Ik sta mezelf te verdedigen

Het vervelende is dat wanneer je een vriend hebt, je niet serieus wordt genomen wanneer die vriend iets doet. Ik schaam mij niet voor mijn vriendschap met Theo van Gogh. Nu heeft Theo een film gemaakt die ‘De pijnbank’ heet. Ik zit met het volgende probleem: ik vind het een ijzersterke film, maar niemand wil mijn woorden naar waarde schatten vanwege mijn vriendschap. Men gaat er vanuit dat ik de film sowieso goed zal vinden.

Gek is dat eigenlijk.
Als er iemand kritisch kijkt naar de films van Theo, ben ik dat. Ik ben bijna bij al zijn films wel eens een dag aanwezig geweest. Theo en ik hebben twee keer een film samen gemaakt. En we hebben samen heel wat films gezien en vaak over films gepraat.
Wat ik merk is dat ik juist omdat ik Theo en zijn films zo goed ken - de meeste zag ik meer dan drie keer - zeer kritisch ben. Ik zie de zwakke maar ook de sterke kanten. En juist omdat ik zo veel weet van de productie van sommige films (‘continuïteit in de kleding ging fout, dasmicrofoons werkten niet, scènes moesten herschreven worden’) is er eigenlijk in Nederland geen filmer die ik zo door en door ken.
Maar met mijn mening kan ik nergens terecht. Niemand gelooft mij. Deze laatste film is, volgens mij, een van Theo’s beste.
Maar ik ken dan ook het budget (3,5 ton), ik ken alle problemen, ik ken de cameraman, de lichtman en de andere producenten.
Ik zie een weergaloze rol van Paul de Leeuw. Ik zie hoe hij geregisseerd is; Theo heeft hem totaal willen ontdoen van alle Paul de Leeuw-gimmicks en hem zo klein mogelijk laten spelen. Prachtig. Ik zie ook de benauwde sfeer van de film - ik ken Theo’s aberraties - en voel mee hoe hij een 'verstikkende sfeer’ heeft willen scheppen. 'L'enfer, c'est les autres’, de hel, dat zijn de anderen - als er iemand aan deze sartriaanse kalenderwijsheid vorm heeft gegeven, is het Theo wel.
Verder vind ik deze film sterk wat betreft de tekst. Het scenario is geschreven door Justus van Oel. Dat is het volgende probleem. Ik ken Justus goed. Bijna een buurman van me. Ik heb vaak met Justus in de kroeg gezeten. We praten vaak over literatuur en het leven. Justus en ik gaan door het leven in hetzelfde akkoordenschema, waardoor we, zodra we elkaar zien, makkelijk kunnen improviseren. Juist ik, denk ik wel eens, kan zijn teksten naar waarde schatten en daar zeer kritisch tegenover staan. Maar wederom neemt niemand mij serieus.
En daar sta ik dan mezelf te verdedigen.
Had ik geen kritiek op 'De pijnbank’?
Jazeker wel - maar mijn kritiek is volstrekt anders dan de krantenkritiek. Mijn kritiek is onder andere - dat heb ik ook aan Theo verteld -: haal dat ene onscherpe shot eruit. (Is gebeurd.) Kijk nog eens naar het beginshot: moet het verhaal niet op een andere plek beginnen? (Niet gebeurd, meen ik.)
De film kostte drie komma vijf ton, let dan eens op het schitterende camerawerk van Tom Erisman. Zie het kraanshot en ook hoe hij overshoulder schiet.
Kijk eens hoe Theo vier man regisseert in een kleine ruimte. Let eens op de momenten van stilte en rust.
'Hoe zullen de recensenten reageren?’ vroeg Theo me na afloop.
'Ik weet het niet, half-half denk ik. De helft zal hem goed vinden, de andere helft verschrikkelijk.’
Ik weet dat niemand wat te maken heeft met de kosten van een film of de krappe tijd waarin hij is opgenomen. En toch… Kijk eens door die bril naar die film en vergelijk hem eens met 'Left Luggage’ van dezelfde producent. Welke film heeft dan de meeste stijl, de meeste persoonlijkheid? Welke film is dan het meest artistiek? Welke film is dan kunst? Daar gaat het toch om?