‘Ik streef altijd naar verschil en eenheid’

In het begin maakte hij praalwagens in miniatuur. Later ging kunstenaar Niko de Wit abstract werken, maar de harmonie- en verhoudingsprincipes die hij najaagt zijn herleidbaar tot zijn carnavalsverleden.

NIKO DE WIT (1948) herinnert zich hoe hij als kleine jongen de carnavalsoptocht het marktplein van zijn woonplaats Bergen op Zoom op ziet draaien. ‘Het is overweldigend, net een geboorte. Als toeschouwer kijk je op naar meer dan huizenhoge wagens.’ Dat perspectief buit hij nog steeds uit in het abstracte werk dat hij tegenwoordig maakt en dat niets meer weg heeft van de groteske, kleurige miniatuurpraalwagens uit het prilste begin van zijn kunstenaarschap. Op het eerste gezicht, tenminste.

‘Carnaval was de enige kunst waarmee ik iets te maken had’, zegt De Wit. ‘Bergen op Zoom was dan ook geen doorsnee carnavalsstad. De optochten konden zich kwalitatief meten met die van Viareggio en Nice. De beste kunstenaars van de stad werden ingezet om het niveau ver boven het gemiddelde te doen uitstijgen.’ De belangrijkste van hen was Louis Weijts, die in een onmiskenbare stijl, ritmisch en satirisch, veel van de wagens vormgaf.

Weijts is een van de prominentste voorbeelden voor De Wit. Vanaf zijn zevende houdt die zich bezig met het nabouwen van praalwagens. Op zijn vijftiende tekent en boetseert De Wit zijn eerste eigen ontwerp (waarvan de maquette zal worden tentoongesteld). Het ontwerp krijgt een aanmoedigingsprijs. Drie jaar later klopt er een bouwclub aan die de wagen wil realiseren en maakt de achttienjarige De Wit het ontwerp definitief in een reliëf.

Zowel in de maquette als in het definitieve ontwerp is de erfenis van Weijts zichtbaar. Net als die van Weijts zijn De Wits taferelen boers, grotesk en expressief: overal steken nar­achtige figuren de kop op. Maar er zijn ook andere invloeden te ontdekken. Vooral op de plaquette, meent De Wit, is te zien dat hij, niet eens zozeer bewust, geïnspireerd was door kunst uit oude Mexicaanse culturen. Dat uit zich bijvoorbeeld in de breed grijnzende gezichten maar ook in de verhalende dynamiek van de voorstelling die, bijna als een tempeltekening, een verhaal uitbeeldt.

Wat de wagen over de breedte vertelt blijkt al uit de titel: Bergse vastenavend verovert d’ele wereld. Twee vestingtorens leiden het verhaal in. Daarachter nemen artilleristen in Bergs uniform het op tegen de politieke grootmachten van de dan woedende Koude Oorlog: ­Chroesjtsjov, Johnson en De Gaulle, die dreigen met bommen en raketten. De boodschap is simpel: carnaval tornt aan de gezagsverhoudingen en de leut regeert. Het is tenslotte een omkeringsritueel.

Wanneer je de maquette van dichtbij bekijkt valt de gedetailleerdheid op, en de secuurheid waarmee de vijftienjarige De Wit zijn model bouwde. Zijn toewijding blijkt ook uit de manier waarop hij zijn materiaal verzamelde: ‘De klei die ik gebruikte haalde ik aanvankelijk uit de grond van de nieuwbouwwijk waar we woonden. Later ging ik voor betere klei naar de steenfabriek buiten de stad, waar ik soms mijn werk mocht meebakken tussen de bakstenen.’

Van een afstand is te zien dat, net als aan de details, veel zorg is besteed aan de compositie. Duidelijk is dat De Wit al streeft naar een evenwicht van vormen waarbij dynamische en ingetogen componenten elkaar in balans houden.

Eenzelfde streven naar evenwicht kenmerkt nog steeds het vaak minimalistische beeldhouwwerk van De Wit. En hoewel hij voor deze tentoonstelling gevraagd is zijn figuratieve, vroege carnavalswerk te exposeren, zou je tot de conclusie kunnen komen dat hij ook met zijn abstracte kunst harmonie- en verhoudings­principes najaagt die herleidbaar zijn tot zijn carnavalsverleden.

De fascinatie van de jonge De Wit voor de ontzagwekkende grootheid van de voorbij­trekkende carnavalswagens is terug te zien in de verzameling ontwerpen die tentoongesteld staan in het atelier. Zijn kleine sculpturen, waarvan sommige ook in het groot in de openbare ruimte te vinden zijn, hebben een monumentale uitstraling. Je ziet jezelf bijna tussen de architectonische structuren en gewelven van de beeldjes door lopen. Ze vragen erom gigantisch te zijn. ‘Dat komt door de maatvoering’, zegt De Wit, die zich ook laat inspireren door architectuur.

In zijn atelier blijkt bovendien meteen dat hij geïntrigeerd is door wat hij ‘omkeringen’ noemt. Vormen die boven en onder uit bijna inwisselbare delen bestaan, maar ook complementerende vormen die in samenspel balanceren en een hechte eenheid vormen die er vanuit verschillende hoeken totaal anders uitziet. Perspectiefwisseling is cruciaal. Zijn beelden moeten blijven boeien. De Wit: ‘Ik vind het een kunst twee verschillende bewegingsuitdrukkingen, verheffen en drukken bijvoorbeeld, samen in één beeld te krijgen. Ik streef altijd naar verschil en eenheid. Waar dat precies vandaan komt weet ik niet, maar ik denk dat ik in staat ben verschillende polen te verenigen. In mezelf bijvoorbeeld het Bourgondische en het ingetogene.’

Zijn zoektocht naar balans in abstract-geometrische vormen heeft, zo vermoedt De Wit, wel iets te maken met een interesse voor universelen. Maar over de ontwikkeling die hij als kunstenaar doormaakte, van de figuratieve praalwagens uit zijn jeugd tot de uitgeklede beelden van nu, zegt hij dat hij tijdens zijn academietijd leerde dat, paradoxaal genoeg, juist die universele vormen hem meer ruimte voor eigenheid boden: ‘Mijn stijl is bij mijn figuratieve werk meer gebonden aan onderwerp en traditie (zoals de carnavalsstijl diep geworteld is in de Bergse cultuur) en daardoor minder persoonlijk dan mijn abstracte werk.’

Tussen De Wits strakke beeldhouwwerk houden de carnavalswagens ondertussen wel hun plek in een goed verlichte vitrine in het atelier, waar ze zorgvuldig staan uitgestald. Ongeschonden bijna, net als overigens alle ontwerpen, alsof ze gisteren gemaakt zijn en klaar zijn om weg te rijden.


Werk van Niko de Wit zal te zien zijn op Topsy Turvy, de openingsexpositie van De Appel