Ik slik alles

Op weg naar het voorleesavondje passeer ik een bord waarop staat dat Joost Zwagerman en Ronald Giphart optreden. Tegelijkertijd hoor ik hun stemmen op de radio: alles gaat goed, de zalen vol, allemaal leuke jonge meisjes, ja, we mogen wel spreken van een succes.

Ik parkeer mijn auto bij de plaatselijke bibliotheek en loop naar binnen.
Ik bedenk dat ik eigenlijk best wel dood zou willen, maar geen zin heb in lijden en pijn. Gewoon inslapen en niet meer wakker worden. En iedereen moet het begrijpen, maar dan denk ik (niet vergeten straks wat intellectueels te zeggen) aan mijn dochter en besluit ik maar even door te gaan.
Ik word ontvangen, het publiek staart mij aan en ik zie een vol kerkhof.
‘Leuk dat u gekomen bent’, zeg ik.
Ik mag niet beginnen. Eerst is het de beurt aan de columnist van de plaatselijke krant. Ik hoor dat de wethouder een schoft is, dat het milieu kapotgaat, dat de burgemeester niet minder dan een ploert is, dat de stad de vernieling in draait, dat de Obbervaart naar de klote gaat, dat Van Meijering Beetserzwaag denkt dat-ie de hele stad kan regeren, terwijl zijn vrouw een hoer is, en daarna klinkt er applaus.
Ben ik nu? Nee, ik ben niet. Er is een juffrouw die joodse liedjes gaat zingen. Niet één, maar drie. De vrouw geeft bij elk lied een uitleg.
'Dit lied gaat over Moshe die niet naar huis wil terugkeren, omdat hem daar allemaal ellende wacht. Hij bezoekt de Rabbijn en die zegt: “Moshe, overal waar jij bent, heerst ellende. Als jij naar huis terugkeert, wordt jouw ellende niet minder, maar misschien wel de ellende van je kinderen.”(’
'Het tweede liedje is een kolonistenliedje. Er wordt een feest gegeven omdat Ruth gaat trouwen, maar Ruth wil niet trouwen, maar eerst nog vrijen met wat jonge boeren.’
'Het derde liedje gaat over Koning David.’
Ik denk de laatste tijd erg vaak aan de dood, misschien omdat we elkaar beter zijn gaan begrijpen. Verder heb ik overal pijn en ruzie - daar moet een verband tussen bestaan.
'Volgende week treden hier Joost Zwagerman en Ronald Giphart op, maar daar zijn geen kaarten meer voor’, zegt een man.
Misschien ben ik nu. Nee, er is ook een dichter uitgenodigd. Hij is nerveus, dus knik ik hem bemoedigend toe als hij naar het spreekgestoelte loopt.
'De woordloosheid van dat wat wordt/ Excrementen in een verstolde tijd/ Terwijl mijn wanhoop dorst naar explicatie/ Etc. etc. etc.’
O God, ik moet huilen. Ik moet echt huilen, om mezelf. Ik kijk naar de punten van mijn schoenen, veeg mijn bril schoon en weet mijn tranen binnen te houden. Waarom haalt niemand mij weg? Waarom laat men mij hier zitten, zodat iedereen kan zien hoe wanhopig ik ben, hoe mislukt, hoe volslagen overbodig?
'En hoe jij, Miranda, Miranda/ je clitoris in de uitverkoop zette/ waarna hij gekocht werd door mij/ en ik hem verorberde.’
Applaus. Ik zie opeens met mijn geestesoog dat ik bij m'n moeder op schoot kruip. Ik kan haar geur ruiken, zoals ik soms ook nog de geur van haar haar ergens bemerk. 84 is ze nu, en ik durf haar niet te laten weten hoe ik dit leven haat.
'Je bent als Indische jongen altijd tweederangs’, zei mijn vader.
'Wat een onzin’, zei ik.
'Mensen zien je als tweederangs.’
Op het dak van de bibliotheek klettert de regen. 'Gezellig hè’, zegt de man die mij aankondigt. Twee seconden voordat ik naar het spreekgestoelte moet lopen, komt het verdriet weer opzetten. Drank, sigaretten, pillen, ik heb alles al geslikt. 'Hou op met zeuren’, waren de laatste woorden toen ik de deur uit ging.
'Hij is vijfenveertig en in Amsterdam bekend’, zegt de man.
Ik wil heel graag dat God mij ziet en dan een liedje over mij gaat zingen.