Ik sluit mijn ogen

Als God een oog is, wat ziet Hij dan? En wat ziet Hij als Hij naar Zichzelf kijkt?

Dat waren moeilijke vragen. God kon waarschijnlijk alles zien, maar dan moest Hij ook alles weten, want je kunt pas iets zien als je ook weet wat het is. Goed, dan wist God ook alles. Maar als God alles wist en alles kon zien, wat wist Hij dan en wat zag Hij dan precies?
Men had zelf God geschapen, maar als Hij ons geschapen had, hoe zaten wij dan in elkaar en hoe kwamen wij dat dan weer van Hem te weten?
‘Laten we God een mond geven. Wat zou Hij dan zeggen?’
Men luisterde en het bleef natuurlijk stil. 'God zwijgt. Wijsheid is dus zwijgen.’ De waarom-vraag werd belangrijk. Waarom zwijgt Hij, terwijl Hij alles ziet en alles weet?
’?’
Het was een gevaarlijke vraag, want hij leidde tot een gevaarlijke gedachte. Als God alles weet en alles ziet en daarover zwijgt, zijn er twee mogelijkheden: 1) Wat Hij ziet en weet is verschrikkelijk. Of: 2) Hij ziet niets, en weet niets, en kan dus niets zeggen. Dit laatste kon men helemaal niet gebruiken, want anders had men Hem voor niets geschapen.
God en logica - die houden niet van elkaar, terwijl ze elkaar voortdurend een huwelijksaanzoek doen. Het is logisch dat wij Hem geschapen hebben. Het is niet logisch dat Hij dan ook daadwerkelijk bestaat. Maar hoe kan Hij niet bestaan, als wij Hem zelf hebben gemaakt? Een tafel die wij hebben gemaakt, bestaat toch ook?
Als God kan zwijgen kan de mens dat ook. Men besloot over sommige problemen niets te zeggen, of een idioot antwoord te verzinnen, waarin ook allemaal zaken bedacht moesten worden: God weet alles, maar Hij probeert ons uit. Hij wil je op een weg zetten, maar die moet je zelf ontdekken. God is alleen maar liefde, en daarom zegt Hij niets. God houdt ook van jou. Etc.
Toen men er helemaal niet meer uitkwam, verzon men Een Zoon, Een Moeder, Een Heilige Geest, Satan, andere Heiligen, het kon niet op!
Wat ziet God? Wat zien wij? Wat weten wij eigenlijk? We gingen steeds meer zien, naarmate we meer wisten. Er waren zelfs mensen onder ons die meenden dat ze God konden zien. Meestal arme Poolse jongens, of kinderen van katholieke loodgieters, of meisjes die te dicht bij een grot speelden. Deze mensenkinderen werden gekoesterd. Want ze konden ook genezen. Eén op de vijf mensen genas altijd, wat ze ook hadden.
Soms kon het sterker: had je twee mensen van wie er één gezond was, en één ziek en zij wilden beiden genezen worden, dan genas God of Hij/ Zij die God had gezien altijd in vijftig procent van de gevallen.
Flauw? Wij achten dominee Nico ter Linden een groot auteur, terwijl die veel flauwer is en grotere kullekoek opschrijft dan ik. Nico zegt dat hij ook God ziet. Als hij bidt. Dan sluit hij zijn ogen. En dat slikken wij allemaal, al duizenden jaren.
Godsdienst is uit noodzaak een bouwvallige woning waarvan de fundamenten bestaan uit een reeks flauwiteiten waar mensen heel serieus over doen.
Het feit dat de mensen God hadden bedacht, was trouwens ook een stommiteit. Maar doordat ze God bedachten, hebben we nu wel een bewijs in handen dat de mensen stom zijn.
'Mag ik misschien even weten waarom het stom is, dat wij mensen God hebben bedacht?’
'Dat mag u weten. Kent u één strijd, één oorlog die niet geleverd is om God, of andere Goden?’
Mijn dochter is net terug uit Polen waar ze de gaskamers heeft bezocht. Ze vraagt aan mij wie de gaskamers eigenlijk bedacht heeft. Ze wil een naam.
'God’, zeg ik.
'Doe niet zo flauw, pap.’
Ik sluit mijn ogen, en kan God zien. 'Als God een oog is’, zeg ik tegen mijn dochter, 'wat had Hij toen gezien?’
'In gevallen van ernstige psychische klachten kan de familie om opname verzoeken’, antwoordt mijn dochter.