Ik slet op zoek naar diversiteit

Vlak nadat Sylvana Simons Artikel1 had opgericht, belde ze filosoof Simone van Saarloos op. Ze wilde praten, had een plan en Van Saarloos paste daarin: ‘Ik vreesde haar plan, maar het feit dat er een plan was, maakte me blij.‘

Elk verhaal begint met een omslag.

Op 9 november vier uur ’s nachts lag ik wakker in bed. Even was ik die avond op de Amerikaanse verkiezingsnacht in de Melkweg te Amsterdam. Ik had op een podium gezeten, samen met schrijver Kluun, pratend over vrijheid. Het was een raar gesprek. Onder het kopje vrijheid kun je veel bespreken – van feestende dj’s op Ibiza tot de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Te ruw samengesteld, maar daardoor ook wel leuk. Op de grote schermen rondom ons verscheen een filmpje van Maya Angelou tijdens de inauguratie van Bill Clinton in 1993. Angelou droeg haar befaamde gedicht voor.

De interviewer zag terecht een bruggetje tussen poëzie en politiek en vroeg: wil jij de politiek in? Ik bleef stil. De interviewer vroeg het ook aan Kluun.
Hij begon te lachen, hell no.

Medium anp 50146095simone
Nederlandse Women’s March © ANP/ Evert Elzinga

In mijn stilte dacht ik aan een gesprek, een paar weken eerder, tijdens een etentje. De aanwezige gasten, vijf mannen en twee vrouwen, hadden gevraagd: ‘Wil jij niet de politiek in?’ Ik keek langs de wijnglazen naar de boekenkast achter de eettafel, kaft aan kaft op een rijtje gezet. Alfabetisch geordend. Op de ruggen stonden vooral non-fictietitels, boeken vol meningen. Ja noch nee was een eerlijk antwoord. Politiek voelde ik me al lang. Maar de politiek? Not so sure.

‘Nee’, zei ik. ‘Ik wil de politiek niet in.’ Gelukkig zaten er drie mensen in de zaal.

Ik verliet het verkiezingsfeestje voor het op gang kwam. Ik wilde wel blijven, maar ik voelde me grieperig en op momenten van kwetsbaarheid is het meestal moeilijk om in de buurt te zijn van mensen die zijn ingehuurd om te grijnzen als entertainment. Zeker wanneer je je eigen kwetsbaarheid zelf het liefst zou overschreeuwen.

Hoewel ik, dankzij mijn Amerikaanse paspoort, voor 1/138,884,641ste verantwoordelijk was voor de uitslag wilde ik vooral naar bed. Het nieuws zou morgen ook nog verrassend zijn. Thuis zette ik mijn telefoon uit en trok de deken tot mijn kin, maar slapen ging niet. Een donkere streep zakte uit het plafond. Ik ging op mijn zij liggen, maar de donkere streep had zich uitgebreid en was ook rechts van mijn kussen. Links eveneens. De paracetamol dempte mijn hoofdpijn maar niet mijn besef. Ik zag mezelf liggen. Eerst in mijn kamer, daarna in de straat, in de stad, in het land, in de wereld. Ik voelde me daardoor niet klein of nederig, maar juist groots en verantwoordelijk in mijn naïviteit. Ik wist het: Trump gaat winnen. Ik zette mijn telefoon weer aan. Niet voor de uitslagen, want die zouden nog urenlang binnenstromen en onzekere hoop scheppen. Het was tijd om steun te zoeken en elkaar in te praten dat morgen nog de moeite waard was. Ik wilde niet gaan slapen, maar ik wilde ook niet wakker worden. Het voelde onverdiend om wakker te worden terwijl we al maanden hadden verzuimd om werkelijk wakker te schrikken. Hoop had verstandig en gezond en rationeel gevoeld, nu voelde het misdadig.

Mijn geliefde sms’te: we hadden samen in bed moeten liggen. Ik had dat geweigerd omdat ik de griep niet wilde verspreiden of verergeren. Omdat ik morgen beter wilde zijn. Fris, had ik gezegd. ‘Ik wil morgen graag fris zijn’, had ik uit kwetsbare onmacht gesproken.

Uit onmacht, begon ik te schrijven. Het werd een gedicht in het Engels, getiteld ‘From Bed, First World Location’. Over de wens om in bed te liggen en een deken over je hoofd te trekken. Over hoe het in bed liggen geen zin heeft, als je wilt ontsnappen. In bed liggen is geen onwereldse bezigheid. Het bed hoort in de wereld en de wereld hoort in bed.

De hele nacht dacht ik aan alle nachten dat ik niet had wakker gelegen.

Een paar maanden later kreeg ik ineens Sylvana Simons aan de lijn. Sylvana had net de politieke partij Artikel1 opgericht en wilde graag even praten. We hadden elkaar nog nooit ontmoet of gesproken. Ze had een plan en in dat plan paste ik. Ze waarschuwde mij dat ze zich koppig zou opstellen, mocht ik het daar niet mee eens zijn.

Ik vreesde haar plan, maar het feit dat er een plan was, maakte me blij. Te lang had ik nu vertrouwd op een natuurlijk ‘goed’ verloop. Hoewel ik voor verandering ben, en vlugge ook, zou het zo’n negatieve vaart niet lopen. Mijn vertrouwen bleek op weinig gebaseerd. Een plan, welk plan dan ook, leek me sowieso op meer gebaseerd dan vertrouwen.

Het moest vlug, dus twee dagen later zat ik tegenover Sylvana aan tafel. Medeoprichter Ian van der Kooye in een oranje fleecetrui, zij in een leren jack. Sylvana maakte haar plan bekend en vroeg me om bij Artikel1 op de lijst te komen. Ik stelde vragen, ik wilde veel weten, maar in mij gilde het nee. En hoe meer het ‘nee’ gilde, hoe meer ik wilde weten, want wie nee weet, heeft alle ruimte. Een arts vragen stellen wanneer je kerngezond bent, gaat immers ook makkelijker dan wanneer je wel ziek blijkt te zijn.

Nee, ik ga het niet doen, dacht ik. Ik ben als schrijver meer een slet dan een blijver. Ik haak graag even aan. Hoor, zie, proef alles, verbind voor even en juist omdat de tijdspanne kort is, ervaar ik intensief.

Maar Sylvana vertelde iets over de kandidatenlijst en het trof me. Laten we zeggen dat het besef weer uit het plafond zonk. Het café waar we zaten had een heel hoog plafond – type loodshal –, dus ik zag het wat laat, maar een streep van inzicht drukte op mijn ogen en dwong me anders te kijken. Zoals ik eerder Trump voelde triomferen nog voor het officieel was beklonken, zag ik nu de lijst van twintig kandidaten voor me. Elf vrouwen, de helft LHBT, diverse achtergronden, zowel wat opleiding als geboortegrond betreft. En drie vrouwen aan het roer.

Het trof me. Ik slet namelijk op zoek naar diversiteit. Ik wil best blijven, maar naast het blijven moet ook altijd ruimte zijn voor een gaan dat me bij nieuwe vormen brengt. Het sletten komt niet per se voort uit een angst voor stilstand, maar rust op een verlangen naar verschil. Sletten gaat voor mij niet over het idee dat de geliefde ‘niet goed genoeg is’. Geen mens is te weinig. Het gaat juist over het gevoel dat ieder mens zo verrassend veel is dat ieder mens het leren kennen waard is. Juist omdat ieder mens zoveel is, blijf ik benieuwd.

Tegen mijn plotse weten in, zei ik: ‘Je wilt mij echt niet in de politiek. Ik twijfel veel te veel.’

‘We vragen je juist om die twijfel.’

Nu was ik het de gewenste twijfel verplicht om niet meteen ja te zeggen. Ik belde een dag later om alsnog ‘ja’ te zeggen: ik doe mee met een partij die voor het eerst in de geschiedenis een zwarte vrouw als lijsttrekker heeft. Een zwarte vrouw die dat benoemt. Niet omdat haar verschil ten opzichte van de anderen genoeg is om het anders en beter te doen, maar omdat haar verschil ten opzichte van de anderen haar aanspoort om het anders te doen.

Nadat ik ja had gezegd, begon ik alsnog te twijfelen. Weer belde ik Sylvana. Het was laat op de avond, een zaterdag. Ik fietste richting een feestje, het regende. Ik ging extra rondjes fietsen om niet naar binnen te hoeven en langer met haar aan de telefoon te hangen. Steeds gleed ik langs dezelfde eettentjes in een zijstraat van de Damstraat. Indonesisch, Vietnamees, Chinees, kebab, Surinaams, wafels en Nutella in de etalage, en dan opnieuw. Dit is niet om te bewijzen hoe divers de stad is. Ik had gewoon honger en kreeg in alles zin. Ik wist dat ik maar één iets op kon, maar de mogelijkheden maakten me blij. Het benadrukte: jij gaat nooit tevreden zijn.

Mensen vragen mij de laatste tijd: ‘Is het zwaar?’

Let even op het woord ‘zwaar’. Voorheen als ik geen tijd had om mijn vrienden te zien, vroegen zij: ‘Heb je het druk?’ De keuze voor het woord ‘zwaar’ heeft duidelijk met de verkiezingscampagne te maken. Drukte is ook nooit een probleem voor mij. Wanneer ik het druk heb, is dit meestal omdat er zoveel zaken zijn waaraan ik me wil verbinden. Het is mijn ideologische sletten-aard. Als Wilders zegt dat hij debatten afzegt omdat hij alleen leuke dingen wil doen, zeg ik: ik wil alleen maar zware dingen doen (en ja, de mogelijkheid om lichte klusjes af te slaan is een privilege en komt voort uit economische zekerheid).

Dus ja graag, het is zwaar. Maar ik voel mij licht. Dat komt door de twintig Artikel1-kandidaten waarmee ik voortdurend contact heb. Ik wist helemaal niet dat het mogelijk is om je zo te laten dragen. Delegeren bestaat niet op het moment dat je voor hetzelfde doel gaat met de inzet van diverse, verspreide kwaliteiten (en gebreken). Delegeren – de taken verdelen – is dan geen managen meer, maar een proces van knallende balans. ‘Ik ben hier’ en ‘Ik sta hier’ eist een bundeling van de ruimte en laat dus altijd ruimte over. Er ontstaat alleen ruimte waar ruimte duidelijk wordt ingenomen. Een bescheiden of excuserende houding daarentegen neemt nergens duidelijk plek in en sijpelt daarom overal door. Wie de schouders nonchalant ophaalt of de handen onschuldig omhoog steekt en zegt ‘Ik doe gewoon mijn werk’ ontkent zijn invloed. Gewoon is geen begrip op een plek waar de ruimte divers wordt gedeeld en werk is geen opdracht van een baas. Werk is geen excuus voor de beweging die je (niet) maakt. Are you doing your work? vroeg de Amerikaanse ‘black, lesbian, mother, warrior, poet’ Audre Lorde. Ze bedoelde niet: ben je wel productief? Je werk is de betekenis die later vormt.

Is het zwaar? Op maandag 6 maart deed ik mee aan een debat waaraan ook kandidaten van de VVD, het CDA, PvdA en Groenlinks deelnamen. Wij de politici (in spe) zaten op een ongemakkelijk rijtje, ideologisch van links naar rechts. Ik zat aan de uiterste zijde. De VVD’er sloot de halve cirkel. De hoge barkrukken eisten dat onze knieën elkaar raakten en dat de CDA’er, die een rokje droeg, haar benen onhandig bijeen moest houden. Ik zag haar dijen trillen van de spierspanning. Ik gaf het onbeholpen zitten al gauw op en ging achter de kruk staan. Zo kon ik af en toe mijn handen op de zitting leggen en een beetje voorover leunen, alsof de kruk een bok was in de gymzaal en ik eroverheen ging springen.

De presentator zette de huisregels uiteen: ‘Ik ben vanavond de baas.’ Het materiaal bekrachtigde zijn autoriteit: hij had zijn eigen microfoon, terwijl wij kandidaat-Kamerleden één microfoon deelden. Het fijne aan deze gedeelde microfoon was dat de politicus aan het woord niet kon worden onderbroken. Het vervelende aan het delen van een microfoon was dat je de ander niet kon bevragen of aanvullen. Betoog om betoog, was de opzet.

Het Carré-debat de avond daarvoor kwam ter sprake. Ik zei dat ik huilend voor de televisie had gezeten. Ik moest huilen omdat ik naar zeven lijsttrekkers keek: allemaal man, witte huid, in pak met stropdas. Marianne Thieme droeg fuchsia. Ik moest huilen omdat het drie dagen later Internationale Vrouwendag zou zijn, omdat de vrouwen op de lijsten van de grote partijen een eigen, apart debat kregen, ‘first ladies’ werden genoemd, en omdat we ondanks deze segregatie niet gesegregeerd leven. Wat samenleven heet, lijkt voor vrouwen soms meer op ‘meedoen’. Ik moest huilen omdat het de hele avond over onze lichamen ging. Onze lichamen: vrouwen, LHBT, moslims, migranten, zorgbehoevenden. Hoe er over onze lichamen heen politiek werd bedreven. Hoe geen van hen het lichaam was dat hij besprak. Van bijna honderd jaar kiesrecht had ik wat meer verwacht.

Ik nam het woord ‘lichaam’ in de mond en de presentator proestte ‘lichaam?’.

Hij sprak het woord lichaam uit alsof hij zelf geen lichaam was.

Lichaam, herhaalde ik. Het debat ging over lichamen, veelal onzichtbaar gemaakt achter begrippen als moslims, vrouwen, homo’s, vluchtelingen, maar achter elk zo’n woord zitten vele, vele lijven. Samenleven gaat over lijven.

Stel: Rutte was je broer en hij had daar, op het podium van Carré, zo over jou staan praten. Over jou, niet met jou. (Deze vergelijking voelt wat wrang, omdat Rutte niet met zijn vroeg overleden broer over diens homoseksualiteit en hiv sprak en Wilders zijn broer hardnekkig blockt op Twitter.) Stel dat Rutte het niet alleen over jou heeft, maar ook over jouw leven beslist. Hij zegt waar je moet wonen en moet werken, hij steekt zijn duim naar je op wanneer hij vindt dat je het goed doet en roept ‘pleur op’ als hij vindt dat je je stom gedraagt. Hij is dus eigenlijk zoals de broer of vaderfiguur in een klassieke tragedie. Zijn mening en macht doen jou niet alleen psychologisch pijn, hij bepaalt ook heel direct wat je wel of niet kunt doen. De pijn van klassieke personages zoals Antigone, Medea en Oedipus wordt daarom nooit alleen maar psychologisch beschreven. Die pijn is altijd politiek. De pijn, en de strijd om die pijn te stoppen, te verminderen of te wreken, heeft altijd een groot effect. Niet alleen de direct betrokkenen zijn de dupe. De hele familie, het volk, verschillende volken of zelfs de goden ondervinden hinder; ondervinden de veranderingen die klein begonnen.

Artikel1 is geen groep mensen die het ‘over’ een groep mensen heeft. Wij zijn een partij van lijven die de behoeftes, verlangens, frustraties, beperkingen en mogelijkheden van de eigen lijven voorop zetten.

Juist daardoor raken we niet in onszelf opgesloten. Door zelf te zijn wie je bent, raak je verbonden met de ervaring van anderen. Juist wanneer je jezelf als leidraad neemt, ontstaat er ruimte voor verbinding. Alleen een politicus die haar of zijn eigen lichaam voelt, kent, ziet en bewust presenteert, heeft ruimte voor jouw lijf. Wie haar eigen ruimte inneemt, heeft altijd ruimte over. Wie eerst zichzelf ervaart en voelt, vindt in een zinsnede als ‘vol is vol’ geen enkele betekenis. Er ontstaat alleen ruimte waar ruimte duidelijk wordt ingenomen.

Jouw pijn is niet alleen jouw pijn. Jouw pijn is de onze.

Jouw genot is niet alleen jouw genot. Jouw genot is het onze.

Sinds wanneer en waarom zijn emoties zo persoonlijk geworden dat ze alleen nog iets over jou en over jou alleen zeggen? Het persoonlijke is politiek was nooit bedoeld om de politiek makkelijker te maken. Het persoonlijke is politiek betekent niet dat het politieke domein geen inzet vergt. Het persoonlijke is politiek betekent dat het persoonlijke niet alleen jou aangaat.

Onlangs zat ik tegenover een interviewer aan tafel. Ze bracht een fragment op uit mijn Zomergasten-aflevering. Tijdens de drie uur durende uitzending had ik een stukje Kill Bill getoond. Hoofdpersonage Beatrix Kiddo ligt in het ziekenhuis, in coma en met een verlamd onderlichaam. Maandenlang wordt zij seksueel misbruikt door de verpleger. Hij verkracht haar en verkoopt haar lichaam aan geile klanten.

De interviewer vroeg mij wat ik zo pijnlijk vond aan dit fragment. Ze wist dat ik als tiener een tijdje in een rolstoel heb gezeten omdat ik mijn benen nauwelijks nog kon bewegen. Een plotse handicap, die na twee jaar weer vrij miraculeus verdween.

De interviewer wilde weten hoe ik dat had ervaren. ‘Machteloos’, zei ik. En precies daarom had ik dit fragment voor Zomergasten uitgekozen. In deze paar minuten *Kill Bill *zag ik twee vormen van machteloosheid verweven. Eén: die van de vrouw. Het misbruik waar haar lichaam mee te maken krijgt. Twee: die van de zorgbehoevende. Hoe afhankelijk van anderen een onmachtig lichaam is.

De interviewer kapte me af. ‘Ik wil weten hoe jij je hierover voelt.’ Ik antwoordde dat ik haar nu juist heel precies aan het vertellen was wat dit fragment bij mij oproept. Deze twee vormen van machteloosheid samen, vond ik beide uiterst herkenbaar.

En nee, mijn gevoel van machteloosheid verblindde niet. Het hielp me zien. Ik ervoer een dubbele herkenning. Bij het ziekenhuisbed en bij haar slappe benen. En ook bij de wijze waarop de verpleger haar vrouwelijk lichaam achteloos aanpakt ten behoeve van zijn eigen genot. Omdat ik twee keer eenzelfde pijn en woede ervoer, kan ik een verband leggen tussen de twee verschillende situaties van machteloosheid en zien wat er gebeurt wanneer machtsverschil geweld opwekt.

En toch wilde de interviewer iets anders horen. ‘Je praat over seks, je praat over taboes en je durft in een boerka de straat op om erover te schrijven, maar je wilt niets over jezelf kwijt.’ ‘Je hebt net drie dingen opgenoemd die veel over mij zeggen’, antwoordde ik, geërgerd omdat ik mezelf wijsneuzerig vond klinken. Maar zij vond dat persoonlijk iets anders betekende. Ik probeer me voor te stellen wat dit moet zijn. In ieder geval een emotie of pijn of verlangen of situatie die je niet in Griekse tragedies ziet, want al die emoties of gebeurtenissen zijn altijd óók politiek.

Misschien zou ik de interviewer tevreden krijgen als ik haar een ander soort gevoel voorschotelde. Een gevoel dat diende te worden opgelost door aan mezelf te werken. Zoals: ‘Ik moet een trauma verwerken omdat ik misbruik heb meegemaakt. Ik ben boos over X of Y, help mij.’ Maar voor mij is de persoonlijke ervaring niet bedoeld om persoonlijke groei te bereiken. Voor mij is de persoonlijke ervaring altijd ook een teken van wat er gaande is in mijn straat, de stad, het land, de wereld. Dat die verwevenheid een gecompliceerder, langer gesprek oplevert dan de oplossingsgerichte psychologie van ‘ik voel A en ik wil B’, is bijkomstigheid. Ik wil niemand vervelen met langdradig moeilijk doen. Maar ik wil je zeker niet vervelen met versimpelingen, bedoeld om het hoofd koel te houden, om uiteindelijk hete woede op te wekken omdat de versimpelingen niet waar blijken te zijn.

Terug naar maandagavond 6 maart, een dag na het Carré-debat.

Mijn collega’s en ik kregen de hele avond stellingen voorgelegd en moesten dan reageren met ‘Eens’, ‘Oneens’ of ‘Geen mening’. Daarna mochten we het een en ander toelichten. Mijn collega’s beantwoordden iedere stelling braaf. Helaas. Want een afgebakende stelling leidt tot afgebakende antwoorden. Hadden we het over een bindend referendum en of dit moest worden ingevoerd, dan zeiden ze: oneens. Ik zei eens. Niet omdat ik vind dat bindende referenda moeten worden ingevoerd, maar omdat ik de microfoon wilde om de vragen rondom deze stelling op te werpen: het ideaal van een bindend referendum impliceert dat politiek een belangrijke rol gaat spelen in onze dagelijkse levens. Een referendum alleen kan nooit het middel zijn, want het blijkt dat de meeste mensen nauwelijks tijd of interesse hebben voor of in de onderwerpen die op tafel liggen. De vraag wel of geen referendum is wat mij betreft niet zo interessant. Het is interessanter om te kijken hoe burgers dagelijks actief kunnen zijn. Bijvoorbeeld door kortere werkweken in te voeren, zodat men meer tijd over heeft om maatschappelijk te leven. Wie een referendum wil, wil toch eigenlijk een meer bottom-up-structuur? Dan moet je denk- en bewegingsruimte creëren voor de bottom.

De presentator vroeg met geheven vinger of Artikel1 geen beperkte partij was, een one-issue-partij, met name gericht op het tegengaan van discriminatie? Ik heb liever een zogenaamde one-issue-partij die de wereld holistisch bekijkt dan een partij die de wereld in portefeuilles opdeelt. Elk begin vindt plaats dankzij een omslag. Het verhaal van Adam en Eva en de appel zou niet zijn verteld als Eva niet in de appel beet. Hoe zit het met het einde?

Enkele dagen geleden kwam Koma naar Nederland. Ik ken Koma uit het rugbyteam in New York City. We speelden een seizoen samen. Nu had ze een overstap op Schiphol en we spraken af om te lunchen. Koma’s ouders vluchtten uit Sierra Leone naar de Verenigde Staten. Zoals iedere middleclass American begon Koma haar werkend leven in de min. Zodra ze haar studieschuld had weggewerkt, startte ze een nieuwe studie, in de hoop op een betere baan. Ze werkt nu bij een bank en in haar vrije uren coacht ze het rugbyteam van de US Navy. Zij zelf was jarenlang officier bij de marine. Koma voelt zich bedrogen door het land dat ze heeft gediend. Ze belt nu bijna dagelijks met lokale bestuurders, in de hoop Trump’s ‘unamerican policy’ te bemoeilijken. Voorheen droeg ze liever bij als ontwrichtend element binnen het systeem (op haar werk was zij twintig jaar geleden de enige vrouw, en zwart bovendien), nu heeft het systeem haar moreel gezien buitengesloten. Ze lijkt er zelf verbaasd over – ‘Ik heb gedemonstreerd, met de Women’s March.’ Ze zegt het verontschuldigend.

‘Ik heb het gevoel dat het 1963 is.’

Waarom?

‘Omdat er toen een burgerrechtenbeweging op komst was, omdat er toen allerlei vrijheden veroverd dienden te worden.’ Het verleden is niet terug te halen. En dat moeten we ook niet willen. Het great ‘again’ van Trump en het Nederland dat ‘weer’ van ons moet zijn zoals Wilders voorstelt, verwijst naar een verleden waarin vrouwen, LHBT’ers en gekleurde burgers pure ‘anderen’ waren en nauwelijks rechten hadden.

En toch vind ik het prettig dat Koma niet aan de (Europese) jaren dertig of de (Amerikaanse) tuttige jaren vijftig denkt, maar aan een jaar vlak voor een grootse morele en sociale revolutie. Volgens haar zijn we 54 jaar terug in de tijd, maar wel vlak voor een moment van omslag.

En let wel. Een omslag op het einde beduidt dat het einde geen einde is, maar een begin.