het vuur.