Ik tegen de massa

De twee interessantste Amerikaanse romans over Koude-Oorlogparanoia verschillen als dag en nacht; toch hebben Don DeLillo’s Underworld en Philip Roth’s I Married a Communist iets gemeen.

Medium joost

The future belongs to crowds. In de proloog van Don DeLillo’s Mao II (1991) kijken twee Amerikaanse ouders met groeiende vervreemding toe hoe hun dochter deelneemt aan een massahuwelijk in een honkbalstadion, ingezegend door reverend Moon. Terwijl de duizenden jonge echtparen zichzelf in trance zingen, zoekt de vader vanaf de tribune naar het gezicht van zijn dochter, maar hij weet dat hij haar verloren heeft aan de kracht van de massa. Ze zingen voor een nieuw leven, voor eeuwige vrede; ze zingen voor één taal, één woord, voor de tijd waarin namen overbodig zijn: ‘The future belongs to crowds.’

Het is de omineuze boodschap waar vrijwel het hele oeuvre van DeLillo om draait. De Amerikaanse schrijver, geboren in 1936, mengt altijd verschillende thema’s door elkaar – terrorisme, hyperconsumentisme, paranoia en complottheorieën, de manier waarop massamedia gebeurtenissen van hun betekenis ontdoen – om telkens op hetzelfde uit te komen: het individu legt het af tegen de massa. Al in White Noise (1985), de roman waarmee DeLillo doorbrak en de National Book Award won, filosofeert Jack Gladney, professor in Hitler Studies, dat massa’s een schild zijn tegen de eigen sterfelijkheid: ‘To become a crowd is to keep out death.’

De meest dreigende massa vinden we in Underworld (1997), Don DeLillo’s magnum opus over de Verenigde Staten in de Koude Oorlog. Het kan niet missen dat ook de proloog van Underworld in een stadion begint. Het is 3 oktober 1951. De kampioenswedstrijd van de honkbalcompetitie, de Giants tegen de Dodgers. Op de uitverkochte tribunes zitten Frank Sinatra, Jackie Gleason en FBI-directeur J. Edgar Hoover. In heel Amerika zitten mensen voor de tv; over de hele wereld zitten Amerikaanse soldaten – in West-Duitsland, Korea – voor de radio. In de laatste inning, met drie punten achterstand, komt New York Giant Bobby Thomson aan slag.
Het is een van de meest magische scènes van DeLillo. Als Thomson uit het niets de winnende homerun slaat, schiet de schrijver door de hoofden van de massa: de uitzinnige honkbalfans, de sterren in de vip-plaatsen, de nerveuze spelers, de mensen thuis. Het is een moment van gedeelde existentie, een moment waarop heel Amerika één is. Met uitzondering van één man: Edgar Hoover, die precies op dat moment te horen krijgt dat de Sovjet-Unie een nieuwe atoomtest heeft gedaan en nu zonder twijfel over een nucleair arsenaal beschikt.

De slag van Thomson ging de boeken in als ‘the shot heard ’round the World’, in de Amerikaanse sportgeschiedenis het equivalent van Van Bastens volley in de EK-finale van 1988. In Underworld staat de homerun symbool voor de advent van de nucleaire tijd. Zoals een personage later opmerkt: in een atoombom is de radioactieve kern precies even groot als een honkbal. Het boek volgt Nick Shay, die als kleine jongen het stadion was binnengeglipt, tijdens zijn omzwervingen door het Amerika van de Koude Oorlog. Shay is een ‘waste management executive’ en adviseert hoe nucleair afval het best opgeborgen kan worden. Het opbergen is een metafoor, want het hele boek draait om het ondergrondse Amerika, het Amerika dat zo doordrenkt is van angst voor de Rode kernwapens dat het zich niet durft uit te spreken tegen zijn eigen regering.

Het is interessant om Underworld naast een roman te houden die vrijwel op hetzelfde moment verscheen: I Married a Communist van Philip Roth uit 1998. In beide boeken staat één thema centraal, het individu tegenover de massa, maar beide schrijvers behandelen het op totaal eigen wijze. Underworld is een van die witte walvissen onder de boeken, The Great American Novel, een boek dat inzicht geeft in de Amerikaanse psyche. DeLillo doet dat met een meanderende plot die heen en weer schiet door de tijd, vol abstracte dialogen en symboliek. Het boek gaat over de persoonlijke queeste van Nick Shay, die probeert via verzamelaars de bal op te sporen die Thomson wegsloeg, en houdt zich daarna weer bezig met secundaire, passerende personages. Het beeld dat van de Koude-Oorlogparanoia ontstaat wordt daardoor diffuus: het is een wolk van angst die overal boven hangt en nergens concreet neerslaat. Koude Oorlog is synoniem voor een ondergrondse wereld, een wereld van geheimen en bedrog, een onzichtbare hand die de massa manipuleert.

Philip Roth concentreert in I Married a Communist de Koude-Oorlogparanoia veel meer in één periode: de hoogtijdagen van het mccarthyisme, begin jaren vijftig, de heksenjacht op Amerikanen met communistische sympathieën. Het hele oeuvre van Roth draait om de spanning tussen de wens van het individu om zijn eigen leven in te vullen en de deterministische krachten van de geschiedenis, tussen het utopische verlangen naar orde en harmonie en de realiteit van chaos en rumoer en de ontoombare driften naar anarchie. Dit komt het best naar voren in wat zijn ‘American trilogy’ wordt genoemd: de drie-eenheid American Pastoral (1997), I Married a Communist (1998) en The Human Stain (2000). In elk boek blikt Roth’s alter ego Nathan Zuckerman terug op de mannen in zijn leven die groot zijn geworden in de American Dream, stuk voor stuk markante, getalenteerde figuren die door de tijdgeest op hun knieën worden gedwongen.

In I Married a Communist wordt de jonge Zuckerman door Ira Ringold ontdekt, die hem meteen begint op te voeden als zijn politieke protégé. Voor Nathan heeft Ira een ‘aura of heroic purity’: hij heeft zijn jeugd, getekend door armoede en antisemitisme, overwonnen en is nu een radioster bekend als ‘Iron Rinn’, een Abraham Lincoln-achtig figuur. Hij is getrouwd met de stille filmster Eva Frame, woont in een geweldig huis en probeert met zijn radioshow aandacht te besteden aan rassensegregatie en de slechte positie van de arbeidersklasse in de VS.

Als Nathan te veel met Ira omgaat wil Nathans vader de waarheid weten. Hij vraagt het recht in Ira’s gezicht: bent u een communist? Nee, zegt Ira, tot twee maal toe. Nee. Hij liegt. Ira is misschien de minst interessante hoofdpersoon uit Roth’s American trilogy – Seymour ‘the Swede’ Levov uit American Pastoral en Coleman Silk uit The Human Stain zijn tragischer – omdat hij vastzit in één modus: woede (ira is Latijn voor woede). Hij is permanent boos, op het kapitalisme, op de Amerikaanse staat die negatief over het socialisme spreekt en op zijn vrouw, als die na een vileine scheiding een boek publiceert, het ‘I Married a Communist’ van de titel, waarin ze schrijft dat Ira zijn orders uit Moskou ontvangt. Die woede maakt Ira weinig sympathiek, waardoor je als lezer niet meeleeft als de Senaatscommissie voor On-Amerikaanse Activiteiten zich over hem buigt en hardhandig zijn goede naam vernietigt.

In het werk van Roth staat geschiedenis gelijk aan de maatschappij, aan de anonieme massa, en op het moment dat iemand buiten de lijn van de geschiedenis valt, buiten de massa, is hij reddeloos verloren. In I Married a Communist toont Roth de kwetsbaarheid van het individu op subtiele wijze; niet belichaamd in de ongewoon luidruchtige Ira, maar in diens broer Murray, een goedwillende oorlogsveteraan en de middelbareschoolleraar van Nathan. Ook hij wordt voor McCarthy’s Senaatscommissie gedaagd, enkel omdat hij de broer van Ira is, en ook hij wordt ontslagen en belandt in de marge van de maatschappij.

DeLillo’s Nick Shay zegt dat hij in alles een onopvallende burger is, ‘like someone in the Witness Protection Program’. Met Murray laat Roth zien dat dat niet genoeg is om buiten schot te blijven. De enige manier om te overleven is in de massa, zo dicht mogelijk tegen elkaar aan geschurkt.


Beeld: 1954. Fabrieksarbeiders verwijderen een ‘communistische’ collega. Het McCarthy-tijdperk (KG / ANP)