Verzet ’40-’45

‘Ik sliep nooit in een pyjama’

Nationale Dodenherdenking staat dit jaar in het teken van het verzet. Slechts een enkeling kan het nog navertellen, zoals Henk van Gelderen, die weigerde zich als jood te laten registreren en de illegaliteit in rolde.

Medium 16 jonge 8
roeien op de Amstel; de ‘jonge acht’ van De Amsterdamsche Studenten Roeivereeniging Nereus, met als stuurman Henk van Gelderen, begin 1940; © foto’s Privé-archief

‘Het blijft lastig om uit te leggen hoe het écht was’, zegt Henk van Gelderen. Decennialang sprak hij nauwelijks over de oorlog. Het is enkele jaren geleden losgekomen toen hij voor het project Open Joodse Huizen en Huizen van Verzet in Amsterdam werd gevraagd om in het studentenhuis van zijn dispuut Unica zijn uitzonderlijke relaas te vertellen. Op 4 mei zal hij in zijn woonplaats Enschede aanwezig zijn bij Ik verzet, een theatervoorstelling door kinderen op basis van interviews, met onder anderen hem.

Van Gelderen zit ontspannen op de bank, een charmante heer die het graag bij de feiten houdt. Aan romantiseren van de oorlog heeft hij een hekel. Daarom gaat hij nooit naar films, zoals Bankier van het verzet die nu in de bioscoop draait. Of naar de musical Soldaat van Oranje. Romans over de oorlog zijn ook niet aan hem besteed. ‘Fictie is vertekenend, ik houd niet van tranentrekkende verhalen. De werkelijkheid was leuker of erger.’

Zijn echtgenote, Beryl van Gelderen-Menko, komt zo nu en dan binnen met koffie en cake. En misschien ook om te peilen of al dat gepraat niet te vermoeiend voor hem is. Hij is bijna 97, hoewel daar weinig van te merken is. Hij is energiek en zijn geheugen is haarscherp. Ze wonen nog altijd in het huis dat zij in 1957 betrokken en waar hun vijf kinderen zijn opgegroeid. De modernistische villa is ontworpen door architect Hein Salomonson; hij was een van de onderduikers die onder de hoede vielen van Van Gelderen. Het huis staat op het terrein van de voormalige Stoomweverij Nijverheid, het textielbedrijf van zijn familie dat in 1877 werd opgericht door zijn grootvader, Marc van Gelderen. Rond de eeuwwisseling stapten diens vier zoons, waaronder Henks vader Lodewijk, in het bloeiende familiebedrijf waar bedrukte stoffen, glasgloeikousjes, lasdoppen, technisch porselein, kunstleer en grammofoonplaten werden gefabriceerd. Grootvader was een vooraanstaand figuur binnen de joodse gemeente en bezocht trouw de synagoge. Op vrijdagavond kwam de hele familie in zijn huis samen om kippensoep en noedels te eten.

‘Een gezellige kliek, er schoven ook andere families aan. Alle vier kleinzoons van mijn grootvader deden bar mitswa. Vooral uit piëteit met hem, de pater familias. Mijn identiteit was dus niet zozeer joods. Mijn vrienden kwamen uit textielfamilies, ik zat op de hockeyclub PW en bezocht de Enschedese Schoolvereniging, waar volgens Engels voorbeeld veel aan sport en handvaardigheid werd gedaan. Dat we joods waren, was geen issue. Er was wel een Duitse jongen op school die me bedreigde: “Als we hier de baas worden, hang je aan de hoogste boom.” Maar hij was een uitzondering. Ik zat in een hechte kring vrienden die me beschermde.’

Het Twentse ‘noaberschap’ werkte in de oorlog door; in het openbaar keerde niemand zich van joden af, ze werden volgens hem ‘decent opgenomen’. Toen de Joodse Raad onder voorzitterschap van textielfabrikant Sig Menko onderduiken sterk aanmoedigde (in tegenstelling tot de Amsterdamse Joodse Raad), sprongen de protestante textielfabrikanten voor een deel van de dertienhonderd Enschedese joden financieel in de bres. Ze hoestten op initiatief van textielfabrikant Jan Herman van Heek ruim 240.000 gulden op ter steun van onderduikers die niet beschikten over reserves.

Samen met zijn broer Matthieu probeerde hij na de Duitse inval via de haven van IJmuiden te ontsnappen naar Engeland. ‘De hysterie die daar heerste deed ons terugkeren naar Amsterdam. Wij bespraken met elkaar dat we het samen moesten zien te redden’, zegt Van Gelderen, die inmiddels een jaar economie studeerde en zich volop vermaakte binnen het ‘Westersch Literarisch Gezelschap Unica’, het oudste dispuut van het Amsterdamse studentencorps. Vlak na de mislukte vlucht stond hij weer tussen zijn vrienden met een glas bier in de hand op de steiger van roeivereniging Nereus. Aan de Amstel zagen zij de intocht van de Duitsers met langs de kade juichende mensen. ‘Schokkend! Maar ik dacht net als mijn vader dat het wel zou loslopen. Tegen beter weten in natuurlijk, want in Enschede hadden we sinds de Kristallnacht veel joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk, ook bij ons thuis, en van hen hoorden we vreselijke verhalen.’

De bezetting leek aanvankelijk wel mee te vallen, herinnert hij zich: ‘We studeerden, gingen naar de kroeg en aten bij Die Port van Cleve. Ik was het tweede joodse lid in mijn dispuut, een zeer hechte club, je kende elkaar door en door en ik kon iedereen vertrouwen. Toch spraken we nooit over de bezetting, uit voorzichtigheid. We hadden het vooral over literatuur – heel verheven gesprekken waren dat. Ik had het gevoel dat ik een rollenspel speelde. Met mijn broer kon ik mijn toenemende zorgen delen.’

Medium 36 3 tal
links Henk van Gelderen, midden Lydia Schöffer en rechts Ivo Schöffer in de Achterhoek, 1943 © foto’s Privé-archief

Voor alle joden kwam aan de relatieve normaliteit op 10 januari 1941 abrupt een einde: rijkscommissaris Seyss-Inquart vaardigde de verordening uit dat ‘personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’ zich moesten registreren. Het zou de opmaat vormen van de deportaties die in de zomer van 1942 begonnen. Beide broers weigerden, wat uitzonderlijk was. ‘Enkele tientallen hebben het verdomd. Matthieu zei meteen: “Daar doe ik niet aan mee. Dan ben je gebrandmerkt als jood. Je kunt hoog of laag springen, we krijgen hier hetzelfde als in Duitsland en Oostenrijk.” Hij zei erbij dat ik zelf moest beslissen. Zijn karakter, zijn ratio – ik vertrouwde op zijn oordeel. Ik zag er met blond haar en blauwe ogen bovendien niet uit als een stereotiep joods mannetje. Anders had ik me in het diepste holletje moeten verstoppen.’

Zijn broer. Van Gelderen valt even stil. ‘Ik vond hem een enige jongen. Een fijne kerel. Hij was zeven jaar ouder en ik had hem in Amsterdam pas beter leren kennen. Hij zat volop in de illegaliteit. We woonden tijdens de oorlog in Amsterdam zo’n vijfhonderd meter van elkaar. Samen zorgden we “op afstand” voor onze ouders die in Twente waren ondergedoken.’

De weigering had grote consequenties: ‘Zonder de registratie bestonden we niet meer. Via vrienden van Matthieu kregen we originele persoonsbewijzen, uitgegeven door de secretaris van de gemeente Monster.’ Henk van Gelderen werd Johannes Hendrikus (Jantje) Boers. Door de nieuwe identiteit kon hij niet meer studeren, moest hij zijn kamer opzeggen en verhuizen. ‘Mijn broer had gezegd: “Wegwezen; doe dat de mensen niet aan, dan gaan ze zich verspreken.” Toen ik tegen mijn hospita zei dat ik vertrok, begon ze te huilen. Tegen mijn dispuutgenoten moest ik ook zeggen dat ik niet meer degene was die ik was.’

De lange jaren die volgden zouden een scenario van een film kunnen zijn. Van Gelderen raakte diep betrokken bij het verzet binnen de groep Rolls Royce (zie kader). ‘Als je terugkijkt is het een grote, gevaarlijke stap. Maar, zoiets verloopt gaandeweg, telkens een nieuw stapje. En ik had géén keuze.’

Hij rolde erin toen hij introk bij Ivo Schöffer, een dispuutgenoot van Unica (na de oorlog is hij een bekende hoogleraar geschiedenis in Leiden geworden) die met zijn ouders, broer Peter en zus Lydia in Amsterdam-Zuid woonde. Allen deden illegaal werk. Lydia Schöffer, die een opleiding had afgerond aan de voorloper van de Rietveld Academie, vermaakte persoonsbewijzen voor joodse vrienden en verzetsmensen die valse papieren nodig hadden. Zij werd zijn eerste grote liefde. Rond Karel de Vries, een vriend van Ivo Schöffer van het Amsterdamse Montessori Lyceum, en de groep van Het Suykerhofje (Prinsengracht), ontstond een netwerk dat joodse onderduikers hielp en een vluchtroute opzette naar Zwitserland. Van Gelderen had al snel de verantwoordelijkheid over twaalf onderduikers, onder wie Milo Anstadt (de latere schrijver en filmer) en diens familie.

‘Mijn broer vond – evenals de Schöffers – dat je slimmer moest zijn dan de tegenstander, tenminste daar waar je dat kon waarmaken. Hij was heel stellig: je moet niet proberen de Duitsers te gaan bevechten, beter is het om tien mensen te helpen dan één Duitser dood te schieten. Anders krijg je een heel systeem tegen je. Wapens waren bij ons strikt verboden. Iemand die dat wél wilde binnen onze groep ging de knokploeg in, en vond ons slap. Hij was pas zestien jaar, boos en opstandig – ik begrijp dat heel goed. Hij was binnen twee maanden dood. Dat verwijt ik mezelf nog wel eens, dat we hem niet bij de lurven hebben gepakt. Ik heb er wel één kunnen ompraten: Frederik Heldring, de jonge broer van journalist Jérôme Heldring. Hij is later naar Amerika geëmigreerd.’

Medium 25 pb
Een van de vele persoonsbewijzen van Henk van Gelderen © Privé-archief

Dat het verzetswerk riskant was, velen het leven heeft gekost en na de oorlog psychologisch bij de overlevers en hun familieleden heeft doorgewerkt – het blijft onvoorstelbaar. In de loop van de tijd ging de samenleving hen meer en meer als helden koesteren, maar zelf spraken ze sporadisch over het belaste verleden. Meestal stolden de herinneringen tot spannende anekdotes. Zoals Van Gelderen zegt: het is nauwelijks uit te leggen hoe het werkelijk was, het leed, de spanning, de momenten van vreugde.

Om aan persoonsbewijzen te komen, gingen ze bijvoorbeeld uit stelen. ‘We bezochten feesten en partijtjes bij keurige oudere mensen. Zij liepen geen gevaar als ze hun persoonsbewijzen kwijtraakten en een nieuw exemplaar moesten aanvragen. Bij de dames was het eenvoudig om een tasje weg te moffelen en het persoonsbewijs eruit te halen. Bij de heren pasten we een trucje toe. We zeiden dan: “Doe toch je jasje uit, het is hier zo warm.” En dan gristen we de portefeuilles uit de binnenzakken en haalden de persoonsbewijzen eruit. Als een echte beroepsdief waren we trots op onze buit.’

Er is zoveel te vertellen, er zijn zoveel bizarre toevalligheden. Overleven is vooral ook een kwestie van puur geluk geweest. ‘Ik heb een keer langdurig op mijn hurken in een greppel op de heide gezeten met een baby in mijn rugzak terwijl er een patrouille vlak langs mij trok. Die baby was van tevoren in slaap gebracht, ik denk met wat alcohol. De ouders van de baby zaten een greppel verderop. De spanning was om te snijden. Totdat de passeur zei dat de kust veilig was. Ik hield er een volle broek aan over.’

‘Ik speelde continu rollen van vier personen, de kleren lagen op stapeltjes, bij elk stapeltje hoorde een identiteit’

Dit bijna-drama vond plaats in 1943, toen hij tijdelijk verbleef bij een vriend in Nijmegen waarmee hij in zijn studententijd in een strijkkwartet speelde en die daar in het ziekenhuis co-schappen liep. Met deze Pieter Haverkamp hielp hij joden met hun vlucht naar België en Frankrijk. ‘Via koerierster Ineke Boks bracht ik hen vanuit Nijmegen naar de Belgische grens. Toen Pieter Haverkamp naar Parijs verhuisde, kwam hij in contact met Nederlandse jongens die in de regio Bordeaux aan de Atlantikwall werkten. Als ze verlof kregen, bleven ze in Parijs hangen, in plaats van naar Nederland door te reizen. Haverkamp bood hun geld voor hun verlofpapieren. Op die papieren konden mensen uit Nederland tot aan Bordeaux veilig reizen. Dan moesten ze nog alleen maar een passeur hebben om de Spaanse grens over te gaan. Hij heeft dat wel zo’n twintig keer voor elkaar gekregen.’

Of een keer een reis met de trein, die hem bijna noodlottig werd. ‘Op weg naar Haarlem werd ik door twee SD’ers eruit gehaald. Ik had een verband om mijn hoofd omdat ik eczeem had. Ze voerden me naar de eersteklaswachtkamer en zetten me aan een tafeltje. Ik dacht: dit wordt mijn einde. De eerste vraag was standaard: wie ben je, waar kom je vandaan en waar ga je naartoe? Daarna moest je alles wat je bij je had op tafel leggen. Maar ze vroegen me eerst nog waarom ik een verband om mijn hoofd had. Ik ben gaan acteren: ik heb, heel vervelend, eczeem maar het gaat al een stuk beter, wilt u het zien? Einde gesprek. Ik kon gaan. In mijn rugtas zaten behalve wat schoolboeken duizenden francs, persoonsbewijzen en Ausweisen voor Bordeaux. Spullen die ik van Pieter Haverkamp had gekregen en moest afleveren in Haarlem. Het bleek dat een knokploeg drie kwartier eerder in Amsterdam-West een distributiekantoor had overvallen. Daarbij was geschoten en enkelen waren gewond geraakt. Er was dus een bevel geweest om in een kring rond Amsterdam iedereen op te pakken die een verwonding had.’

Terwijl Van Gelderen een dagtaak had aan regelwerk voor onderduikers zag hij zelf geen reden om onder te duiken: ‘Ik had namelijk voortreffelijke papieren, van verschillende personen. Overdag was ik Johannes Broers, zestien jaar, geboren in Batavia. Een jongetje uit Indië, in een korte broek en met een rugzak op. Ik had een kinderlijk gezicht en schoor mijn benen. Mijn rugdekking voor als ik werd aangehouden was goed: ze konden dan iemand bellen die kon zeggen dat ik daar woonde. ’s Avonds had ik de papieren van een ziekenverpleger. Ik speelde continu rollen van uiteindelijk vier personen, de kleren lagen allemaal op stapeltjes in mijn kamer, en bij elk stapeltje hoorde een identiteit die ik me eigen had gemaakt. Als er plotseling een razzia was, liep ik nooit weg. Dat zou opvallen. Ik bleef er gewoon bij kijken, als iemand die nieuwsgierig was. Ik keek ook om feiten te verzamelen.’

Was dat niet eng? ‘Alles was eng’, zegt hij bondig. ‘We stonden permanent onder hoogspanning. Maar huilen was er niet bij, we hebben vooral heel veel gelachen. Er was ook alcohol in het spel, om de spanning weg te werken. Ik dronk overigens niet veel. Wel heb ik heel veel gerookt, we konden in de illegaliteit alles regelen. We kregen bonkaarten van de knokploegen, aan hen gaven we weer documenten – het was één grote ruilhandel. Een fietsbriefje in ruil voor een paar sigaretten, dat type ongelijkheden gold toen.’

En ja, hij was bang om gepakt te worden. ‘Altijd, bij ieder geluidje, dag en nacht. Ik sliep nooit in een pyjama. Ik ging nooit naar bed zonder dat ik precies wist waar alles lag en wat ik aan moest doen. Dat moest dan in twintig seconden. Ik had een draaiboek dat me dag en nacht alert hield. Veel personen spelen vergt veel van je zenuwen. Het is beklemmend, leef ik wel volgens de regels, je was je permanent bewust van wat je deed en zei. Hoe je kijkt, je moest eigenlijk zo vlak mogelijk zien te leven en je rol consequent spelen. Na de oorlog heb ik in Enschede veel toneel gespeeld en geregisseerd.’

In de loop van de oorlog zou het dilemma over de kosten en baten van het gebruik van geweld toch opspelen. Het betrof maar liefst het bombardement op 11 april 1944 op Kleykamp, het gebouw in Den Haag waar de bevolkingsadministratie van het ministerie van Binnenlandse Zaken was gevestigd en waar alle duplicaten van de persoonsbewijzen opgeslagen lagen. Verzetsgroep Rolls Royce speelde daar een cruciale rol in. Een van hun sleutelcontacten was graaf Pierre d’Aulnis de Bourouill, die in juni 1943 als verbindingsman voor Londen boven Nederland werd gedropt. ‘Een geweldig kleurrijke kerel. Tot het einde van de oorlog stond hij met Londen in verbinding om allerlei berichten door te geven. Op ons aandringen heeft hij de regering in Londen zo ver gekregen om het bombardement uit te voeren.’

Daarbij kwamen 59 mensen om het leven. Het hoge aantal doden leverde na de oorlog veel kritiek op. Bovendien zaten er onder de slachtoffers ook verzetsmensen. Van Gelderen blijft niettemin het bombardement verdedigen. ‘Ja, het heeft slachtoffers gekost’, zegt hij. ‘Maar het heeft ook honderden mensen het leven gered. Na het bombardement kon je veel moeilijker achterhalen of iemand valse of echte papieren had.’

Aan de bevrijding in Amsterdam heeft hij geen bijzondere herinneringen: ‘Ons kringetje deed niet mee aan de grote feesten, we zaten te veel met onze gedachten bij mensen die er niet meer waren. We keken elkaar in de ogen: hoera wij zijn er nog, hoe zie je eruit? We leverden ook een stukje nazorg aan de familie van mensen die er niet meer waren, dan kun je niet aju zeggen. Ik had bovendien mijn handen vol aan mezelf.’

Het verzet en het geld

Eind 1943 kwam er een samenwerking tot stand tussen de zogeheten ‘vrije groepen’ die niet waren aangesloten bij de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en anders dan de LO juist gespecialiseerd waren in hulp aan joodse onderduikers. Behalve met bonkaarten, valse papieren en geld hielpen ze elkaar met informatie over opgepakte onderduikers en kameraden en het identificeren van verraders. Deze activiteiten breidden zich na Dolle Dinsdag (5 september 1944) snel uit en er ontstonden twee organisaties met elk hun eigen specialisme. De Vrije Groepen Amsterdam (VGA), onder leiding van SDAP’er Jan Willem Rengelink, concentreerde zich op de hulp aan joodse onderduikers. In deze organisatie zaten 41 groepen en zeker 350 werkers – waarvan maar liefst twintig procent met een joodse achtergrond.

De tweede organisatie, Rolls Royce, intensiveerde de spionageactiviteiten en zette een landelijke koeriersdienst op, door historicus Loe de Jong de ‘koeriersdienst van de illegaliteit’ genoemd. Rolls Royce werd geleid door voormalig adjunct-directeur van De Arbeiderspers Fred von Eugen, Karel de Vries en Hugo van der Wiele. Henk van Gelderen en de familie Schöffer waren bij beide organisaties aangesloten. Bij de VGA stonden ze te boek als de groep Tap. Ivo ‘Coentje Pap’ en Henk ‘Jantje Pap’ werden samen met Lydia Schöffer (schuilnaam ‘de reparateur’) belast met de papierafdeling van Rolls Royce.

De VGA en Rolls Royce kregen hun geld voornamelijk van het Nationaal Steunfonds – de film Bankier van het verzet laat zien hoe dat tot stand kwam. Hugo van der Wiele, de financiële man van Rolls Royce, beschikte over een eigen kapitaal. De bron daarvan is lange tijd onbekend gebleven. Henk van Gelderen hoorde na de oorlog dat Hugo van der Wiele samen met zijn broer de familie Menko had helpen onderduiken. Als dank kreeg hij van Bertha Menko-Edersheim geld dat hij voor de illegaliteit heeft gebruikt. Na de oorlog zou Karel de Vries het bedrag specificeren waarvan de groep rond Het Suykerhofje (de groep Karel/VGA) en waarschijnlijk ook andere groepen als Rolls Royce de vruchten plukten. Het ging om anderhalf miljoen gulden.

Van de vier kleinzoons van grootvader Marc van Gelderen was hij de enige die de oorlog overleefde: zijn twee neven zijn in de concentratiekampen vermoord. Zijn broer is als illegaal werker verraden bij Het Suykerhofje; hij werd gedeporteerd naar Sachsenhausen en keerde niet terug. ‘Ik heb me niet verdiept in wie hem heeft verraden. Ik denk: of je nou door pech van je bed bent gelicht of verraden – dat maakt voor de dood geen verschil. Wel wilde ik weten wat er met mijn broer was gebeurd. Ik ben alles nagegaan, heb brieven geschreven naar het Rode Kruis. Veel werk, daar voelde ik me tegenover hem toe verplicht. In oktober ’45 kreeg ik bericht over Sachsenhausen. Later hoorde ik van iemand dat hij vlak voor de bevrijding tijdens de dodenmarsen is doodgeschoten. Dat heb ik voor mijn ouders verzwegen. Je hoeft niet alles te vertellen.’

Last van nachtmerries heeft hij nooit gehad, zegt hij als we er expliciet naar vragen: ‘Mijn ouders waren er nog, ik ben nooit opgepakt en gemarteld. Wel was ik heel onzeker; mijn rollenspel was afgelopen, ik was veel kwijtgeraakt, mijn broer, mijn oude studentenleventje – ik moest helemaal opnieuw beginnen. Ik kon niet meer terug naar de collegebanken, het liefst was ik met mijn geliefde Lydia Schöffer ergens naartoe gegaan. Maar onze verhouding liep ten einde, zij vertrok naar Parijs terwijl de familie in Enschede aan me trok om in het bedrijf te gaan werken. Ik aarzelde. Nog even heb ik samen met Ivo en Lydia gewerkt bij de Falsificatie Opsporings Dienst, want we hadden in de oorlog veel kennis opgedaan van vervalste papieren. Ik heb nog wat gesnoept van het leven in Amsterdam. In feite was ik stuurloos.’

Hij heeft gesprekken gevoerd met de bekende psychiater Louis Tas. ‘Een keer of zes. Nou, toen ben ik alles wel kwijtgeraakt. Ik zat wat te prevelen en had het gevoel dat hij wegdommelde. Op een gegeven moment zei ik ook niks meer, en was ik wel uitgepraat.’

In de loop van 1946 ging hij terug naar Enschede om de zaak van zijn familie op te pakken, samen met zijn vader en zijn oom. Daar wachtte hem een onaangename verrassing. ‘Op een dag ontdekte ik de jodenster in een laatje in het atelier. Het was een klein lapje, een proefafdruk. Ik vroeg het aan een van de oude mensen in de fabriek. Die zei laconiek: “Die hebben wij hier in de oorlog gedrukt toen jij er niet was en je ouders ondergedoken zaten.”’ Deze speciale opdracht – het drukken van 569.355 sterren – kreeg het bedrijf, dat vanaf eind 1941 onder Duits beheer was, in april 1942. Gek genoeg is dit decennialang onbekend gebleven. Historicus Loe de Jong schreef in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog dat de sterren vermoedelijk in het getto van Lódz waren geproduceerd. Uitgerekend zijn familiebedrijf, zo wist Van Gelderen al in 1946, bleek de jodensterren te produceren. Dat kwam hard aan. ‘Het zou de werknemers van de fabriek hebben behoed voor de Arbeitseinsatz. Om die reden heb ik me ermee verzoend.’

Aanvankelijk bloeide het bedrijf weer op. Van Gelderen bleef er directeur tot 1964, het jaar dat het familiebedrijf onder druk van de groeiende concurrentie en gebrek aan eigen middelen na een fusie met Van Vlissingen in Helmond opging in de nieuwe firma Texoprint, later Gamma Holding.

Inmiddels was hij getrouwd met Beryl Menko, telg van de Menko-textielfabrikantenfamilie en kleindochter van Bertha Menko-Edersheim die de financier was van de anderhalf miljoen gulden voor de illegaliteit (zie kader). De contacten met de oude verzetsvrienden zijn altijd goed gebleven. Sommigen, vond hij, romantiseerden die tijd en konden niet tegen de normaliteit. ‘Ze gingen eraan kapot omdat zij het spanningsgevoel wilden volhouden.’ Op den duur ging ieder zijn weg en in de afgelopen jaren was de een na de ander ‘niet meer beschikbaar’. In Twente sprak hij met niemand over zijn oorlogsjaren. ‘De enige met wie ik het had willen delen was mijn broer.’

Onderscheidingen voor zijn verzetswerk heeft hij nooit gekregen. Of eigenlijk: niet willen ontvangen. ‘Dat past niet bij mij. Ik ben erin gezogen – en daar hoef je niet voor te worden beloond. Als je iemand kunt helpen, en je doet dat niet, dan ben je een mispunt. Wat had ik anders moeten doen? Naar Engeland? Mensen die zich vanuit daar lieten droppen boven bezet Nederland, dat vind ik een enorm offer. Daar heb ik nou gigantisch respect voor.’

En dan staat hij op, loopt naar de kast en zegt kloek, na ruim twee uur praten: ‘Het is tijd voor een stevige borrel.’


De theatervoorstelling Ik verzet* in Enschede maakt deel uit van het jongerenproject van Theater Na De Dam waarbij na afloopvan de Dodenherdenking door heel Nederland voorstellingen plaatsvinden*