Interview schrijfster Irshad Manji

«Ik spreek inmiddels ook in moskeeën»

De Canadese schrijfster en lesbische moslim Irshad Manji wil de islam van binnenuit moderniseren. Met haar boek ‹The Trouble with Islam›, dat volgende week verschijnt in Nederland, geeft ze een aanzet.

«Onlangs stond ik op het vliegveld van Toronto. Een moslimvrouw herkende me van de televisie en we raakten in gesprek. Toen kwam er opeens een man agressief op ons af. Hij maakte een schietbeweging met zijn hand op haar borst en zei tegen haar: ‹Je hebt meer geluk dan je vriendin.› Wat hij bedoelde te zeggen: jij bent met Manji gesignaleerd en verdient straf, maar zij, ik dus, moet dood. Toch ben ik nooit bang. Als ik zal worden vermoord, dan dient dat uitsluitend mijn zaak. Het bevestigt mijn boodschap dat de islam niet kan omgaan met zelfkritiek.»

Irshad Manji is als moslim-refusenik, zoals ze zichzelf noemt, doodsbedreigingen gewend. Ook krijgt ze de hele riedel aan scheldwoorden over zich heen: zioniste, Mossad-spion, zelfhatende bitch. Het deert haar niet. Ze heeft dat geleerd van de Britse schrijver Salman Rushdie, met wie ze tijdens het schrijven van haar boek een ontmoeting had. Toen ze haar twijfels uitsprak over het publiceren van haar verhaal zei hij: «Een boek is meer dan een mensenleven. Als een schrijver zijn gedachten uiteenzet op schrift, dan kan iemand het daar niet mee eens zijn. Het kan zelfs geweld oproepen. Maar gedachten kunnen nooit meer ongedaan gemaakt worden.» Dat stimuleerde haar om door te gaan.

De Canadese schrijfster stond als tv- programmamaakster en presentatrice van Queer Television in Canada al bekend om haar ongezouten kritiek ten aanzien van de islam, maar sinds haar boek The Trouble with Islam: A Wake-up Call for Honesty and Change negen maanden geleden verscheen, is ze uitgegroeid tot een beroemde troublemaker.

Manji, geboren in Oeganda en op haar vierde met haar ouders gevlucht naar Toronto, bindt de strijd aan met de conservatieve moslims. Ze wil niet accepteren dat haar geloofsgenoten na 9/11 niet luid en duidelijk afkeurend hebben gereageerd. Ze schrijft in haar inleiding: «Na 11 september gingen we de verlammende ziekelijkheid van de godsdienst uit de weg. Door ons luide zelfmedelijden en onze opvallende stiltes werken wij moslims onszelf tegen. We zitten midden in een diepe crisis en slepen de rest van de wereld met ons mee. Als er ooit een moment is geweest voor een islamitische reformatie, dan is het nu. Wat gaan we er in godsnaam mee doen?»

Het grote verschil met andere splijtzwammen, zoals de Nederlandse Ayaan Hirsi Ali, is dat Manji het geloof niet de rug toekeert. Ze zegt dat ze tijdens lezingen en tv-debatten en vooral ook via internet bewust contact zoekt met «gewone» moslims. De zakken post die ze dagelijks ontvangt, waarvan het meeste zeer positief is, bevestigen voor haar de schreeuw om verandering. Ook maakt ze mee dat na afloop van een lezing gesluierde vrouwen haar stiekem in het oor fluisteren: «Ga alsjeblieft door met je strijd.» Of mannen die zeggen: «Manji, je bent rolmodel voor mijn dochters.»

In Amerika en Canada staat Manji’s boek al wekenlang boven aan de bestsellerslijsten, het is inmiddels in tientallen landen vertaald en leidt overal tot een fel debat over de vraag hoe de islam van binnenuit hervormd kan worden. Haar oproep tot zelfreflectie wordt gehoord tot in Indonesië en de Arabische wereld. Ze kan daar (nog) geen uitgevers vinden die het aandurven haar boek te vertalen, maar immigranten in het Westen sturen de inhoud naar familieleden in het moederland.

Aan de vooravond van haar vertrek naar Nederland, om de vertaling Het islamdilemma: Een oproep tot verandering en tolerantie te presenteren, zegt ze vanuit Toronto dat ze zenuwachtig is voor haar bezoek aan Europa, omdat ze denkt dat haar boek daar veel meer emoties zal oproepen dan in haar eigen land.

Ze verklaart zich nader: «In de Noord-Amerikaanse samenleving worden minder heden, waaronder moslims met vele nationaliteiten, gerespecteerd. Enerzijds accepteert iedereen de democratische grondvesten van het nieuwe land en eist de overheid consequent aanpassing, met name betreffende de taal, anderzijds krijgen de tientallen door en naast elkaar levende migrantengemeenschappen alle vrijheid voor hun eigen cultuur en geloof. We hebben bovendien niet een politieke traditie waarin de staat de ontwikkeling van het individu wil sturen. De politiek correcte houding die iedere discussie over mijn geloof in de kiem smoort, bestaat in Canada weliswaar meer dan in Amerika, maar is weer veel minder dan in Europa. Ik denk dat een normale discussie over de islam in Europa te lang is onderdrukt en nu emotioneel alle kanten op vliegt.»

Op Manji’s geluid hebben veel mensen gewacht, vooral binnen de moslimwereld. Manji is pleitbezorgster van hervorming van het geloof en van fundamentele rechten voor de vrouw, volgens haar onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze is fel tegenstander van de multiculturele politieke houding. In haar boek neemt ze de lezer mee op een persoonlijke zoektocht naar ijtihad, een begrip uit de «Gouden Eeuw» van de islam, rond de twaalfde eeuw in Spanje, toen vooraanstaande leiders en filosofen creatief zochten naar verdraagzaamheid ten aanzien van christenen, joden en vrouwen en probeerden innovatieve gedachten toe te laten zonder dat dit tot morele verwarringen hoefde te leiden. Ze rakelt deze dynamische denkers op in een poging terug te grijpen op voorbeelden uit de eigen geschiedenis. Ook zet ze het begrip af tegen de recente herleving van de jihad, ingezet door Osama bin Laden en andere gewelddadige extremisten: «Waarom moeten moslims joods-christelijke waarden imiteren om menselijk te zijn? De realiteit is dat de islam voor miljoenen een steunpilaar is in hun identiteit. Dus laten we praktisch zijn: willen we dat moslimvrouwen ten minste voor een deel voor hun mensenrechten opkomen en dat modernisering stapsgewijs, met resultaat op lange termijn, mogelijk wordt? Of willen we dat moslims zich vervreemd gaan voelen of in handen vallen van extremistische leiders?

Dus ik daag mijn geloofsgenoten uit. Tenslotte verkeren moslims in het Westen in de bevoorrechte positie dat ze zonder angst voor represailles van de staat lastige vragen mogen stellen. Als wij het niet doen, dan wacht ook ons de hersendood. Het is onze plicht om vanuit het westerse liberalisme het stilzwijgen over misstanden binnen de moslimgemeenschap te verbreken.»

In haar boek beschrijft Manji hoe ze zelf op natuurlijke wijze kwam tot vragen stellen. Het begon toen ze als klein meisje op de madresse (koranschool) in Toronto de koran in het Arabisch moest leren, en vroeg waarom ze niet uit een Engelstalige versie mocht leren. Ze ging op zoek, maar werd door de geestelijke leiders belemmerd. Als ze te horen kreeg «dat de joden altijd al het grote geld en het zakenleven beheersen», zei ze: «Maar ik zie om me heen dat de Aziaten de business in handen hebben, hoe kan dat dan?» Het kritische meisje, dat later ook nog lesbisch bleek te zijn — «het allergrootste taboe binnen mijn geloof» — werd uit de madresse verbannen. Het vormde het beginpunt van haar persoonlijke dilemma, dat ze verheft tot een collectief probleem.

In haar boek schrijft Manji: «Ik kon mezelf dan wel een moslim noemen wanneer ik naar de moskee ging, maar ik moest tegelijkertijd dat andere, even heilige deel van mijn identi teit opofferen: de denker.» Haar bezoeken aan de madresse ervoer ze als volgt: «Ik kwam het gebouw binnen in een witte polyester chador en vertrok een paar uur later met geplet haar en een afgestompte geest, alsof het condoom over mijn hoofd me uitstekend had beschermd tegen onveilige intellectuele activiteiten.»

Manji komt in haar boek uiteindelijk uit bij twee hardnekkige misvattingen die de actuali teit domineren. Moslims moeten volgens haar niet langer de schuld van hun problemen eenzijdig leggen bij de erfenis van de imperialis ten, want de interne verkramping begon ver vóór de koloniale tijd: «Moslims sabelden elkaars kritiek neer lang voordat de Europese kolonisatie begon. Onze problemen begonnen niet met de lafhartige kruisvaarders, maar begonnen bij onszelf. We hadden het Westen echt niet nodig als argument om onze eigen mensen te onderdrukken. In de Arabische wereld kunnen mannen maar op drie manie ren carrière maken: in de lage bureaucratie, in de beveiliging en in het leger. Funda mentele rechten bestaan voor de massa niet.»

Ze pleit voor afstand doen van het slacht offerschap waarin moslims lijken te zwelgen. Daarnaast klaagt ze de dominante Arabische macht binnen de mondiale islam aan: tot in de verste uithoeken zuchten moslims al eeuwen onder de Arabische opvattingen over het geloof. Ze noemt dat «Arabisch racisme binnen de groep».

«Kunnen de normen van de woestijn uit de islam worden gehaald? Zo niet, dan kunnen we hervormingen wel vergeten!» Volgens Manji stammen alle uitwassen, met name wat betreft de positie van de vrouw, uit de woes tijncultuur. «Zij is slachtoffer van de traditie dat het gedrag van het individu verbonden is met de eer van de familie, de stam en de hele gemeenschap. Deze tribale traditie, gevangen in religieuze wetten en gedragspatronen moet vervangen worden door burgerrechten.»

Het is een moeilijke weg, weet Manji. «Maar geen hervorming zonder debat en geen discussie zonder zelfkritiek en twijfel.» Ze vertelt hoe tijdens een lezing in Chicago een Arabische moslimvrouw, in zwarte lappen gehuld en met vijandige ogen voor de microfoon ging staan en zei: «Ik moet iets zeggen: ik realiseer me nu hoe belangrijk kritisch denken is.» Waarop de vrouw schrok van zichzelf en de hand voor haar mond deed. Achteraf vroeg ze aan Manji: «Er zijn hier toch geen camera’s?» «Ik zag dat er, ondanks haar enorme angst, iets in haar was veranderd», zegt Manji. «Verantwoordelijkheid nemen over je eigen geest, daar gaat het om. En je ziet dat zowel mannen als vrouwen klem zitten in hun rol.»

Daarom, zegt ze, ligt de oplossing, behalve in het in eigen taal lezen van de koran, ook in het opzetten van small business voor zowel mannen als vrouwen. «Economische zelfstandigheid genereert een vrijere geest en eigenwaarde. Ik pleit hier niet voor naakt kapitalisme, maar voor het openbreken van een naar binnen gekeerd, verstikkend patroon. In de koran wordt nergens gezegd dat vrouwen niet zouden mogen werken. De eerste vrouw van de profeet Mohammed, Khadija, was een rijke selfmade handelsvrouw.»

Ze wordt wel eens doodmoe, geeft Manji toe, maar, zegt ze vrolijk: «Ik put kracht uit mijn geloof. Deze discussie was enkele jaren geleden niet denkbaar. Ik spreek inmiddels ook in moskeeën. Dat is bemoedigend.» En als de reformatie er niet komt? Na lang aarzelen: «Ik denk dat ik dan de islam zal verlaten.»